Tijdlijn Leven Joen van Aken/ Jheronimus Bosch

2015 © Edmond Logger

De onderstaande fragmenten komen uit het boek “Het oordeel van Joen” van Edmond Logger. Klik hier voor gehele tijdlijn.

1474-1475

 

Veel opdrachten van Hillebrant kwamen van kerken, net als de meeste opdrachten voor Joens familieleden in ’s-Hertogenbosch. Hoe kwamen die kerken toch zo rijk? Joen had zich dit nog niet eerder afgevraagd. Hij had het altijd als een feit beschouwd. Het was zo en het hoorde zo ook te zijn.

“Hillebrant, jij bent goed bekend met de bestuurders van de kerk. Hoe komt het dat de kerken zo vermogend zijn, waar komt al dat geld vandaan?” Hillebrant schraapte zijn keel, dit was geen vraag waar hij op zat te wachten. “Tsja, zo precies weet ik dat natuurlijk niet, maar iedereen die priester of kloosterlinge wordt, neemt een deel van het familievermogen mee. Daarnaast weet ik dat veel mensen, en echt niet alleen de vermogende mensen, geld aan de kerk geven. Veel erfenissen, of in ieder geval grote delen daarvan, komen in de kas van de kerk. Mensen nemen in hun testament op hoeveel er aan de kerk ten deel valt.

Je weet dat je aflaten kunt verdienen door een vrome daad,” vervolgde Hillebrant, “maar je kunt ze ook kopen. Vooral als er wordt bijgebouwd, zoals nu bij de Dom, of als er wordt verfraaid, zoals bij de Buurkerk, worden er aflaten gekocht. Dat levert de kerk veel geld op.”

Joen moest het even op zich in laten werken. “Zoals je het nu zegt lijkt het alsof de kerk gebruik maakt van de angst voor het leven hierna.” Hij probeerde nu op zijn eigen woorden te letten, maar sprak zijn gedachten toch uit. “Dus hoe groter de angst, hoe meer geld er gegeven wordt. Je zou kunnen zeggen dat het alsmaar preken over zonden en hel uiteindelijk de kerk veel oplevert.”

Joen werd stil en Hillebrant wendde zich af. “Ik denk dat je nu wat doorschiet Joen. Je jeugdige overmoed trekt wat misplaatste conclusies.” Hij beschouwde het als het einde van hun gesprek.

Joen zag nu ook in dat het mogelijk een overhaaste gedachte was. Hij zou er nog eens over nadenken. Misschien zou dat tot een hele andere conclusie leiden.

 


 

Jacob wilde zelf de uitbeelding van de genezing als ondertekening op het paneel aanbrengen. Joen mocht de kleinere voorstellingen en het gesprek van Jezus met de rijke man tekenen. Jacob tekende eerst zijn gedeelten en vervolgens nam Joen het paneel over en tekende zijn bijdrage.

Nadat de ondertekening geheel compleet was, werd duidelijk dat Jacob en Joen over een zeer verschillende tekenstijl beschikten. Jacob tekende met dik aangezette lijnen en erg gedetailleerd. Joen tekende echter dunne lijnen zonder al te veel detailleringen. Hij vond dat dat tijdens het schilderen moest gebeuren.

Jacob schilderde de uitbeelding en Joen vulde enkele kleine details aan. Jacob was zeer tevreden met het eindresultaat. Door een suggestie van Joen kwamen de kleuren iets gedempter over dan zijn vorige schilderingen. Joen had, om een lichtinval te suggereren, witte hoogsels, lichte witte accenten aangebracht.

Ook had hij tijdens het schilderen geopperd om de beide torenspitsen van de Sint Salvatorkerk op de achtergrond in Jericho te tekenen. De opdrachtgever was er zeer door verguld.

 


 

Joen herinnerde zich dat hij vorig jaar een werk van Thomas van Kempen had gezien, dat door Gerard van der Leempt was gedrukt. “Ja, dat was een goed afgenomen boekwerk,” herinnerde Gerard zich. “We hebben nog een paar van dergelijke boeken gehad. Succes hadden we ook met de Latijnse uitgave van Vanden Vos Reynaerde.” Toen werd het even stil. Gerard dronk wat en staarde naar het raam. “We hebben de afgelopen twee jaar zo’n dertig uitgaven verzorgd. Het laatste half jaar gaat het duidelijk minder. We hebben, denk ik, minder gelukkige keuzes gemaakt met de werken die we wilden uitgeven. Het komt er nu op aan geen verkeerde keuzes meer te maken”.

Gerard stond op en liep naar het raam. “Eerlijk gezegd denk ik er over om weer richting Keulen te vertrekken.” Hij keek bezorgd. “Ondanks het kapitaal en het zakelijk inzicht van Nicolaas loopt het nog niet helemaal zoals we gedacht hadden. Ik denk dat het misschien nog te vroeg is om dit soort boekwerken te maken.”

Vermoedelijk had Gerard gelijk. Willem de Heze had gezegd dat de terugloop niet aan de typologische vaardigheden van Gerard lag. De afname door kloosters en scholen was nog niet waarop ze gedrieën gehoopt hadden. Mogelijk waren degenen die boeken wilden en konden kopen, nog te zeer gehecht aan de werkzaamheden van de kopiisten en beschouwden ze de gedrukte exemplaren nog niet als volwaardige boeken. In Keulen en Mainz waren grotere centra van boekdrukkers, daar was voor hem vast meer werk voorhanden.

 

 

 

Jeroen Bosch Plaza whats newNieuw bij JBP

Het oordeel van Joen cover

 

Bekijk op bol.com