Tijdlijn Leven Joen van Aken/ Jheronimus Bosch

2015 © Edmond Logger

De onderstaande fragmenten komen uit het boek “Het oordeel van Joen” van Edmond Logger. Klik hier voor gehele tijdlijn.

1463-1474

 

De lessen van de fraters stonden hem nog goed voor de geest. Een van die lessen zou hij nooit meer vergeten. Dat was toen meester Appels voor had gelezen uit het aloude ‘Disciplina Scholarium’, het traktaat van Boëthius over de opvoeding van scholieren. Daarin had gestaan ‘Miserrimi quippe est ingenii semper uti inventis et numquam inveniendis’.

Joen vond dat deze tekst niet voor tweeërlei uitleg vatbaar was. ‘Het is eigen aan een miserabele geest om altijd uit te gaan van wat al bedacht is en nooit van wat nog bedacht moet worden’. Meester Appels hield daarbij een vurig pleidooi om anderen niet gedachteloos te volgen, maar zelf te blijven nadenken en er iets aan toe te voegen. Joen had die dag nergens anders meer aan kunnen denken en was vastbesloten om nooit tot de groep van miserabele geesten te gaan behoren. Vanaf die dag beschouwde hij de uitspraak van Boëthius als een van zijn belangrijkste, misschien wel allerbelangrijkste levensmotto.

 


 

Joen had de lessen op de Latijnse school goed in zich opgenomen. Hij had de geschriften gelezen en alle teksten in gedachten voorzien van levendige beelden, personen en figuren. Op een keer hadden ze les gehad van een broeder uit een klooster in de buurt van Zwolle. Frater Rombold had deze broeder warm en met heel veel ontzag onthaald.

Het was een oude broeder, Joen schatte hem minstens tachtig jaar, maar zijn gedrevenheid was er niet minder om. Frater Rombold had tevoren gezegd dat deze broeder een vaardig kopiist was, grote Bijbelkennis had en zelf veel in het Latijn had geschreven over de levens van heiligen en belangrijke broeders zoals Geert Groote. Over hoe je behoorde te leven had hij veel werken van zichzelf en zijn medebroeders samengebracht en gebundeld in het bekende werk ‘De Navolging van Christus’.

Uit alles begreep Joen dat deze broeder een bijzonder grote stempel had gedrukt op de levens- en zienswijze van de Broeders van het Gemene Leven.

Edmon Logger Thomas van KempenIn die les legde Thomas van Kempen, want zo heette hij, de nadruk op de verbinding tussen de zonde en de straf. Hij gaf aan dat ‘telkens als de mens iets begeert, zijn inwendige rust drastisch wordt verstoord’. Hij had het boeiend geïllustreerd. ‘De vrek en degenen die eer nastreven of op lichamelijk genot uit zijn zullen nooit rust hebben. Maar mensen, die sober en nederig leven, zullen in opperste vrede leven’.

Wat Joen het meest was bijgebleven was dat de straf die je krijgt te maken heeft met de zonde die je pleegt. Zoals Van Kempen had gezegd ‘Waar de mens het meest in gezondigd heeft, daarin zal hij ook zwaarder gepijnigd worden’. Hij had gezegd dat ’de luiaards door gloeiende prikkels worden voortgestuwd, de gulzigaards met geweldige honger en dorst gepijnigd worden en onkuis gedrag met ziedend pek wordt afgestraft’. Het was duidelijk. Iedere zonde zal haar eigen pijn hebben en Joen kon zich daar heel veel bij voorstellen.

 


 

Op een avond legde Thonis zijn hand op Joens schouder, keek hem aan en zei: “Joen, ik heb de laatste tijd veel nagedacht over je toekomst. Je bent nu twintig jaar en je bent niet echt gelukkig met de opdrachten die we de laatste tijd uitvoeren. Je wilt veel liever, net als de fraters, aan de verluchtiging van boeken werken.” Gekscherend voegde hij er aan toe “Maar ja, om daar eerst broeder voor te moeten worden, is ook niet alles.” Joen glimlachte en was benieuwd naar het vervolg. “Ik heb vorige week gesproken met Jan van Gheervliet, je weet wel, de beeldsnijder uit de Zwaan in de Kerkstraat. Jan is de beste beeldsnijder van de stad, hij maakt ook beelden voor het klooster in Coudewater.” Joen knikte, hij kende Jan wel, en wachtte in spanning af wat zijn vader zou aangeven.

Thonis ging verder. “In dat klooster is een scriptorium en ze maken daar erg mooie initialen en verluchtigingen voor hun handschriften. Jan heeft opgevangen dat op dit moment de meest gerenommeerde illuminatoren in Utrecht werkzaam zijn. Daarbij is de naam van Hillebrant van Rewijk meerdere malen voorbij gekomen. Hillebrant was betrokken bij het vervaardigen van getijdenboeken voor vooraanstaande en welgestelde personen.”

 

Joen had het allemaal geduldig aangehoord en begon benieuwd te worden naar het slot van het betoog van zijn vader. Thonis gaf aan dat de naam Hillebrant van Rewijk hem niet helemaal onbekend was. “Het zal meer dan twintig jaar geleden zijn, maar ik herinner me dat er iemand in de werkplaats is geweest, die schetsen had gemaakt van de door je grootvader aangebrachte muurschildering in de Sint Janskerk. Hij kwam uit Utrecht, was op doortocht en had de kerk bezocht. Blijkbaar had de schildering om een of andere reden zijn interesse. Hij heeft urenlang met grootvader Jan gesproken en bij het afscheid hebben ze langdurig handen staan schudden. Van het gesprek weet ik niets, maar de naam Hillebrant vond ik apart, waardoor ik die naam altijd heb onthouden.”

 

Thonis leek aan de essentie van zijn uitleg toe te zijn gekomen. “Ik heb een briefwisseling met Hillebrant gehad.” Hij wachtte even. “Hoe zou je het vinden om de komende tijd bij Hillebrant in de leer te gaan?” Joen schrok op. Hij had sterk gehoopt dat het betoog van zijn vader hier op uit zou komen, maar had de kans niet groot geacht. Hij wist dat hij dan niet in de werkplaats mee kon werken. “We zullen wel een klein veertje moeten laten,” vervolgde Thonis. “Je zult bij Hillebrant wel wat verdienen, maar als leerling zal het niet veel zijn. In verband met de reis en andere kosten moet je geld lenen. Jan Nooijen is bereid om vijfentwintig gouden Rijnsgulden te lenen, maar dat moet uiterlijk volgend jaar worden terugbetaald.” Joen vond het veel geld, maar dat was het natuurlijk dubbel en dwars waard. Het was heel geschikt van Jan.

Jeroen Bosch Plaza whats newNieuw bij JBP

Het oordeel van Joen cover

 

Bekijk op bol.com