
Robin 1967
AMBIGUÏTÉ DE JÉRÔME BOSCH
(Pierre Robin) 1967
[Annales de l’École des Hautes Études – Tome VI, Snoeck-Ducaju et Fils, Gent, 1967, 64 blz. + 25 ill.]
[Ook vermeld in Gibson 1983: 12 (A56)]
De bedoeling van deze korte, algemene inleiding op Bosch en zijn schilderijen is om de geestelijke wereld van de schilder te schetsen. In een tijd die gekenmerkt werd door een diepe metafysische en apocalyptische angst, beweegt de kunst van Bosch zich tussen twee polen: het heilige en het demonische. De ‘ambiguïteit’ van Bosch ligt hierin dat hij enerzijds een duidelijk moraliserende, tegen de zondigheid gerichte boodschap brengt, maar anderzijds even duidelijk gefascineerd wordt door datgene wat hij veroordeelt: het Kwaad en de duivel. Die dubbelzinnigheid is bijvoorbeeld ook te ontwaren op het middenpaneel van de Tuin der Lusten: de zondigheid van de mens wordt op zulk een schijnbaar onschuldige en fraaie wijze weergegeven, dat het lijkt of we niet met een zondige mensheid te maken hebben. Wellicht streed Bosch’ bewust gebrachte boodschap met zijn onderbewust aangetrokken zijn tot de zonde, vooral dan die van de onkuisheid.
De chronologie van Bosch’ werken blijft een onzekere zaak. In elk geval behandelt Bosch een drietal, steeds weerkerende thema’s: de dwaasheid van de mens, de godsdienst (vooral Christus krijgt veel aandacht) en het demonische (de Hel, verzoekingen). De sterke focus op dit laatste thema doet Robin vermoeden dat Bosch een pessimistische kijk op de mens had, ook al schilderde hij vaak zijn eigen, onderbewuste, niet zelden seksueel getinte obsessies, iets wat psycho-analytici gemakkelijk zullen herkennen. Het is één van de redenen waarom de Surrealisten in Bosch een voorloper zagen. Alchemistische symbolen spelen verder eveneens een rol in het Bosch-oeuvre (ei, holle boom, water en vuur, de kleuren zwart, wit en rood), maar dit betekent niet dat hij een alchemist was. Veeleer gebruikt hij de alchemistische symboliek om zijn verbeelding te stimuleren en zijn deze symbolen bij hem beelden van het Kwaad. De alchemie had tot doel onder meer om de wereld en het leven opnieuw te scheppen en is daarom sterk seksueel georiënteerd in haar beeldspraak. In het Antonius-drieluik (Lissabon) lijkt het of ook de duivel een eigen, malafide wereld wil scheppen. Om dit weer te geven maakte Bosch onder meer gebruik van de alchemistische beeldspraak, die bij hem dus steeds een negatieve connotatie meedraagt.
Robins inleiding op Bosch is degelijk, maar 64 pagina’s zijn te weinig voor een diepgaande analyse. Dat leidt onvermijdelijk regelmatig tot oppervlakkigheid en tot het verwaarlozen van essentiële details in de schilderijen. Dat is bijvoorbeeld heel duidelijk het geval bij de bespreking van de Tuin der Lusten (pp. 31-32 / 43-46 / 48-55): het psalmcitaat op de buitenluiken, de verwijzingen naar sodomie op het middenpaneel en de scène in de rechter benedenhoek van het middenpaneel worden niet eens vermeld. Robin maakt ook af en toe kijkfouten: het armengebaar van Christus op het middenpaneel van de Hooiwagen noemt hij ‘wanhopig’ (p. 24), in de elkaar ontmoetende drie (!) legers van de Drie Koningen (Aanbidding, Madrid) ziet hij twee (!) legers die zich klaarmaken voor de strijd (p. 30), een kat die een rat gevangen heeft wordt een vos die een haas ving (p. 32), de man die op het middenpaneel van de Lissabonse Antonius een beker uitreikt heet een vrouw te zijn (p. 33), de bedelaar met hoge hoed op hetzelfde middenpaneel is naar verluidt een tovenaar (p. 36), de vogel die zijn eigen jong opeet op het linkerluik van deze triptiek eet een kikker op (p. 39), en de duivelse haas-jager op het rechterluik van de Tuin wordt gedetermineerd als een konijn (p. 45). Wel positief is dat Robin op de bladzijden 55-60 via een zeer degelijke analyse de hypothesen van Wilhelm Fraenger verwerpt.
[explicit 11 april 2026 – Eric De Bruyn]