
Der Byen Boeck ed. 1990
DER BYEN BOECK
(Thomas van Cantimpré) XVB
[Teksteditie: Christina Maria Stutvoet-Joanknecht (ed.), Der Byen Boeck – De Middelnederlandse vertalingen van Bonum universale de apibus van Thomas van Cantimpré en hun achtergrond. VU Uitgeverij, Amsterdam, 1990, 193 + 382 blz.]
Genre
Een stichtelijk-allegorisch traktaat, geschreven in Middelnederlands proza. Het is een vertaling van het Latijnse prozatraktaat Bonum universale de apibus (Het algemeen welzijn volgens / naar het voorbeeld van de bijen).
Auteur
De auteur van de Latijnse tekst is de Brabantse dominicaan Thomas van Cantimpré (geboren in Bellingen circa 1200, overleden circa 1272). De Middelnederlandse vertaler van het hier gepubliceerde handschrift bleef anoniem. Thomas schreef ook de natuurencyclopedie De natura rerum (Over de aard van de dingen), wat de belangrijkste brontekst was voor Jacob van Maerlants Der naturen bloeme, en waaraan hij naar eigen zeggen 14 jaren lang gewerkt heeft [zie editie-1990: 5 (Proloog, regels 11-13)]. Verder vijf hagiografieën: over Joannes van Cantimpré (+ca. 1216), Maria van Oignies (+1210), Christina van Brustem (+ca. 1224), Margareta van Ieper (+ca. 1238) en Lutgard van Tongeren (+1246). Al deze teksten werden geschreven in het Latijn. Voor een beknopte maar degelijke biografie van Thomas, zie editie-1990: 7*-35* (de inleiding van de tekstbezorgster gebruikt paginanummers met een asterisk, de teksteditie zelf vangt aan met een nieuwe, gewone nummering).
Situering / datering
Thomas van Cantimpré schreef het Bonum universale tussen 1257 en 1263. Ongeveer honderd handschriften bleven ervan bewaard, voornamelijk uit de vijftiende eeuw. De Latijnse tekst verscheen ook meermaals in druk: circa 1473, circa 1478-80, circa 1516, in 1597, 1605 en 1627. Twee tekstfamilies kunnen onderscheiden worden: één met de volledige tekst, en één met een aantal weglatingen. In 1372 werd het Bonum universale in het Frans vertaald. Een vijftiende-eeuws handschrift bevat een volledige Duitse vertaling. Thomas gebruikte als bronnen onder meer Seneca, Aristoteles, Plinius, Basilius de Grote, Ambrosius, Augustinus en Humbert van Romans (ordemeester van de dominicanen).
Der Byen Boeck (de titel kent een aantal varianten) werd overgeleverd in 14 handschriften (één ervan ging verloren tijdens de Tweede Wereldoorlog, het Leuvense) en twee drukken (1488 en 1515). Het oudste handschrift dateert van 1458, het jongste van 1639. Twee redacties kunnen onderscheiden worden in deze Middelnederlandse vertalingen: een eerste die volledig is, en een tweede (bewaard in slechts vier handschriften) waarin de exempelen hoofdzaak zijn geworden en het traktaatgedeelte drastisch is gereduceerd (en in twee handschriften zelfs vrijwel verdwenen). Uiteraard concentreerde de tekstbezorgster zich op de eerste redactie en zij bezorgde dan ook een handschrift uit de tweede helft van de vijftiende eeuw dat de eerste redactie weergeeft: handschrift F (Straatsburg, Bibliothèque Nationale et Universitaire, 2100), afkomstig uit Sint-Mariënwold, een regulierenklooster te Frenswegen (bij Nordhorn). Deze in Oost-Middelnederlands gestelde vertaling gaat terug op een redactie die in 1451 voltooid werd en is er de meest volledige en meest betrouwbare representant van.
Inhoud
Der Byen Boeck bestaat uit twee grote delen, waarbij het eerste 25 en het tweede 56 hoofdstukken omvat. Elk hoofdstuk begint met een korte ‘wetenschappelijke’ mededeling omtrent de bijen, voornamelijk ontleend aan Thomas’ eigen De natura rerum, waarna een sermoenachtige commentaar volgt met veel allegorische beeldspraak, telkens geïllustreerd aan de hand van (een groot aantal) exempelen. De wereld van de bijen wordt daarbij opgevat als een ideaal voorbeeld voor, in de eerste plaats, het kloosterleven en, in de tweede plaats, de christelijke samenleving als dusdanig. Het eerste deel is gericht op prelaten en andere leiders, het tweede op de ondergeschikte kloosterlingen en de christelijke mens in het algemeen. In zijn recensie van de editie-1990 vatte De Bree de inhoud als volgt samen:
Het Bonum Universale is een stapsgewijze beschrijving van het bijenleven (ontleend aan Liber de natura rerum), waarvan elk onderdeel telkens allegorisch wordt geduid. Binnen deze allegorese fungeert het bijenleven als een door de Schepper ontworpen metafoor voor de ideale christelijke levenswijze, meer in het bijzonder: het kloosterleven. De verhandeling is bovendien zo rijk gestoffeerd met argumentatie- en illustratiemateriaal in de vorm van exempla, dat het boek zelf een soort bijenkorf vol geestelijk voedsel is geworden.
Thematiek
Der Byen Boeck is bedoeld als een gids bij de geestelijke opgang van de mens naar God. Zoals de bijen zoveel mogelijk honing produceren om de winter te kunnen overleven, zo dient de mens gestadig toe te nemen in deugden om op die manier tot nieuw leven te kunnen komen na zijn dood. In de proloog schrijft Thomas zelf (ik hertaal):
Ik heb een boek over de aard der dingen bestudeerd dat ik zelf 14 jaren lang met veel inspanning maar niet zonder nut samengesteld heb uit de boeken van talrijke meesters, en in dat boek herlas ik met grote aandacht het hoofdstuk over de bijen (…). Daaruit kan men de algemene staat van de mensen afleiden, meest die van de prelaten en hun onderhorigen, en in het bijzonder hoe men dient te leven in het klooster. [editie-1990: 5 (Proloog, regels 11-19)]
Voor wie wil te weten komen wat de middeleeuwers wisten of dachten te weten over bijen, zijn het Bonum Universale en de vertalingen ervan natuurlijk de ideale tekstbronnen bij uitstek. Een handig, beknopt overzicht van die kennis is te vinden in editie-1990: 38*-39*. Het meest opvallend daarbij is dat men niet wist dat de leider van een bijenkorf vrouwelijk is (pas in 1850 zou men ontdekken dat het ging om een koningin en niet om een koning) en dat men dacht dat bijen zich voortplanten zonder seksuele gemeenschap. Deze laatste idee leidt in Der Byen Boeck tot een lang maar niet onlogisch hoofdstuk (18 bladzijden kleine druk) over de maagdelijke moeder Maria, de patroonheilige en beschermster van de dominicanen [editie-1990: 119-137 (boek II, hoofdstuk 28)]. Even noterenswaard is dat dit 28ste hoofdstuk van boek II gevolgd wordt door een eveneens ongewoon lang hoofdstuk waarin gesteld wordt dat bijen geen onkuisheid kennen en waarin heftig afgegeven wordt op de onnatuurlijke zonden, vooral op homoseksualiteit, maar ook op masturbatie, overspel en het verleiden van maagden [editie-1990: 138-154 (boek II, hoofdstuk 29)]. Te vermelden valt ook hoofdstuk 9 van boek II, dat een uitgebreide verdediging van de dominicanen en franciscanen bevat (editie-1990: 72-75).
Receptie
Kloosterliteratuur. Volgens de proloog had Thomas een dubbel doelpubliek voor ogen. In de eerste plaats Latijnkundige geestelijken, vooral van zijn eigen orde:
Daarom, o Heilige Vader, vraag ik dat mijn werk door U verbeterd wordt en als het verbeterd is, dat het gezonden wordt aan talrijke huizen van Uw kinderen en onze broeders, opdat zij het zouden kopiëren en het heilige zaad vruchten voortbrengt. [editie-1990: 5 (regels 32-35)]
Maar in de tweede plaats eigenlijk iedereen…
Want iedere verstandige mens kan duidelijk merken dat de talrijke lessen en exempelen van dit boek zeer nuttig zijn voor alle standen en soorten van mensen, en ik vermoed dat men in veel andere boeken nauwelijks iets zal vinden dat meer algemeen voordeel oplevert voor alle mensen dan in dit boek. [editie-1990: 5 (regels 40-44)]
Het Bonum Universale was dus bestemd voor ‘algemeen gebruik’, en niet specifiek voor de dominicanenorde. De tekst werd in bredere kring gelezen, zoals blijkt uit het grote aantal afschriften en uit de vertalingen. Wat de Middelnederlandse vertaling(en) betreft, valt het op dat de vroege bezitters van de handschriften (uit de tweede helft van de vijftiende eeuw) kloosters en huizen waren van vrouwen die geïnspireerd werden door de Moderne Devotie, zoals Stutvoet-Joanknecht uitgebreid heeft aangetoond. Zij noteert…
Klassieke exempelbundels als de Dialogus van Gregorius de Grote en Dialogus miraculorum van Caesarius van Heisterbach maakten eveneens opgang en werden evenals het BUA meermalen vertaald, maar deze Middelnederlandse teksten zijn niet in druk verschenen, evenmin als Vert. II [de tweede vertaling]. Drukkers namen evenmin als nu graag risico’s. Er moet dus in 1488 nog bijzondere belangstelling zijn geweest voor Der byen boeck in Vert. I, en niet alleen vanwege de exempels [editie-1990: 129*].
Profaan / religieus?
Manifest stichtelijk-religieus.
Persoonlijke aantekeningen
Eind jaren negentig had ik al grote stukken van Der Byen Boeck gelezen, maar het heeft dus tot 2026 geduurd alvorens ik ook de rest van de tekst verwerkt had. Dit is niet de schuld van de tekstbezorgster, want haar proefschrift is een indrukwekkende prestatie die getuigt van een ijver en inzet waarvoor geen enkele bij zich zou moeten schamen. Wél is het de schuld van handschrift F, dat door haar volledig bezorgd werd. Dat is naar verluidt de beste keuze geweest, maar het handschrift heeft wel als nadeel dat het gesteld is in Duits gekleurd oostelijk Middelnederlands en gebruik maakt van een ongewone spelling en interpunctie. Met als resultaat dat het werkelijk bijzonder lastig leest. ‘Voor de doorzetters’ merkte De Bree in zijn recensie op, en Van Laarhoven vroeg zich af of de mediëvisten en andere belangstellenden niet meer gediend waren geweest met een wel letterlijke, maar gemakkelijker leesbare tekstweergave in plaats van deze diplomatische editie.
De niet vanzelfsprekende bereikbaarheid van Der Byen Boeck (pas in 1990 een volledige editie!) is waarschijnlijk de oorzaak van de ronduit magere appreciatie van de tekst, vooral in onze meest recente literatuurgeschiedenissen. Dat Herman Pleij in 2007, in wat toch bedoeld was als een nieuw standaardwerk, volstaat met een kale titelvermelding en een enkel pover citaatje is eigenlijk een schande. Bij Gerard Knuvelder in 1970 was het al niet veel beter: amper vijf regeltjes en naar verluidt behoort de tekst tot geschriften ‘die over het algemeen niet uitnodigen tot uitvoeriger behandeling’. Dan toonden Jan Te Winkel in 1922 en Jozef Van Mierlo in 1940 toch iets meer respect. Te Winkel geeft het werk bijna twee bladzijden en noemt het ‘onderhoudende lectuur’, vooral omwille van de exempelen. Bij Van Mierlo weliswaar slechts één bladzijde, maar het boek is ‘een verzameling geworden van naïeve, niet zonder talent, enkele malen zelfs vrij levendig en kleurig geschreven verhalen, die er vooral den bijval van hebben verzekerd’.
Van Mierlo merkt wel iets aan, wat wij zelf ook al hadden genoteerd naar aanleiding van onze lectuur van de Dialogi van Gregorius de Grote, waarin exempelen eveneens een belangrijke rol spelen:
Wij kunnen er ons slechts over verbazen, dat een anderszins ernstig, geleerd en menschkundig man, een ‘doctor sacrae paginae’ geloof heeft kunnen hechten aan al die wonderbaarlijke, soms vrij bespottelijke en kinderachtige dingen, die hij ons met alle overtuiging voorhoudt. Onze voorouders waren nog zeer weinig kritisch aangelegd.
Sommigen onder onze voorouders, dan toch, en Thomas van Cantimpré blijkt inderdaad heel wat naïever dan bijvoorbeeld die andere dominicaan Albertus Magnus, het mag dan allemaal stichtelijk bedoeld zijn. Eén voorbeeldje slechts. In hoofdstuk 28 van boek II wordt het verhaaltje verteld van twee dominicanen die naar Engeland wilden varen, maar de schipper in kwestie weigerde hen mee te nemen. Waarna de broeders tot God baden, over het water begonnen te lopen en de schipper hen alsnog berouwvol (en beangst) aan boord nam. Thomas noteert dan als bronvermelding…
Ik heb een zeer geloofwaardige persoon gesproken die deze broeders over het water zag gaan en die mij dit met grote devotie in tranen vertelde. [editie-1990: 132].
Nu ja. ‘Ondanks zijn kritische instelling wordt hij [Thomas] doorgaans als onbetrouwbaar beschouwd, ofschoon hier in historisch opzicht weinig reden voor is in vergelijking met andere eigentijdse bronnen’, merkt Stutvoet-Joanknecht op (p. 35*).
Toch geen spijt van mijn (over jaren gespreide) lectuur van Der Byen Boeck, want het heeft talrijke bewijsplaatsen opgeleverd in verband met topische beeldspraak en in elk geval heeft Thomas ons de Middeleeuwen weer wat beter laten kennen.
Geraadpleegde lectuur
[explicit 29 mei 2026 – Eric De Bruyn]