Tijdlijn Leven Joen van Aken/ Jheronimus Bosch

2015 © Edmond Logger

1

De onderstaande fragmenten komen uit het boek “Het oordeel van Joen” van Edmond Logger. Klik hier voor gehele tijdlijn.

1462

Na het overlijden van zijn grootvader hadden zijn vader en ooms de schilderwerkzaamheden voortgezet. Thonis, zijn vader, had enkele jaren geleden het ruime huis aan de Markt gekocht en dat was ook zijn nieuwe werkplaats geworden. Voor de herkenbaarheid had zijn vader het huis een naam gegeven. Alle huizen in de stad hadden een naam. Thonis wilde het huis naar zijn naamheilige Sint Anthonius noemen. Voor een goede herkenbaarheid vond hij het beter om die naam af te korten tot ‘Sint Thoenis’.

Ook Joens ooms Jan en Goessen, die hun werkplaats nog in het ouderlijke huis in de Vughterstraat hadden, kwamen regelmatig in de werkplaats van zijn vader werken. Het was een betere locatie dan de werkplaats in de Vughterstraat. Op de Markt waren regelmatig belangrijke mensen van het Geefhuis, de Broederschap en de Sint Jan te vinden, waardoor ze eerder deze werkplaats binnenliepen om met zijn vader of een van zijn ooms een praatje te maken.

Tot aan de koop van het huis aan de Markt had Thonis met zijn vrouw, Aleid van der Mynnen, ingewoond bij zijn vader in de Vughterstraat. Het gezin van Thonis bestond uit vijf kinderen: Katharina, Goessen, Jan, Joen en Herbertke, die meestal Metken werd genoemd. Het huis in de Vughterstraat was niet al te klein, maar begon met zoveel mensen toch erg krap te worden. Joen deelde daar zijn kamer met zijn beide broers, terwijl hij nu samen met zijn broer Jan een kamer had.

Nee, in Sint Thoenis was, naast de werkplaats, genoeg ruimte voor het hele gezin. Zijn vader Thonis en zijn moeder Aleid hadden natuurlijk de grootste kamer. Zijn zussen Katharina en Metken deelden samen een kamer en zijn broer Goessen had zelfs een kamertje alleen. 

 


 

Vanuit de kamer aan de achterkant van het huis keek Joen uit op het huis van de weduwe van Teeffelman en op de muren van de Gevangenpoort. De muren ervan waren weliswaar dik, maar niet dik genoeg om de uitroepen van de gevangenen tegen te houden. De Gevangenpoort had op iedere verdieping vier hokken met zware tralies in de buitenmuren, waarin vermeende misdadigers werden verhoord. Alleen de zware gevallen zaten hier, omdat er onvoldoende plaats was voor alle vergrijpers. De misdadigers verbleven er nooit lang. Ze werden direct voorgeleid aan een of meer schepenen voor verhoor. Als de gevangene het misdrijf bleef ontkennen dan werden krachtige hulpmiddelen ingezet om een bekentenis af te dwingen. Als Joen het raam open had staan kon hij de reacties van de misdadigers horen door het gebruik van de martelwerktuigen. Maar het was ook mogelijk dat hij kon luisteren naar een luid uitgesproken gebed voor de veroordeelde of naar een samenzang, dat afkomstig was uit het kapelletje op de eerste verdieping.

 


 

Joen was klaar met het aanmaken van de nieuwe verf. Zijn karwei zat er op en hij was onbewust met houtskool aan de gang gegaan. Dat deed hij wel vaker en dan tekende hij wat in hem opkwam. Vaak waren dat mensen die hij voorbij zag lopen.

Hij tekende er altijd wel iets bij dat hij kenmerkend vond voor de persoon. De ene keer waren dat grote oren of kromme benen en een andere keer was dat kledij, lichaamshouding of iets wat op het eerste oog niet zichtbaar was.

Hij liet de tekeningen aan Goessen zien en keek of hij het begreep. Joen wilde zijn oudere broer graag in het ootje nemen. Goessen kon dat wel waarderen en deed zijn uiterste best om zo snel mogelijk door te hebben wat zijn jongere broer bedoelde. Hij gaf dan plagend aan dat zijn broer het de volgende keer wat moeilijker moest maken.

 


 

 

“Wat mag dat nou weer betekenen?” klonk het plots luid. Joen schrok op, want hij had niet gezien dat Goessen de kamer binnen liep. Hij was intensief met zijn tekening bezig. Het was een vrij donkere tekening, waarbij een jongen iets in zijn handen had. Hij vond de tekening zelf best aardig geworden, maar was niet helemaal tevreden over het verschil tussen het lichte en het donkere gedeelte.

Goessen was direct geïnteresseerd in wat hij voor zich zag en pijnigde zijn hersens wat Joen ermee bedoelde. “Het lijkt me duidelijk dat hij een lantaarn met een flink vuur in zijn handen heeft,” was zijn eerste constatering. En zonder op het antwoord van Joen te wachten, “Deze keer is het wel een makkelijke. Hij laat zijn licht ergens op schijnen, hij probeert iets duidelijk te maken.”

Nu was het Joen zijn beurt. “Zie jij dan veel licht schijnen?” Goessen moest toegeven dat, als er ergens al een schijnsel te zien zou zijn, het niet veel was. Hij moest het blijkbaar in een andere richting zoeken. Nadat Goessen nog wat andere suggesties had geuit, die allen werden afgekeurd, gaf Joen aan dat hij wel een grote lantaarn had afgebeeld maar dat deze niet veel licht gaf. Opeens werd het Goessen duidelijk. “Oh, nou zie ik het. Een grote lantaarn en een klein licht ofwel iemand die veel praat en weinig verstand heeft!” Joen glimlachte. Ja, dat was precies wat hij wilde overbrengen.

 

 

 

Jeroen Bosch Plaza whats newNieuw bij JBP

Het oordeel van Joen cover

 

Bekijk op bol.com