Voorwoord

2015 © Edmond Logger

 

Bij mijn eerste kennismaking met Jeroen Bosch was ik negen jaar. Ik verhuisde met mijn ouders naar een nieuwe woning en op het straatnaambordje stond te lezen ‘Jeroen Boschstraat’ met als toevoeging ‘schilder’. Op de middelbare school volgde meer informatie, voornamelijk door de Jeroen Bosch tentoonstelling in het Noordbrabants Museum in ‘s‑Hertogenbosch. Ik verzuimde om in de rij te staan bij de, door de overmoed en daadkracht van Ton Frenken, legendarisch geworden tentoonstelling in 1967.

De schilderijen van Jeroen Bosch hebben mij altijd gefascineerd en heel lang heb ik zijn naam geassocieerd met duivels en monstertjes. Met een typering als ‘den duvelmakere’ wordt hij echter tekort gedaan. Het werk van Jeroen Bosch heeft veel meer dimensies, maar het interpreteren van zijn werken is een hachelijk karwei. De uitspraak van Roger-Henri Marijnissen ‘wie stellig meent te weten wat Bosch met al zijn taferelen bedoeld heeft, is roekeloos of verwaand’ heeft waarschijnlijk nog niets aan kracht ingeboet.

Mijn interesse in Bosch komt misschien wel voort uit de vele interpretaties, waardoor ik steeds meer wilde weten van zijn achtergronden. Ik probeerde zijn schilderingen in een tijdvolgorde te plaatsen, maar werd hierin niet geholpen door de deskundigen. Hun schattingen liepen vaak ver uiteen. Een vroeg werk kon net zo goed uit een latere periode komen.

Door mijn zoektocht naar achtergronden verschoof mijn interesse van de schilderingen naar de tijdsperiode waarin Bosch leefde. Welke gebeurtenissen hebben raakvlakken met zijn werken? Ik heb alles uit de periode 1400-1550 verzameld, wat relevant kon zijn. Dat waren talrijke artikelen en boeken. Door de vele puzzelstukken chronologisch te ordenen ontstond een verhaal. Een verhaal dat ik wilde uitwerken. Niet als een biografie, niet als een roman, maar als iets daartussen.

Ruim twee jaar geleden begon ik met het uitwerken van de verzamelde informatie. Het verhaal begint bij de grote stadsbrand in 1463 en het eindigt bij het overlijden in 1516. Het ontstaan van zijn schilderingen loopt als een rode draad door het verhaal. Voor de herkenbaarheid zijn de schilderingen, die vijf eeuwen overleefd hebben, achter in het boek opgenomen met hun huidige namen en de locatie waar ze nu te vinden zijn.

Na het lezen van het standaardwerk ‘Op zoek naar Jheronimus van Aken’ van Dr. Lucas van Dijck kon Jeroen geen Jeroen meer heten. In oude documenten wordt hij nooit Jeroen genoemd, zijn naam was Joen.

In iedere periode van zijn leven probeerde ik in de huid van Joen te kruipen. Maar mijn schrijven werd vaak gehinderd door mijn nieuwsgierigheid. Als ik me voornam om enkele uren aan het verhaal te schrijven, was ik achteraf de meeste tijd kwijt aan zoekwerk en het lezen van nieuw materiaal.

Het leven van Joen was voor mij een intense reis in een zeer interessante periode van de geschiedenis: van middeleeuwen naar renaissance. Alle feiten heb ik zo goed mogelijk in het verhaal verwoord. De fictieve gedeelten heb ik geschreven met als uitgangspunt dat het mogelijk kan zijn. Door feiten en fictie te verbinden, ben ik het leven van Joen zo dicht mogelijk genaderd. Maar tegelijkertijd herinner ik me wat Prof. Jos Koldeweij schreef in de bundel van de tweede internationale Jheronimus Bosch conferentie in 2007: “Hoe het werk van Bosch wordt geïnterpreteerd zegt meestal meer over de persoon die het zegt dan over Bosch”. Vermoedelijk geldt dat ook voor de interpretatie van het leven van Joen van Aken.

 

Rosmalen, november 2015

Edmond Logger

Jeroen Bosch Plaza whats newNieuw bij JBP

Het oordeel van Joen cover

 

Bekijk op bol.com