Tijdlijn Leven Joen van Aken/ Jheronimus Bosch

2015 © Edmond Logger

1

De onderstaande fragmenten komen uit het boek “Het oordeel van Joen” van Edmond Logger. Klik hier voor gehele tijdlijn.

1463

Enorme vlammen en dichte rook vulden de hemel boven de Verwerstraat. Hoewel het midden op de dag was kleurde de lucht van zwart tot geel en van donkerrood tot fel oranje. In de donkere gedeelten van de vlammen leken menselijke gedrochten zich langzaam een weg te banen, zielloos op zoek naar zaken die ze lang geleden verloren hadden en waarvan ze wisten dat ze die niet meer konden terugvinden. De hel was neergedaald in ’s-Hertogenbosch.

In het schijnsel van de vlammen stond een negenjarige schooljongen op de hoek van de Verwerstraat en de Gorterstraat. Hij stond tegenover het huis dat De Groote Ketel heette en waar de brand was ontstaan. Te midden van allerlei rennende en schreeuwende mensen stond de jongen stil en sprakeloos te kijken naar de hevig uitslaande brand.

Joen van Aken had zojuist zijn school in de Kerkstraat verlaten en merkte direct dat er iets onheilspellends gaande was. De hoge toren van de Sint Janskerk rechts van hem was gehuld in een rode gloed. Mensen om hem heen renden, soms op blote voeten en schamel gekleed, in de richting van de Markt, het centrum van ’s‑Hertogenbosch. Joen had weliswaar geen volgzaam karakter, maar hij voelde dat hij ook die kant op moest. Niet alleen omdat hij aan de Markt woonde, maar er was daar blijkbaar iets gaande.

Joen liep met de menigte mee en zag dat iedereen in plaats van naar de Markt de Korte Putstraat in rende. In dit enge straatje was duidelijk sprake van tweerichtingsverkeer. De mensen liepen in de richting van de angstkreten en het geknetter van vuur, de honden en varkens renden juist de andere kant op. Aan het eind van de straat kwam de hitte hem al tegemoet. Hij rende rechts de hoek om en bleef direct stilstaan. Recht voor hem uit zag hij een enorme vlammenzee.

 


 

Joen liep de dichtstbijzijnde trap af achter de huizen van de Verwerstraat naar de stadsrivier de Diest. Het was aan de blokmeesters om de trappen altijd vrij en toegankelijk te houden. Nu waren alle trappen bezet met druk in de weer zijnde stadgenoten, maar Joen slaagde er in om beneden te komen. Hij zag dat er, ondanks de hete zomer, voldoende water voorradig was.

De Diest stroomde niet alleen achter de Verwerstraat, maar door de hele stad en werd gevoed door het water van de rivieren de Aa en de Dommel van buiten de stad. De Diest was van groot belang voor de stad. Het water zorgde niet alleen voor de aanvoer van goederen, maar diende ook als wasgelegenheid en open riool van de stad. Vandaag was de Diest van levensbelang om de grote brand te blussen en de stad te redden.

 


 

Joen zag dat een lang lint van mannen, vrouwen en kinderen was gevormd. Ze gaven elkaar emmers met water door, waarbij de laatsten probeerden het vuur te doven. Het water droop door het leer van de emmers en voordat het water de vuurhaard bereikte was de emmer half leeg. Veel nut had het water niet meer, het vuur had al enkele daken bereikt.

“Breng het water hier,” werd er geschreeuwd vanuit huizen die even verderop stonden en nog niet waren aangetast. “Die huizen daar zijn toch niet meer te redden, hier moet je zijn.” Het klonk wanhopig, maar de wanhoop werd nog groter toen ontdekt werd dat er nog mensen in brandende panden aanwezig waren. Houten ladders werden aangevoerd om bij de verdieping te komen, waar de hulpkreten hadden geklonken. De eerste mannen klommen al naar boven.

“Joen, wat sta je daar te mijmeren? Kom mee joh, de brand gaat onze kant op.” Joen begreep snel wie dat zei en wat hij daar mee bedoelde. Zijn buurjongen Jan Heeren was hem voorbij gestoven en rende in de richting van de Markt. Joen woonde nu een jaar naast Jan en zijn familie sinds zijn verhuizing naar de Markt. Jan was duidelijk in paniek en besefte meer dan Joen dat hun huizen ook gevaar liepen. De harde oostenwind had er al voor gezorgd dat de huizen westwaarts van de Verwerstraat, in de richting van de Markt, ook vlam hadden gevat.

Samen renden ze door de Verwerstraat en namen het Colverstraatje dat naar de Markt leidde. Tot hun opluchting zagen ze dat de brand de tweede helft van het nauwe straatje nog niet bereikt had en dat ook de huizen aan de oostkant van de straat nog niet aangetast waren. De hevigheid van de brand stelde hen echter niet gerust. Hun huizen zouden nog best een prooi van de vlammen kunnen worden.

 


 

Op de Markt zag Joen dat ook daar een paniek was ontstaan. Bij de drinkwaterput in het midden van de Markt waren mensen driftig in de weer om water naar boven te halen in de emmer die aan een ketting hing. Een volle emmer werd direct weggehaald door gehaaste inwoners om hun huizen nat te maken, waarbij ze opbotsten tegen anderen die met lege emmers in de richting van de put renden.

Op de Markt stonden de gebruikelijke marktkramen met veel volgepakte karren met marktwaren. Vandaag stonden er ook andere karren met een minder alledaagse bestemming. Het waren karren vol met blusmaterieel zoals ladders en brandhaken, maar ook veel karren waarop huismateriaal werd gestapeld. De kooplieden wilden zo snel mogelijk het terrein verlaten. Hetzelfde gold ook voor veel bewoners van de Markt, die hun huizen wilden ontruimen om, zo gauw het nodig was, te kunnen vertrekken met hun bezittingen.

 


 

In de vooravond leek het erop dat het vuur niet afweek van de richting die het onder regie van de strakke oostenwind had ingezet. De familie Van Aken aan de oostkant en alle aan de noordkant van de Markt wonende stadgenoten hoefden zich geen zorgen meer te maken dat het vuur hun huizen zou verwoesten. Dit gold echter niet voor de bewoners van de zuidkant van de Markt. Het vuur was over de volle breedte de Zadelstraat overgestoken en had daarbij het klooster van de Minderbroeders in zicht gekregen.

Tegen de ochtend slaagden de inwoners er in het vuur een halt toe te roepen. De aangerichte schade was enorm. Vanuit de ‘Groote Ketel’ was het vuur door de Verwerstraat getrokken tot aan het klooster van de Minderbroeders aan de Markt, dat niet meer te redden was geweest. Het zou geruime tijd duren voordat alle huizen weer opgebouwd konden worden. Houten huizen met stro en riet als dakbedekking zijn een permanent gevaar voor de stad. Het stadsbestuur zou ongetwijfeld maatregelen nemen om herhaling van een brand met deze omvang te voorkomen.

Vanuit zijn kamer overpeinsde Joen de volgende ochtend de gebeurtenissen rond de grote brand. Hij had niet geslapen en de hele nacht het vuur voor zich gezien. Het vuur zou nog dagen smeulen en iedereen bleef alert. Gelukkig had zijn familie niet hoeven te vertrekken, maar deze dag en deze brand zouden hem lang bijblijven. Was de brand een uiting van de hel? Op school kreeg hij altijd te horen dat de hel wijd openstond na de dood. God zou over je lot beslissen en daarom moest het hele leven in het teken staan om de erfzonde weg te werken. Dat was geen gemakkelijke opgave. Vele verleidingen zouden op de loer liggen en voor je er erg in had, is het paradijs uit zicht. Je kunt in de hel belanden, waar je oneindig lang moet branden en pijn lijden.

Hoe de hel er uitzag en hoe het daar aan toeging was met geen pen te beschrijven. Althans dat was wat hij steeds gehoord had. Het was zwart, donker, pijnlijk en voor eeuwig. Het was zo gruwelijk dat je het je niet kon voorstellen. Toch had Joen het gevoel dat hij een glimp van de hel had opgevangen. De uitslaande vlammen, de rondvliegende as, de overspringende zwartheid, de vernietigende hitte, de verstikkende lucht, de bedompte geuren, de verscheurende kreten, de ijzingwekkende pijnen. Ja, zo moest de hel zijn.

 

# # #

 

 

Jeroen Bosch Plaza whats newNieuw bij JBP

Het oordeel van Joen cover

 

Bekijk op bol.com