Forum | Jheronimus Bosch: daar zit muziek in

Jheronimus Bosch: daar zit muziek in

2016 © Ben Hartman

 

Op de schilderijen van Jheronimus Bosch en zijn navolgers zijn zeer veel muziekinstrumenten afgebeeld. Instrumenten uit de late middeleeuwen, de tijd waarin Bosch leefde en werkte in ‘s-Hertogenbosch. Mijn fascinatie voor deze muziekinstrumenten en de middeleeuwse schilder heeft geleid tot een studie naar muziekinstrumenten in het werk van Bosch.

Enkele resultaten van dit onderzoek ga ik in delen publiceren op deze site, te beginnen met de doedelzak. Om dit muziekinstrument beter te leren begrijpen geef ik eerst een korte historische beschrijving. Ik besef dat dit artikel niet volledig is en waarschijnlijk ook niet kan zijn, er is zoveel literatuur over Bosch, het is onmogelijk om dit allemaal te bestuderen. Ik beperk me voorlopig tot de recente Bosch-literatuur. Het voordeel van publiceren op een site is dat ik te allen tijde aanvullingen, correcties, op- en aanmerkingen van mezelf en van u kan toevoegen. Ik wacht af en wens u veel lees- en kijkplezier.

 

Introductie

Mijn belangstelling voor Jheronimus Bosch ontstond in mijn HBS-tijd. Ik was leerling van het Jacob Roelandscollege in Boxtel en in 1967 gingen we met de klas en tekenleraar Louis Notenboom naar de grote  Bosch tentoonstelling in ’s-Hertogenbosch in het toenmalige Noordbrabants Museum aan de Bethaniëstraat. Ik vond het zodanig interessant dat ik een paar dagen later nog eens de tentoonstelling heb bezocht, nu alleen.

Gerrit van den Hoven heeft een prachtig boek geschreven over de totstandkoming van deze tentoonstelling: Bosch was hier, een uitgave uit 2013.

Een aantal jaar later, begin jaren 70  werd ik geïnfecteerd door het volkmuziekvirus gedurende een hype die ontstond over deze toen nog alternatieve muziekvorm. Ik ging accordeon en doedelzak spelen, niet het Schotse type maar het Vlaamse ofwel Bruegeliaanse type, genoemd naar de doedelzak die Pieter Bruegel de Oude (circa 1525/30-1569) vaak  schilderde, zoals in dit overbekende voorbeeld uit circa 1567:

 

1-Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak--Pieter-Bruegel

De dorpskermis, olieverf op paneel. Kunsthistorisch Museum, Wenen.

 

Ook David Teniers  (1610-1690) beeldde dit type doedelzak veelvuldig af, te zien in onderstaand detail van een werk uit 1649.

 

2-Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzakspeler-Teniers

Londen, Buckingham Palace, The Royal Collection.

 

Eenmaal volksmuzikant en doedelzakspeler kwam ik erachter dat doedelzakken te zien waren in sommige werken van Bosch. Dit fascineerde mij dermate dat ik daar studie naar ging doen. Bosch schilderde meer muziekinstrumenten dan alleen de doedelzak en na 2001, het jaar van de tentoonstelling  Jheronimus Bosch in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, ben ik niet alleen de doedelzak maar ook die andere muziekinstrumenten gaan bestuderen.

 

De doedelzak

 

Ouderdom in literatuur en iconografie

 

> Literatuurvermelding

 

3-Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-H.-Boone--de-doedelzak

 

De eerste bronnen die het gebruik van de doedelzak in onze gewesten of in de onmiddellijke omgeving ervan laten vermoeden stammen uit de tweede helft van de 13de eeuw. Dit schrijft Hubert Boone in zijn standaardwerk over de doedelzak, dat ik veelvuldig heb geraadpleegd.

De doedelzak wordt het eerst vermeld in de literatuur, onder meer in het theaterstuk Le jeu de Robin et Marion, je zou het tegenwoordig een musical noemen, tekst afgewisseld met liederen. Het is geschreven door Adam de la Halle (Arras ca. 1237- Napels ca. 1288) in 1285. Ik heb een afbeelding gevonden van Robin en Marion, zij speelt de doedelzak, hoogst ongebruikelijk voor een vrouw, zelfs eeuwen later nog! En hij hangt aan haar rokken.

 

4-Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-Robin-en-Marion

 

Het is een miniatuur uit het begin van de 16de eeuw en verscheen in  Le petite livre d’amour  van Pierre Sala (Lyon ca. 1457- ca, 1529).

De doedelzak in dit werk wordt muse genoemd, zie verderop in de terminologie, ook wel: le muse au grand bourdon. De grote bourdon(pijp) zie je pas afgebeeld op het einde van de 13de eeuw.

 

> Iconografie

Boone: kort hierop verschijnt de doedelzak in de iconografie en hij noemt het een van de allereerste en vermeldenswaardige afbeeldingen. Helaas is de bedoelde afbeelding uit een getijdenboek uit het begin van de 14de eeuw, niet in kleur.

Het hele blad en twee details.

 

5--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzakken

6 Ben Hartman Jheronimus Bosch Doedelzakken

7 Ben Hartman Jheronimus Bosch Doedelzakken

Mijn zoektocht naar afbeeldingen van doedelzakken in middeleeuwse manuscripten leverde me een honderdtal afbeeldingen op. De oudste hiervan staat  op de site van de Bibliothèque Nationale de France met als titel: Saul en Gibéa, en als datum circa 1270. Het is een doedelzak zonder bourdonpijp, duidelijk te zien in het detail.

 

8--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Saul-en-Gibea

 

9 Ben Hartman Jheronimus Bosch Doedelzak en manuscript

 

 

Terminologie

Er zijn altijd onderzoekers, inclusief ikzelf, die meer willen weten over de geschiedenis van de doedelzak. In de archieven vind je de term doedelzak echter weinig terug, vandaar onderstaande opsomming van synoniemen. Deze is niet compleet, maar voldoet voor deze bijdrage.

We volgen Hubert Boone in zijn De Doedelzak, daarbij we moeten wel bedenken dat Boone het vooral heeft over het Vlaamse cultuurgebied.

De benaming doedelzak komt in onze gewesten hoogstwaarschijnlijk pas voor vanaf het begin van de 18de eeuw en werd ontleend aan het Duitse taalgebied waar dudelsack reeds voorkomt in 17de-eeuwse bronnen. Het eerste deel van deze samenstelling werd ingevoerd vanuit Oost-Europa; vergelijk het Poolse dudlic en duda, het Tsjechische dudy. De oorsprong van deze vormen dient evenwel gezocht te worden in het Turkse duduk, wat fluit betekent; maar de term heeft ook een onomatopeïsche (klanknabootsende) betekenis.

 

> Muse en musette

De oudste benaming voor het instrument – dat ik overigens gewoon doedelzak blijf noemen – is muse. In de Franse literatuur komt deze term in de betekenis van doedelzak reeds vrij vaak voor in 13de-eeuwse bronnen. In het Nederlands taalgebied zien we deze term in die betekenis maar éénmaal vermeld, in een Ieperse stadsrekening van 1409.

Een andere veel gebruikte benaming voor doedelzak is musette, in feite een verkleinwoord van muse. Deze benaming kom je al tegen in de tweede helft van de 13de eeuw, in de Franse literatuur.

In het Nederlands taalgebied komen we de term muse slechts eenmaal tegen: in een archieftekst uit het begin van de 16de eeuw.

 

> Cornemuse

De term cornemuse kom je al tegen in de 13de-eeuwse Franse literatuur en in een 15de-eeuwse (1470) archieftekst over de ommegang van het Vlaamse Dendermonde.

De term cornemuse leidde een taai bestaan: in de 19de en 20ste eeuw bleef deze term nog voortbestaan in de volksmond.

Cornemuse komen we al tegen in het vijfde couplet van Het Kerelslied uit het Gruuthuse –handschrift uit 1390-1400. Beginregel: wi willen van den kerels zinghen.

Het Gruuthuse-handschrift is een middeleeuws verzamelhandschrift, waarschijnlijk in Brugge samengesteld, waarvan de oudste kern dateert van omstreeks 1395, terwijl de jongste (onvoltooide) bijdragen stammen uit omstreeks 1408. Het maakte waarschijnlijk deel uit van de bibliotheek van Lodewijk van Gruuthuse (circa1422-1492). Het handschrift bevat 147 liederen, 16 gedichten en 7 berijmde gebeden.

In 2007 werd het handschrift aangekocht door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Voorheen was het in privébezit te Koolkerke bij Brugge. Door de aankoop is het handschrift nu in openbaar bezit en zijn de teksten intussen ook digitaal beschikbaar.

Het hele Kerelslied  kunt u vinden op de site: www.liederenbank.nl.

Nu het vijfde couplet:

Dan comt de grote cornemuse
Ende pijpt hem turelurureleruut
Ay, hoor van desen abuze
Dan maecsi groot gheluut
Dan sprincsi alle al over hoop
Dan waecht haer langhe baert
Si maken groot gheloop
God gheve hem quade vaert

De term cornemuse kom je ongetwijfeld in meerdere teksten tegen, dat opent weer een nieuwe mogelijkheid voor een interessante studie naar het vóórkomen van doedelzakterminologie in  bijvoorbeeld middeleeuwse kerstliederen. Laat ik het voorlopig maar bij Bosch houden.

 

> Moezel

De eerste bronnen die spreken van moezel dateren uit de 15de eeuw, je komt dan meestal in (lied)teksten het woord muselen tegen voor doedelzakspelen en het instrument wordt dan musele genoemd. In de tweede helft van de 16de eeuw komt de schrijfvariant moesel voor, vanaf de 17de eeuw wordt het moezel. Er is een spreekwoord uit de 17de eeuw:

De moezel die moet wezen vul
Of anders maect zy gheen ghelul.
Over dit laatste woord kom ik dadelijk te spreken.

Vanaf de 15de eeuw noemt men de bespeler van een moezel een moeseler, een eeuw later moeselaer. Het woord moezelke komen we tegen in het kerstlied Herders hij is geboren, een tekst uit circa 1669.

Het 4de couplet :

Ik nam mijn fluitje, een ander
Die nam zijn moezelke
En speelden met melkander
Voor ‘t zoete kinderke etc.

 

> Moezelzak

De moezelzak bestaat uit een konische melodiepijp (schalmei) en een bourdon die parallel geplaatst zit in dezelfde houder als waarin de schalmei zit. Een tweede bourdon rust op de linker  schouder. Voor het eerst wordt dit type afgebeeld in 1636 in Harmonie Universelle van Marin Mersenne.

 

10--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Moezelzakken

 

Voor onze gewesten geldt dat voor het Muzijkaal Kunstwoordenboek uit 1795 van Verschuere Reynvaan te Amsterdam.

 

11--Ben-Hartman-Jheronimus-BoschMoezelzakken-2

 

 

> Pijpzak

Samenstellingen van pijp en zak komen voor in het Nederlandse en Friese taalgebied vanaf het midden van de 16de eeuw. We onderscheiden:

  • sackpipe of sackpijpe, de bespeler heet sackpijpe
  • zakpijp en pypzak (pijpzak) met als  werkwoord is pypen of pypsacken.

Op de volgende afbeelding is er sprake van Speellieden ofte Moeselaers, zij spelen op Sack-pijpen.

 

12--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzakken-moezelaars-sackpijpen

Iets boven de afbeelding kun je lezen:

Seer aerdigh uyt-gebeeldt  door den uytnemenden konstigen schilder Pieter Bruegel.
Gesneden ende gedruckt ten huyse van Henricus Hondius, in ‘sGraven-Hage,1642.
Bron: Op harpen en snaren, volksmuziek, volksdansen, volksinstrumenten in Vlaanderen.

 

> Zo de oude zongen, zo pijpen de jongen

Het woord ‘pijpen’ voor doedelzakspelen  kom je ook later tegen, bijvoorbeeld in het werk van Jacob Jordaens (Antwerpen 1593- Antwerpen 1678). Ik laat drie werken van hem zien die allen het thema hebben: Zo de oude zongen, zo pijpen (piepen) de jongen.

 

13--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak--zo-de-oude-zongen2

Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, 1638.

Van dit paneel is een gravure gemaakt door Schelte à Bolswert (Bolsward circa 1586 – 1659 Antwerpen) naar Jacob Jordaens. Bron: Spiegel van alledag, Nederlandse genreprenten 1550-1700.

14--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-zo-de-oude-zongen4

 

Wat opvalt is dat de doedelzakspeler in spiegelbeeld staat afgebeeld. De speelhouding klopt nu niet meer, zijn rechterhand  bevindt zich boven de linkerhand op de schalmei of speelpijp. De bourdonpijpen rusten ook niet op z’n linker schouder, wat gebruikelijk is, maar in spiegelbeeldig op zijn rechter schouder. Dit fenomeen hebben Jos Koldeweij (hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Radbouduniversiteit in Nijmegen) en ik onlangs ontdekt en zijn we vervolgens steeds meer tegengekomen in de iconografie. Ik kom hier later nog eens uitgebreid op terug.

De volgende afbeelding van Jordaens (Frankrijk, privéverzameling) lijkt veel op de eerste, maar is zeker aan de onderkant completer. Dit schilderij, uit circa 1640-45, draagt bovenaan in een cartouche het opschrift: Soo d’oude songen, soo pepen de jonghe. Dit spreekwoord vindt zijn oorsprong in een werk van Jacob Cats: Spiegel Van den Ouden ende Nieuwen Tijdt, een bundel emblemata, verschenen in 1632. Hier zijn duidelijk drie generaties afgebeeld. De oudjes zingen, de jeugd speelt op een fluitje en de vader van de kindjes speelt doedelzak.

 

16--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-zo-de-oude-zongen1

 

Op het derde schilderij van Jordaens, met hetzelfde thema, is meer volk te zien. Het paneel is gedateerd rond 1638-40 en bevindt zich in het Louvre te Parijs. Er zijn meer zangers en meer kinderen die op een fluitje blazen. En opa kent de liedjesteksten klaarblijkelijk uit het hoofd, terwijl oma haar bril nodig heeft om de teksten te kunnen lezen. In de cartouche staat een Latijnse tekst:

Ut genus est genius concors consentus ab ortu.

 

17--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-zo-de-oude-zongen3

 

Ook Jan Steen gebruikte het thema, in Het vrolijke huisgezin uit 1668 (Rijksmuseum, Amsterdam). Op het blad papier, rechtsboven afgebeeld kun je duidelijk lezen:

Soo d’oude songen
Soo pypen de jonge.

 

18--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Het_vrolijke_huisgezin

 

 > Lullepijp

Met deze term naderen we al aardig de erotische symboliek van de doedelzak in het werk van Bosch, daarover meer, later in deze bijdrage. De samenstelling lullepijpe voor doedelzak wordt reeds in 1567 vermeld en kwam voor in Holland, Zeeland en het land van Kleef en Gelre. Een bespeler van dit instrument noemde men een lulle-pijper.

 18a--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-lullepijp

 

We zien er twee afgebeeld op een gravure van Pieter van der Heyden naar een ontwerp van Pieter Bruegel uit waarschijnlijk 1566. Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam

De twee doedelzakspelers spelen op een boerenbruiloft en er wordt flink gedanst op hun muziek. Konden we maar eens weten wat zij speelden. We zullen het nooit weten, er werd niets genoteerd in die tijd.

Onderaan de gravure staat een tekst die voor zichzelf spreekt.

Locht op speelman ende latet wel dueren,
Soo langh als de lul gaet en den rommel vermach:
Doet lijse wel dapper haer billen rueren,
Want ten is vrij met haer gheen bruijloft, alden dach.
Nu hebbelijck hannen danst soomen plach,
Ick luijster na de pijp en ghij mist den voete:
Maer ons bruijt neemt nu van dansen verdrach,
Trouwens, tis oock best, want sij ghaet vol en soete.

Tenslotte nog een spreekwoord uit de 18de eeuw:

De lulle-pijpe gheeft eerst gheluyd
Wanneer zij vol is  tot den tuyt.

 

Jheronimus Bosch en de doedelzak

Het is inmiddels wel duidelijk dat de doedelzak een bekend muziekinstrument was in de tijd dat Bosch leefde (circa 1450-1516). Misschien heeft hij in zijn stad ’s-Hertogenbosch een doedelzakspeler live zien spelen. Waarschijnlijker is dat Bosch het instrument kende van afbeeldingen in manuscripten die in zijn tijd bekend waren. Ik heb hier voorlopig nog geen antwoord op en ga dus verder met m’n onderzoek.

 

De Hooiwagen

Aan de onderkant van het middenpaneel van De Hooiwagen zie je een tandentrekker/kwakzalver en een doedelzakspeler met daarnaast een non. Bron: Jheronimus Bosch, visioenen van een genie.

19--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Hooiwagen-tandentrekker

 

> Tandentrekker

Vooral de tandentrekker is een figuur die mij wel aanspreekt, het is mijn vroegst afgebeelde collega. Ik ben 33 jaar (1978-2011) als tandarts werkzaam geweest in Schijndel, als opvolger van mijn vader.

 

20--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Hooiwagen-tandentrekker

 

De tandentrekker heeft zijn tafeltje met spullen klaargezet die hij nodig heeft voor zijn behandelingen en zijn ‘diploma’ heeft hij aan een stok gehangen samen met een snoer van reeds getrokken tanden en kiezen, die je ook kunt zien om de hals van de tandentrekker.De betekenis van de afbeelding aan de stok is mij niet duidelijk.

Een tandpijnlijder wordt letterlijk aan de tand gevoeld en zij schreeuwt het uit van de pijn. In de tijd van Bosch was er geen sprake van verdoving! Geen geweldige reclame voor zijn werk, vandaar dat het geschreeuw overstemt moest worden door het geluid van de doedelzak. Wellicht was de doedelzakspeler een bekende van de tandentrekker? We zien hier, zoals al gemeld, de oudste afbeelding van een tandentrekker/kwakzalver, een gegeven dat nauwelijks wordt besproken in de Bosch-literatuur.

De volgende kunstenaar die een tandentrekker uitbeeldt, is Lucas van Leyden (1494-1533) in 1523. (Bron: Vijf eeuwen tandheelkunde in de Nederlandse en Vlaamse kunst). Hier zien we duidelijk afgebeeld waar het in de iconografie van tandentrekkers meestal om gaat: bedrog en zelfverrijking, iets waar ‘moderne’ tandartsen in grote groepspraktijken zich soms ook wel schuldig aan maken, heb ik wel eens de indruk. Terwijl de tandentrekker bezig is met een, zo te zien pijnlijke behandeling, is zijn assistente, wellicht zijn vrouw, bezig de zakken te rollen van de patiënt om zo aan haar honorarium te komen. In die tijd was er kennelijk al sprake van vrije tarieven.

 

21--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Tandentrekker-Lucas-van-Leyden

 

We gaan terug naar het bedoelde fragment. Als we de tandentrekker verder nog eens goed bekijken zien we een pluk hooi in zijn jas/beurs zitten, het is niet toevallig dat Bosch deze scène afbeeldt op het drieluik De Hooiwagen.

> Hooi

In de bijbel wordt de mens een aantal keren vergeleken met gras dat verdort, een verwijzing naar de vergankelijkheid van het aardse bestaan. Ook in de kunst van de 15de en 16de eeuw wordt verdord gras, oftewel hooi, vaak geassocieerd met nietigheid. Immers, alles wat de mens op aarde najaagt aan stoffelijke zaken is in het licht van de eeuwigheid volkomen onbelangrijk.

In het verlengde van deze gedachtegang stond hooi ook symbool voor hebzucht en het bijbehorende wangedrag zoals snelle verrijking. Voor het middenpaneel, waar de hooiwagen prominent in beeld is, geldt het gezegde: ‘de wereld is een hooiberg, elk plukt ervan wat hij kan krijgen’. Het is een satire op hebzucht (avaritia) en eigenbelang. Het is deze symboliek die in Bosch’ schilderij is terug te vinden.

In de middeleeuwen was het hooiwagenmotief algemeen bekend. Vaak reden hooiwagens mee in een stedelijke omgang. Zij werden geflankeerd door mensen die banderoles droegen met daarop de verschillende ondeugden geschreven. De tafereeltjes op de voorgrond van Bosch’ schilderij lijken een zelfde functie te vervullen als deze banderoles. Zij houden de mens een spiegel voor door hem zijn afkeurenswaardige gedrag te tonen. Gedrag waar alleen maar ellende van komt: de hooiwagen stevent regelrecht af op de hel, die op het rechterluik van het triptiek is afgebeeld.

 

> De doedelzakspeler

We gaan eens naar de doedelzakspeler kijken in dit fragment van de Hooiwagen.

 

22--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Hooiwagen-tandentrekker

 

De Vlaamse Bosch-kenner Dr. Eric de Bruyn heeft zich gewaagd aan het bespreken van dit fragment, in zijn omvangrijk werk De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch uit 2001. De Bruyn: Een non biedt een volledig in het blauw geklede, doedelzak blazende speelman een handvol hooi aan. Deze kleur is niet toevallig gekozen: blauw is de kleur van schijnheiligheid en bedrog. In ruil daarvoor wil zij blijkbaar de worst, die via een touwtje met de doedelzak verbonden is. Het hooi dienen we te associëren met aardse ijdelheden en materiële bezittingen. Het bundeltje hooi in de hand van de non is te vergelijken met het hooi in de geldbeurs van de kwakzalver en kan metaforisch gelijk gesteld worden met geld.

 

> De worst

Dr. D. Bax geeft in zijn Ontcijfering van Jeroen Bosch een uitweiding over de worst. Volgens hem is de worst van oudsher een geliefde vastenavondspijs en was het symbool van zwelgzucht en losbandig vermaak. Op een gegeven moment sprak Bax over de worst als phallussymbool en als een zinnebeeld van de onkuisheid. De non heeft een touwtje om haar linkerhand hangen dat afkomstig is van de doedelzak van de muzikant, met daaraan een worst, welke hier volgens Bax een dubbelzinnige betekenis heeft. Misschien beschouwde men de worst in de 16de eeuw als een aphrodisiacum? De Bruyn legde dit uit als: de non verzoekt de speelman om seks tegen betaling.

 

> De doedelzak

De Bruyn betrekt de doedelzak in een erotische betekenis: het feit dat de speelman een doedelzak bespeelt, een instrument dat in de late middeleeuwen even erotisch geladen was als de worst. Overigens zullen we later zien dat de doedelzak ook een herdersinstrument was en ook dat werd door Bosch afgebeeld. De Bruyn vervolgt: de doedelzak en de worst worden niet toevallig via een touwtje met elkaar verbonden. Alleen reeds door zijn suggestieve vorm kon de doedelzak fungeren als een metaforische verwijzing naar de mannelijke genitalia, maar ook het Middelnederlandse taalgebruik bood ruimschoots gelegenheid tot scabreuze woordspelingen in verband met dit instrument.

 We keren nu even terug naar de bovenvermelde terminologie voor wat betreft de pijpzak. Éen van de Middelnederlandse termen voor doedelzak was pijpsac en het bespelen ervan heette pijpen.Pijp kan behalve pijp, buis, ook penis betekenen en de term sac kan verwijzen naar het scrotum, terwijl uit 16de-eeuwse beeldbronnen (met begeleidende onderschriften) duidelijk blijkt dat de term pijpen toen reeds gebezigd werd voor fellatio. Het bespelen van de doedelzak kan metaforisch gelijk staan aan copuleren, waarbij de term sackpijpe manifest verwijst naar de fallus en de mannelijke genitalia.

 

> Hy soect de byle

Er is nog een afbeeldingen bekend van een doedelzak, een worst en een kannetje, al dan niet gevuld met takjes. Hy soect de byle, naar Jheronimus Bosch en/of atelier of omgeving, circa 1510-1530. We zien hier ook weer een doedelzak met nu rechtstreeks aan de bourdonpijp hangend een worst. De man is door de mand gevallen en zijn zak is leeg. Ook een kan met wat takjes (een meikruik?) komt terug in dit schilderijtje, daarboven een uithangbord met een bijl, we hebben hier met een herberg te maken die wellicht als naam heeft:  in ’t bylken? Deze afbeelding kun je vinden in: De zotte schilders en wordt besproken door Jan Op De Beeck.

 23--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak,-hy-soect-de-byle

 

Dat dit werk moet gezocht worden in de invloedssfeer van Jheronimus Bosch, behoeft geen betoog, aldus Op De Beeck. Zowel de vormgeving als de thematiek komen zo uit de beeldentaal die we van Bosch gewend zijn. In hoeverre deze compositie stoelt op een bestaande inventie van Bosch valt niet uit te maken. Op De Beeck besluit: aangezien een datering in het 1ste kwart van de 16de eeuw aanvaardbaar is, mogen we geenszins de mogelijkheid uitsluiten dat dit werk een product is van het atelier waar Bosch werkzaam was.

 Ook Eric de Bruyn bespreekt dit paneeltje. Onze doedelzakspeler is op twee manieren door de mand gevallen: hij heeft zich bezondigd aan dronkenschap en aan seksuele losbandigheid, en daarom wordt hij nu door een (zijn?) vrouw van de herberg weggedragen. In de deur van de herberg staat de herbergier die zijn zwaard trekt en de doedelzakspeler te lijf wil gaan. Hij wordt tegengehouden door twee mensen van wie één een trechter op haar hoofd heeft. De omgekeerde trechter is een allegorische verwijzing naar dwaasheid en bedrog.

 

> De lege zak

Ook Bosch schilderde een doedelzakspeler die klaar was met spelen. Onderstaande is een fragment van het middenpaneel van Het laatste oordeel, een triptiek uit de Gemäldegalerie der Akademie der bildenen Künste te Wenen. Het is gedateerd rond 1482 of later. De doedelzakspeler heeft zojuist een bezoek gebracht aan een bordeel, de meretrix (prostituée) laat hem uit. De muzikant is moe, te zien aan zijn houding, hij leunt heel lui op een ton. Hij heeft zijn werk gedaan, zijn zak is leeg.

 

24--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-voor-bordeel

 

Als we verder naar rechts kijken zien we  hoe zondaars, daarbij horen ook bordeelbezoekers, gestraft worden.

 24a--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-voor-bordeel-3

  

Een schilderij van Pieter Huys (circa 1519-1586), een Zuid-Nederlandse schilder en tekenaar, past in dezelfde sfeer. Onderstaand schilderij is uit 1517 en bevindt zich in de Gemäldegalerie in Berlijn.

 

 25---Ben-Hartman-Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-Pieter-Huys

 

De tekst bovenaan luidt:

 Ay laet staen ‘tis verloren
Mijn borse ghegrepen
Ghij hebtse gheleecht
En mijn pijp al vuyt ghepepe.

De volgende afbeelding, ook van Pieter Huys, past hier perfect bij; eveneens een zingende man en naast hem een vrouw met een drinkkan én een lege zak.

 

 26--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-Pieter-Huys

 

Tot slot nog een afbeelding van een doedelzak met een kan aan een bourdonpijp, zoals bij de tandentrekker. De dans van nonnen en paters, door een anonieme Vlaamse schilder, circa 1580-1630, particuliere verzameling, Brussel).

Eric de Bruyn bespreekt dit paneeltje in De zotte schilders.

 27--Ben-Hartman-Jheronimus-Bosch-Doedelzak-dans-van-nonnen-en-paters

 

We zien enkel een doedelzak spelende monnik. De witte pij, scapulier (hier wordt een schouderkleed bedoelt, Ben H.) en kap suggereren dat het om een Karthuizer monnik gaat, die drie dansende nonnen en/of begijnen en een Predikheer of Dominicaan (zie de witte pij, de zwarte mantel en de zwarte maar inwendig witte kap) begeleidt. Ook aan deze bourdonpijp van de doedelzak hangt een kan, net als bij het tafereel met de tandentrekker van Bosch, alleen deze is leeg. De kan zou kunnen wijzen naar drankgebruik. Het zou zo maar eens kunnen zijn dat er een getrokken kies aan het kannetje hangt, de anatomie van het voorwerp wijst in die richting. Wat verder opvalt aan dit paneeltje is de speelhouding van de doedelzakspeler. Ook hier weer in spiegelbeeld afgebeeld; rechterhand is bovenaan de linkerhand op de schalmei gesitueerd, dit moet andersom. Ik kom later nog terug op de gespiegelde afbeeldingen van vooral doedelzakspelers.

 

 De voor deze bijdrage geraadpleegde literatuur

 

  1. Bosch was hier, Gerrit van den Hoven. Een uitgave van Stichting Jheronimus Bosch 500 en stichting ABC, oktober 2013.
  2. David Teniers de Jonge, schilderijen-tekeningen, Margret Klinge. Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, 1991.
  3. Jheronimus Bosch, alle schilderijen en tekeningen, Jos Koldeweij, Paul Vandenbroeck, Bernard Vermet. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, 2001.
  4. De doedelzak, Hubert Boone. Uitgeverij La Renaissance du livre, Brussel, 1983.
  5. Op harpen en snaren, volksmuziek, volksdansen, volksinstrumenten in Vlaanderen, uitgeverij De Nederlanden, Antwerpen,1983.
  6. Jacob Jordaens, Hans Devisscher en Nora De Poorter, Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, 1993.
  7. Jan Steen, schilder en verteller, A. Wheelock, W. Kloek en H. Perry Chapman, tentoonstelling Rijksmuseum te Amsterdam, 1996-1997.
  8. Spiegel van alledag, Nederlandse genreprenten 1550-1700, Eddy de Jongh en Ger Luijten, Rijksmuseum Amsterdam, 1997.
  9. Jheronimus Bosch, visioenen van een genie, Matthijs Ilsink en Jos Koldeweij, Noordbrabants Museum, ’s-Hertogenbosch, 2016.
  10. Vijf eeuwen tandheelkunde in de Nederlandse en Vlaamse kunst, Dr. F.E.R. de Maar, Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde, 1993.
  11. Tandheelkunde in de prentkunst, 275 prenten in 100 taferelen, Dr. G.J. Schade, Stichting Vrienden Tandheelkundig Erfgoed, 2014.
  12. De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch, Dr. Eric de Bruyn, uitgave Stichting ABC, ’s-Hertogenbosch in samenwerking met Adr. Heinen Uitgevers, ’s-Hertogenbosch,2001.
  13. Ontcijfering van Jeroen Bosch, Dr. D. Bax, ’s-Gravenhage, Staatsdrukkerij/ Martinus Nijhoff, 1949.
  14. De Zotte Schilders, moraalridders van het penseel rond Bosch, Bruegel en Brouwer, Eric de Bruyn- Jan Op De Beeck, Mechelen 2003.

 

 


Click here for what's new at JBP