
Vandenbroeck 2025
“Van onbekende ketters en Jheronimus Bosch – De zogenaamde Tuin der Lusten en een vroeg-15e-eeuwse heterodoxe cosmogonie” (Paul Vandenbroeck) 2025
[in: Volkskunde – Tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven, jg. 126, nr. 1 (januari-april 2025), pp. 3-28]
In dit merkwaardige maar toch belangwekkende artikel wijst Vandenbroeck op het Voynich-handschrift (New Haven, Yale University, Beinecke Rare Book and Manuscript Library, Ms. 408). Dit esoterische manuscript dateert uit de eerste helft van de 15de eeuw, is geschreven in een onleesbaar, niet ontcijferbaar geschrift en vormt zo een bekend geval van historische cryptologie. De talrijke afbeeldingen, onder meer van vreemde vermengingen van menselijke, dierlijke, plantaardige en minerale elementen, van gigantische vruchten, van badende naakte vrouwen en van halfnatuurlijke, halfkunstmatige constructies met allerlei buizen en fonteinen vertonen tekenen van alchemistische symboliek en wijzen op een aberrante esoterische cosmogonie (een theorie over het ontstaan van het leven), volgens Vandenbroeck wellicht afkomstig uit kringen van de (ketterse) Secte van de Vrije Geest. Wat ze precies betekenen, is onduidelijk.
Dat Bosch deze illustraties kende en er de invloed van onderging, is naar verluidt zeer onwaarschijnlijk, maar het handschrift toont wel aan dat Bosch niet de enige en ook niet de eerste was om in de late Middeleeuwen vreemdsoortige constructies en fantastische wezens te creëren. Vandenbroeck beklemtoont dat volgens hem Bosch weliswaar geen alchemist was, maar dat hij hoogstwaarschijnlijk elementen uit de alchemistische beeldtaal gebruikte om zijn verbeelding te stimuleren. De visuele parallellen tussen het Voynich-handschrift en (onder meer) het middenpaneel van de Tuin der Lusten zouden dit bevestigen. Verder biedt dit artikel Vandenbroeck de gelegenheid om zijn eerder reeds (onder meer in 1990 en 2017) behandelde theorie uiteen te zetten rond de idee dat bij Bosch, net als bij middeleeuwse auteurs zoals Bernardus Silvestris en Alanus de Lille, de natuur na de Zondeval geseksualiseerd is in negatieve, driftmatige zin, omdat de natuur in essentie ‘slecht’ is als ze niet gecontroleerd wordt door rede en deugd (zoals vóór de Zondeval) en omdat de mens haar verder geperverteerd heeft. Het middenpaneel van de Tuin stelt een vals paradijs van de vrije liefde voor, een paradijs getekend door seksuele driften van de natuur.
[explicit 24 maart 2026 – Eric De Bruyn]