Jheronimus Bosch Art Center

GAAI (Vlaamse gaai = garrulus glandarius)

 

1 Middelnederlandse benamingen van de Vlaamse gaai

 

Dirk Bax, Ontcijfering van Jeroen Bosch, ’s-Gravenhage, 1948, p. 13. Geeft als Middelnederlandse woorden voor een Vlaamse gaai ‘marcolf’ en ‘roetaert’. Wellicht werden ook de termen ‘wouterloot’, ‘wouter’ en ‘druyt’ gebruikt.

 

W.J.J. Pijnenburg, “Wie wil werken uit desen boke…”, in: W.P. Gerritsen e.a., Een school spierinkjes – Kleine opstellen over Middelnederlandse artes-literatuur. Hilversum, 1991, pp. 141-144, meer bepaald p. 142. In het Glossarium Bernense (circa 1300): Vlaamse gaai = ‘hicstre’. In het Glossarium Harlemense: graculus = ‘roetaert’.

 

Curia palacium ed. 1968 (circa 1500)

  • 203 (5 / 3-4). Nederlands-Latijns glossarium. Marcolf = graculus.

Piramus en Thisbe ed. 1965 (circa 1500)

  • 141 (vers 297). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: So moeten wij tsaemen – hoort arme weijten. Weijten = (volgens noot van de tekstbezorger) Vlaamse naam voor een soort gaai. Hier gebruikt als scheldwoord voor een negatief personage.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • 441 (linkerkolom). Nederlands-Latijns woordenboek van Kiliaan. Roetaerd: Pica glandaria: pica varia, picae garrulae genus: graculus quibusdam dicitur. Als verklaring van het werkwoord ‘roetaerden’ wordt gegeven: garrire instar graculi, obstrepere, inania profundere verba.

 

Volgens MNHW 1981 is ‘marcolf’ een soort kraai of ekster (p. 348). ‘Roetaert’ = gaai, meerkol (p. 499).

 

De Middelnederlandse term ‘gaey’ kon wel degelijk gebruikt worden voor een gaai (de vogel). Zie MNHW 1981: 177.

 

2 Gaai = partner (m/v) in liefdeszaken

 

In het Middelnederlands was gay ook een adjectief dat ‘opgewekt, lustig, levendig’ betekende. Zie MNHW 1981: 177.

 

Spiegel der minnen ed. 1913 (circa 1500)

  • 163 (verzen 4628-4629). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere (in erotische context): Ick weds ghi en sult mijn vlechten niet geven / yemant van uwen lacke gaeyen. Vrouwelijk.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 146 (nr. 76, verzen 5-6). Zot rederijkersrefrein. Over een jonker die zijn echtgenote bedriegt: Syn perdt dat liet hij in die herberghe staen / en syn knape quam statelyc mitter gaijen. Vrouwelijk.
  • 239 (nr. 118, vers 20). Zot rederijkersrefrein. In een opsomming van allerlei afkeurenswaardige personen (de stokregel luidt ‘Dees syn werdich in die gilde ghescreven’: Papegaykens die inder proye beenen. Papegaaikes = gaaikes van papen = vrouwen van priesters?

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 146 (nr. 204, vers 25). Zot rederijkersrefrein. Een aansporing tot losbandigheid en omgang met lichte vrouwen. De vierde strofe begint als volgt: Voort meer voer dese lustighe gaijkens / moetmen oec hebben ryckelick gheback. Vrouwelijk.
  • 212 (nr. 242, verzen 4-5). Zot-erotisch rederijkersrefrein. De ik-persoon ziet in een badstoof een vrouw die op zijn echtgenote lijkt en pleegt met deze vrouw overspel: Ic sach mijns wedergaij een copije / daer ick mijn sinnekens toe vallen liet. Vrouwelijk.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 58 (boek I, nr. 15, strofe f, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Hij heeft ooc een gaeyken, gaen de geruchten, / daer hij mede speelt achter de gaerdijne. Vrouwelijk.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 66 (nr. 17, strofe e, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. Tot een weduwe: Als de tortelduve truerdt om u gaeyken clachtich. Mannelijk.
  • 169 (nr. 45, strofe a, vers 6). Zot rederijkersrefrein. Soort zoekt soort in de liefde: Elck crijght zijn gaeyken, ioncker en pagie. Vrouwelijk.
  • 228 (nr. 60, strofe e, vers 13). Amoureus meilied. Elck vogelken vliegt bij sin gaeyken te neste. Mannelijk/vrouwelijk.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 237 (nr. 131, verzen 16-17). Zot-erotisch rederijkersrefrein over twee jongemannen die twee wellustige meisjes bespieden: Si sagen deen vliegenmetten vlen, / Dander hadde een gayken bi haer ghecregen. Mannelijk.
  • 270 (nr. 152, verzen 38-39). Zot-erotisch rederijkersrefren. Doen sprac hi noch eens: mijn schone gaye, / eest nv goet alsmen v willeken doet. Vrouwelijk.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 142 (nr. 122, strofe 12, vers 3). Amoureus liedje. Over de partner van de duif: Als haer gay laet zijn leuen. Hier: het mannetje van een vogel.
  • 176 (nr. 154, strofe 3, vers 2). Amoureus liedje. Over de partner van de tortelduif: Haer eerste gaey, niet te verachten. Idem.

Van Enas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 194 (verzen 1190-1191). Rederijkersspel. Een wachter zingt een liedje: heel de natuur is vrolijk. De nu is sonder gaeijken / de leeft in swaer verdriet. Mannelijk / vrouwelijk.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 125 (nr. 70, strofe 5, verzen 14-15). Vroed rederijkersrefrein (Anna Bijns). De weduwe wordt aangeraden niet te hertrouwen: Dus syt oock der sielen uws mans gedachtich; / als de tortelduyve truert om u gaeyken clachtich. Mannelijk.

Niev Clucht Boecxken ed. 1985 (circa 1600)

  • 33 (nr. 22). Raadselboek. [Raet.] Daer zijn thien vogelen goet, / die eerste en hebben geenen moet. (…) [Ant.] Die eerste vogel is die tortelduve, na den doot haers gaeykens. Hier: wijfje van een vogel.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 98 (strofe 7, verzen 1-3). Amoureus liedje. Clickoykens fray / die om een gaey / somtijdt suchten en weenen. Mannelijk.
  • 109 (strofe 6, verzen 1-4). Amoureus liedje. Een huwelijck eens te aenvaerden / en is (verstaet my) geen cleyne saeck / want daer is gheen beter dinck op aerden / dan die een goe gaeye gheraeckt. Mannelijk / vrouwelijk.

Sinnepoppen ed. 1949 (1614)

  • 97 (II.36). Embleembundel. De Voghel Phoenix, soo de Poeten fabuleren, leeft vijf of seshondert jaren, en heeft gheen gaeyken om te teelen. Vrouwelijk.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 194 (Spel 4, verzen 438-440). Rederijkersspel. Over het meisje Hero: Ghy zoudt hier anders blijven leven in verdwijne / doo d’absentie van die ghy hadt uytverkoren, / ghelijck de Tortel die haer Gayken heeft verloren. Mannelijk.

 

3 Gaai / Vlaamse gaai = iemand die veel praat of roddelt

 

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 182 (verzen 295-296). Rederijkersspel. Een sinneke over Thisbe: Si doet haer tonghesken so net queken / al waert een gaeyken in een gayoolken. Thisbe wordt hier door het sinneke voorgesteld als een hoerig meisje dat verleidelijke praatjes verkoopt.

Mont toe, borse toe ed. 1950 (XVIA)

  • 52 (verzen 179-180). Strofisch rederijkersgedicht. Er is overal verraad, bedrog en list: De clapachtige Roetaerts brengent int cleyre / end’ dragen de tijdinge soo achter straten. Roddelaars = Vlaamse gaaien.

Vastenavondspel ed. 1988 (XVIA)

  • 365 (vers 154). Vastenavondspel (in het Frans, Latijn en Nederlands). De moor zegt in het Latijn: Non me spernet garrula. Men vertaalt: ‘Mij zal die klapekster wel niet afwijzen’. ‘Garrula’ is hier echter veeleer bedoeld als verwijzend naar de (Vlaamse) gaai, als invectief voor een babbelzieke vrouw, een klappei.

 

4 Gaai = pejoratieve term voor ‘meisje, vrouw’ (met connotatie babbelzucht?)

 

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 82 (Fragment I, Group A, vers 4154). ‘The Reeve’s Tale’. Over de vrouw van de molenaar die dronken is: As any jay she light was and jolyf.

Hel vant brouwersgilde ed. 1992 (circa 1561)

  • 6r (vers 502). Rederijkersspel. Lucifer somt een reeks zondaars op. Onder hen: brousters wrinxsters dees wijste gaijen. Een scheldwoord dus voor brouwsters en wringsters (vrouwen die het kokende mout omroeren, vergelijk MNHW 1981 bij ‘wrincster’). De betekenis van ‘wijste’ hier is mij onduidelijk. Zie ook Hel vant brouwersgilde ed. 1934: 14 (vers 455).

 

5 Gaai = leugenachtige minnestrelen

 

Der Naturen Bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 244-245 (Boek III, verzen 2133-2150). Natuurkundig rijmtraktaat. Over de ‘garrulus’ gaai), die spot met andere vogels, zich vaak wild gedraagt en zichzelf daardoor soms ophangt in takken: Garrulus dit dinct mi vele / Bedieden some menestrele, / Die altoes sijn onghestade, / Ende callende vroe ende spade / Vele boerden, vele lueghen, / Ende conterfeten die si moeghen, / Bede riddere ende papen, / Porters, vrouwen ende knapen, / Daer si scone sijn omme gheplumet; / Maer dicke ghevaltet dat suilc tumet, / Als hi sijns selves niet neemt ware, / Metten helschen spaerware, / Dine metten clauwen lauwet, / Als hi dus pipet ende mauwet; / Want selden heeftmen enighe vernomen / Die ten goeden ende sijn comen. / Als vele sijnre heilich, na minen wane, / Alsmen vint swarte swanen. Eerder (Boek III, verzen 787-788) heeft Maerlant dan al geschreven dat zwarte zwanen niet bestaan.

 

6 Gaai = de vogel die men afschiet bij het kruisboogschieten (ook erotisch gebruikt)

 

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 224 (fol. 117v, verzen 1-2). Rederijkerslyriek. Pieter dassonneville haddes fraey lof / schoot doe der Ionghe Cruusboghe gaey of.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 275 (fol. 308r, verzen 20-21). Rederijkerslyriek. In een erotische context: Maegdekens van hu weertse / maer als tgaeyken of es, schiet vry naer de peertse.

 

7 Gaai: restmateriaal

 

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 11 (geen verdere nummering). Volksboek. [Salomon:] Wi sijn van versaetheiden vervult laet ons Gode loven. / [Marcolphus:] Als die maerle floytet soe antwoert daer op den roetaert: maer sij en singen niet enen sance die hongerighe ende die versade. Marcolphus’ opmerking is bedoeld om Salomons uitspraak te denigreren. Merel = de verzadigde, gelukkige mens. Roetaert (Vlaamse gaai) = de hongerige, ongelukkige mens.

Plaijerwater ed. 1907 (XVIa)

  • 172 (verzen 218-219). Rederijkersklucht. De marskramer tegen Werrenbracht die in zijn korf verstopt zit: zit je goed? Werrenbracht antwoordt: Wat? Jaic, ic sitte allene / al waric een roettaert in een ghijoelken. Blijkbaar niet meer dan een grappige vergelijking. Zie ook Plaijerwater ed. 2009: 72 (verzen 220-221).

Joseph ed. 1975 (1565/66?)

  • 99 (verzen 414-415). Rederijkersspel. Het sinneke Quaet Ingeven tot zijn collega-sinneke over de vrouw van Putifar: Mochse mij gebeuren, hoe sou ickze begaijen, gilde, / al souden mijn oogen spilden en daer aff besworden. Het werkwoord ‘begaaien’ = hier duidelijk erotisch: zijn gangen gaan met een vrouw, zich seksuelee afgeven met een vrouw. In het Antwerps betekent ‘begaaien’ nog steeds ‘zich overgeven aan ongewenst gedrag, overdrijven in iets’.

 

[explicit 5 juli 2024 – Eric De Bruyn]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram