LANTAARN (LAMP)
1 Lantaarn/lamp = God, Christus
Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)
- 406 (Somerstuc, hoofdstuk 30, regels 280-284). Theologisch compendium. Over Christus: Du flammende ende luchtende lucerne des salighen tempels van Iherusalem, lampe, die vol olyen is alre ontfermenisse, luchts des vuers kennens ende minnens, ghif mi daer van ontsteken te worden, opdat die wairheit si mijn voorgangher.
Navolghinge ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)
- 160 (boek III, hoofdstuk 50, regel 9). Stichtelijk prozatraktaat. Over de mens en Christus: Want hem en is niet als ghisteren ende eer ghisteren, doe die lantaern dijnre gracien op sijn hoeft scheen, ende doe hi onder die scade dijnre vloghelen bescermt wert van dien aen vallende becoringhe.
Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)
- 138-140 (4de preek, regels 32-36 / 60-80). Prekenbundel. Christus spreekt: Ic meen u te leren lieve susteren hoe ghi dat lantscap alle daghe bestroyen selt mit vergulden fyoletten mijnre oetmoeddicheit. Ende oec hoe dat ghi die lanteerne mijnre passien mit seven barnende keersen hanghen selt int midden des donckeren conincsrijcs. (…) Ghi selt oec mijn alre liefste kijnder die lanteerne mijnre passien eens ter weken gheestlike ende devotelic uut oefenen boven al uwe ghewoenlike oefeninge. Ende die sel wesen die lanteerne die ghi uwen enghel selt doen hanghen int midden des donckeren onbekende conincrijcs. Ende hier in sel die alle daghe setten een keersse. Dat een [lees: dat is telkens] een devote misse den ellendighen tot eenre verlichtenisse. Want si wanderen daer stadelic alsoe dicke doer die woeste onbekende donckerheit als dat volc doet inder straten opten merctdach.
Kaprijke: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)
- 444-445 (verzen 87-92). Rederijkersspel. Deze lantaerne es ‘dwoort Gods’ vul waerden, / dat niemant, gheloove hebbende, ghebreict; / daer af dat Psalmista in zynen saulter spreict: / och heere, u woordt dat elcken doet verzoeten, / es eene lantaerne an mijn voeten, / di elcken bevrijdt, dat hy niet qwalic en gaet. Vergelijk Psalm 119 (118): 105: Uw woord is een lamp voor mijn voeten, en een licht op mijn pad.
De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)
- 72 (nr. 59, strofe 2, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Ontneemt ghy de lanterne mynder voeten / dlicht opden wege, soo sal my ontmoeten / duysternis, die my in alles is schadelyc.
- 80 (nr. 61, strfe 2, verzen 5-8). Vroed rederijkersrefrein. O Heere, nae u woort haeck ick inden geest; / het is mynen padt een claer lanterne, / een licht inde duysternisse onbevreest, / waer duer ick tquaet van my pyn te werne.
Eenvoudige Mensch en Schijn van Deuchden ed. 1996 (vóór 1598)
- 96v (verzen 320-321). Rederijkersspel. Eenvoudige Mensch tot God: Dus stuert toch mijn leven om sulcxs te ontmoeten / doert licht uws waerheijts, die lantaren mijnder voeten.
Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)
- 118r (verzen 1539-1540). Rederijkersspel. Verlaten Kennisse tot God: Laet u woort een lantaern sijn mijnder voeten / tot mijnder boeten o godt / u vrede sij in mij crachtich.
2 Lantaarn/lamp = Maria
Spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)
- 207 (hoofdstuk 35, verzen 275-282). Typolisch-stichtelijk rijmtraktaat. Over Maria: Want hare helighe wandelinghe / was zo helich, verstaet de dinghe, / dat zoe als ene lanterne claer / lichtende was, weetic voorxaer, / ende zoe gaf elken mensche wel / alre dueghet goed exempel, / ende toghede hem, dat es waerhede, / slevens wech der zalichede.
Eerste Bliscap van Maria ed. 1978 (1448)
- 141 (verzen 2072-2073). Mysteriespel. Dies bidt der lampten sonder verdrogen / dat si ons allen moet bevrien.
Stijevoort II ed. 1930 (1524)
- 40 (nr. 154, vers 88). Vroed rederijkersrefrein, Marialof. Lof lampe lof olye van ontfermhertichede.
Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)
- 159 (strofe 3, vers 12). Vroed rederijkersrefrein, lof op Maria. Lof bernende lampte, vul alder gratien.
3 Lantaarn/lamp = Johannes de Doper
Leven Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1980 (1409)
- 100 (hoofdstuk 18). Jezusleven. Sint-Bernardus over Johannes de Doper: Hi is een lanterne bernende ende lichtende.
- 101 (hoofdstuk 18). Johannes de Doper bezat drie goede dingen. Het derde: gherechte minne, die hi hadde tot sijns even menschen salicheit, want hi bernende was ende lichtende ghelike der lanternen.
Sint Jans onthoofdinghe ed. 1996 (vóór 1552)
- 106 (vers 712). Rederijkersspel. Tweede Discipel overde dode Johannes de Doper: ende nu is uyte de lichtende lantaeren.
4 Lantaarn/lamp = goede werken, deugden, het geloof
Tafel van den kersten ghelove II ed. 1937 (1404)
- 92 (Somerstuc, hoofdstuk 18, regels 98-100). Theologisch compendium. Salomon schreef voor zijn zoon wijze woorden die hi niet soude vergheten, mer als een lanteern of spieghel voor hem setten, op-dat hi in alle sijn paden werde ghestuert ende gheleit. Lantaarn = lichtend voorbeeld waaruit lering valt te halen.
Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)
- 132 (regels 36-40). Stichtelijk prozatraktaat. Over aalmoezen, die de hemelse zaligheid helpen bereiken: Dit is ons in figuren bewijst: almisse moeet voer sijn geseynt als een lanteerne mit claren lichte lichtende die daer nae volgen. Mer als die lanteerne nae comet, die dan voer is luttel hem lichten kan.
Tübingse Sint-Geertruihandschrift ed. 1996 (circa 1445-50)
- 98 (nr. 3, verzen 377-382). Stichtelijk gedicht. Over het lichaam van de zaligen bij het Laatste Oordeel: Als een lanterne wart verlicht / van tlichte bynnen haer ghesticht / soe sel oec tlichaem licht ghenieten / dat vander ziel in hem sel vlieten / end wat een ziele claerre schijnt / wat si oec tlichaem claerre rijnt.
Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)
- 296 (handschrift E, 45ste preek, regels 2-20). Prekenbundel. Christus spreekt: nemt enen penninc ende coept .c. amen olien op datter u niet en ghebreke in uwer lampten susteren ghemint desen penninc es goede wille ende die .c. amen olien die ghi met den penninc copen selt dat es volcomenheit alre doechden Inwelker amen besloten es die olie der gracien die inder lampten uus herten altoes suetelijc onthouden moet wesen. Want waer dat olie ghebrect inder lampten daer moet van noede dat vier sijn berren laten ende oec soe waer dat olie der lampten des herten ghebrect daer moet dat vier der godliker minnen uut gaen. Doen sach die deerne gods dat vele inghelen stonden voer den troen der heilegher drievuldicheit ende hadden lampten die alte scoen lichten al berrende doen haer des verwonderde soe seyde ons here tot haer ende totter ghemeynten dese berrende lampten beteekennen alle die goede wercken die onder u ghedaen worden met vieregher begheerten beyde inwendich ende uutwendich. Brandende lampen = goede werken, deugdzaamheid, verlangen naar God.
- 303-304 (handschrift G, 44ste preek, regels 2-20). Idem.
De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)
- 270-273 (78 verzen). Allegorisch rederijkersgedicht, getiteld ‘Gheestelijcke ghelasen lampe’. Het glas = reynicheydt des lichaems (verzen 14-15), de olie = ontfaermichede / milde alle ghiericheydt verstoorende (verzen 27-29), het deksel = oodtmoedichede (verzen 53-56).
Doctrinael des tijts ed. 1946 (1486)
- 148 (hoofdstuk XXIII). Moraliserend prozatraktaat. Maer warachtelic, tis iammer dat huydens daechs smenschen verstant alsoe geappliceert ende geheven is tot wereltlijcke dinghen, ende dat die lantaerne der duechdelijcker claerheit is al heel uutgedaen.
Spiegel der Maechden ed. 1995 (XV)
- 236 (boek 6, regels 1-6). Stichtelijk prozatraktaat. Naar aanleiding van de parabel van de vijf goede en de vijf dwaze maagden: Du selste bi den lampen verstaen de goede werken. Want also, als de lampen in der nacht de duisternisse verlichten, also wort onse eüen mensche mitten exempelen der goeder werken wtter duisternisse totten lichte der doechden getogen, want de behoedinge der vyf sinnen recht als van vyf poerten bewyst in enen yegeliken de doechde der reynicheit.
Tienen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)
- 362 (verzen 452-453). Rederijkersspel. Figuerlic Bewijs zegt: Nu broeder, en laet niet langher dralen: / ic sal hem ‘dlicht (de lantaarn) van charitaten’ halen.
Oudenaarde: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)
- 489 (verzen 205-209). Rederijkersspel. Staervende Mensche krijgt een lamp en een staf en zegt: En naer dat ic vinde troost die my ghelieft, / zo dat my ‘sghelooven licht’ wilt beschauwen (beschermen) / ende ‘den stoc van hopen onderhauwen (ondersteunen), / reyzic te ghemoete, verlanghende zeere, / mynen verlosser, mynen schepper en heere. De lamp heet dus ‘Licht van het Geloof’.
Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)
- 4 (verzen 90-91). Rederijkersspel. In de proloog zegt een ‘doctoor’ tot een leergierige burger over de protestantse ‘ketters’: Hoort mijn vriendt, de sulcke hem veel beroemt, / die welcke nochtans een lantaeren sonder licht blijft. Lantaarn zonder licht = persoon die de ware religieuze kennis niet bezit.
- 66 (verzen 1533-1534). Scriftuerlijcke Hoede draagt als attribuut een lantaarn (en een kaars): Siet hier mijn lantaerne, ghij als duvels wreet, / die kennisse der sonden heet. Brandende lantaarn = kennis van de zonden volgens het ware (katholieke) geloof.
Bijns ed. 1875 (1548)
- 126 (boek II, nummer 8, strofe b, vers 1). Vroed rederijkersgedicht. De lutheranen geloven niet in goede werken, het geloof alleen volstaat al: Tgeloove sonder werck is een lamp sonder smout.
Bijns ed. 1875 (1567)
- 357 (boek III, nr. 39, strofe f, verzen 7-10). Vroed rederijkersrefrein. En doe ick hier geen diligentie, / dat ic olie in mijn lampe mach vaten, / so moet ic ter hellen als ballinc verwaten; / want gheen dwase maechden en gaen inde feeste. Olie in lamp doen = zijn zondig leven beteren.
- 390 (boek III, nr. 49, strofe c, verzen 17-18). Vroed rederijkersrefrein. Al wert luttel olien in mijn lampken vonden, / Heere, en wilt u hantwerc doch niet versmaden. Olie in lamp = deugden.
5 Lamp = de geestelijkheid (de Kerk)
Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)
- 52-53 (pars I, cap. v, regels 71-78). Latijns hoofdzondentraktaat. A person who has received a lamp (lucerna) but hides it from those who need it, whether they live in the house or wander in darkness, would surely commit an offense against him who has given him the lamp. The same is true in the matter under discussion. For God has established lamps, that is, people in his Church who are learned in wisdom and knowledge, not that they shpuld hide the light given them but that in sharing it freely with all people they should let it shine forth and show it openly. God himself says in Luke 11: ‘No one lights his lamp and hides it, but rather puts it on a candlestick so that those who enter,’ etc. [Lucas 11, 34].
6 Lantaarn // zondigheid
Blome der doechden ed. 1904 (1415-28)
- 66 (hoofdstuk 20). Stichtelijk prozatraktaat. In het hoofdstuk over de ondeugd ‘hoverdie’: Een minsche die van buyten heilich schijnt ende inder hertten gheen oetmoedicheit en heeft dat is een scoen lanterne daer gheen bernende kersse in een is ende daer niemant af verliecht en wort. Lantaarn zonder licht = hoogmoed.
Evangelische maeltijt ed. 1992 (XVIB)
- 81v (verzen 1610-1615). Rederijkersspel. Het personage Een Ijgelijck (iedereeen die zichzelf, zoekt, de zondaars) heeft als attribuut een lantaarn. Een Ijgelijck verklaart: De lantarn hiet begeerlijcheijt, tschrift besiet / den keers kendij die niet, tverwondert mij claer / sij hiet Eeijgen lieffde, mijn lieve caer / want door haer ick voorwaer mijn gaen vercloecken / mijn selven te soecken. Hier dus lantaarn // eigenbaat, hebzucht.
7 Lantaarn/lamp moet onderdoen voor de zon
Naaman ed. 1975 (XVIa?)
- 72 (verzen 520-523). Rederijkersspel. Het Oude Testament vergeleken met het Nieuwe Testament: Tlicht van doude wet is maer een lanteerne / tegeh die claerheit der sonnen, om wel verstaen. / Daer sijn veel figueren vooren ghegaen / ghelijc een scaduwe ende anders niet.
8a Lantaarn/lamp // erotiek
Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)
- 109 (Fragment III, Group D, verzen 333-336). The Wife of Bath’s Prologue.The Wife of Bath houdt een pleidooi voor overspel tegenover haar oude echtgenoot: He is to greet a nygard that wolde werne / a man to lighte a candle at his lanterne; / he shal have never the lasse light, pardee. / Have thou ynogh, thee thar nat pleyne thee. In de vertaling van Ernst van Altena: Je bent een echte vrek met jouw bezwaren / dat ’n man zijn kaars aansteekt aan jouw lantaren; / verlies jij licht daarbij? Je hebt toch zat. / Wat zeur je dan? Je staat toch niet schaakmat. Zie Canterbury Tales ed. 1995: 195 (verzen 5951-5954). Wij zouden (minder vrij) vertalen: Slechts een grote vrek oppert bezwaren / als een man een kaars aansteekt aan zijn lantaren. / Heb je daarom minder licht, stuk verdriet? / Heb je genoeg, beklaag je dan ook niet. Kaars = man, penis / lantaarn = vrouw, vagina.
Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)
- 125 (boek II, vers 71). Moraliserend rijmtraktaat. Over de ‘goede minne’: Die lampen branden daer ghelijck.
Stijevoort II ed. 1930 (1524)
- 171 (nr. 217, verzen 33-37 / 40-43). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een onbeschaamde apologie van de vrije liefde op de stok ‘Tqaetst datter af coomt syn bervoete kinderen’: Ontfanct u lief tusschen u billekens / twort een werck daer alle die werlt bij staet / Adam en Eva dedent ten is niet quaet / latet theijlichdom in u lamp niet minderen / doetet alst coomt doet mynen raet. En in het envoi luidt het: En acht niet suster luijte of bruer coppen / die iesus roipt alsmen dar af spreeckt / sij makender sonde of soumen een gaetken stoppen / mit thelichdom daer die sueten oly uut leect. Hetzelfde met enkele varianten in Doesborch II ed. 1940: 233-234 (nr. 129, verzen 46-50 / 53-56) [1528/30]: Ontfaet u lief tusschen u diekens (dijtjes), / tis dwerck dar al die werelt bi staet, / Adam en Eva dedent, ten is geen quaet. / Latet heylichdom inde lampe verslinderen, / ghi siet datter niemant manck af en gaet. / (…) En acht niet op suster lute of broeder coppen / die Iesus roepen alsmen daer af spreect. / Twaer sonde soudemen dat gaetken stoppen / daer die suete olie uut leect.
Catechismus der minne ed. 1989 (1564)
- 19 (verzen 36-40). Berijmde ‘minnecatechismus’. De Jonkvrouw vraagt aan de Ridder: Welck haddy liever, dit lust my te vraghene, / u lief te ghebruycken sonder te begheerne, / oft sulck ghebruycken van u te iaghene, / en haer te begheeren met der liefden lanteerne / sonder tghebruycken, het is oock te deerne. Lantaarn = het zoeken (als het ware met een lantaarn) naar de geliefde, het verlangen naar liefde.
Coster Johannus ed. 1997 (XVI)
- 128r (verzen 478-479). Rederijkersklucht. De boer Boerdelijck Geck tot de koster die overspel pleegt met zijn vrouw en de koster daarvoor straft: So salmen u leeren u kaers ontsteecken / aen mijn wijffgens lant aern tot eeniger spacij. Kaars = fallus, lantaarn = vagina.
Avont, Nacht ende Morgenstont ed. 1992 (XVIB)
- 37r (verzen 183-193). Rederijkersspel. Avont is een hoerenwaard en draagt een lantaarn. [Menijch Mensch:] Hoe heet desen lantaarn… / [Avont:] Sij heet op mensch betrouwen / dus wilter u aenhouwen, vrij sonder sorgen, wis / [Menijch Mensch:] Hoe heet dit decksel daer tlijcht onder verborgen is / wilt mij dat seggen sonder eenich verlaet / [Avont:] Dat decksel is geheten Eijgen baet / daer menichreleij staet is bij geresen.
Een Cramer met drollighe liedekens ed. 1985 (1610)
- 260 (kolom 2, vers 196). Rederijkersspel. Een marskramer zingt een scabreus liedje: ou lanteernen die lap ick.
8b Lantaarn als uithangteken van een bordeel
Jacques Rossiaud, Amours vénales – La prostitution en Occident XIIe-XVIe siècle, Parijs, 2010, p. 166, citeert de Bourgondische ridder Antoine de Lalaing over de bordelenwijk in Valence circa 1500: On ne peut, pour la chaleur si bien voir le lieu de jour que on le fait de nuit au soir, car elles sont lors assises à leur huis, la belle lampe pendante emprès d’elles pour les mieux voir à l’aise. Citaat uit zijn Relasion du premier voyage de Philippe le Beau en Espagne.
Amsterdamsch Hoerdom ed. 1976 (1681)
- Moraliserend verslag over de Amsterdamse prostitutiewereld. De ik-verteller zegt tegen zijn gids (een duivel) dat hij geen kannen of glazen als uithgangteken ziet (die wijzen erop dat er drank te verkrijgen is). ’t Gaat hier heel anders, zeide hy my; die lantaarn, welke gy daar aan de post van de gang ziet hanghen, beteekend genoegsaam dat er iets anders als een Burger in woond.
[explicit 25 maart 2026 – Eric De Bruyn]