Jheronimus Bosch Art Center

OOG

 

1 De ogen van Christus

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 74 (Somerstuc, hoofdstuk 6, regels 107-109). Theologisch compendium. Over de ogen van de lijdende Christus: Daer sinte Barnaert aldus of seit: Die oghen die boven der sonnen licht blencken ende schinen, werden inden doot duuster.
  • 170-171 (Somerstuc, hoofdstuk 10, regels 272-275. Over de Verrijzenis: Hierom is hi wel ghelijct bi eenre bloemen die oculus Cristi hiet, dat is dat oghe Gods. Die heeft vijf blader ende op elke een rode stip als een dropel bloets.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 397 (Somerstuc, hoofdstuk 30, regels 41-46). Theologisch compendium. Over Christus die in het evangelie zijn ogen opslaat, een grote menigte ziet en er zich over ontfermt: Want alsSalomon seit: soe sijn sijn oghen lichter dan die sonne, die alle des menschen weghen over sien. Die die oghen ghesettet heeft selve, die merct hi. Gregorius seit: God is alleen een oghe, want hem alle dinc openbaer is. Ende dat oghe staet inder kercken.

Navolghinghe ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 122 (boek III, hoofdstuk 13, paragraaf 15). Geestelijk prozatraktaat. Christus spreekt: Mer mijn oge heeft di ghespaert, want duerbaer was dijn siel voir mijn aenschijn, op dattu mijn minne bekennen soudste ende altoes dancbaer wesen minen weldaden, ende op dattu di stadeliken gheven soudes tot ghewariger ghehoersamicheit ende oetmoedicheit ende lijdsaemliken soudes draghen eyghen versmadenisse.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 249 (verzen 49-50). Vroed rederijkersrefrein. Over de priester: Want inde absentie van Christus ooghen / is hy ghestelt omme ons wtdrooghen.

 

2 Gods ogen zien alles

 

Consolatio philosophiae ed. 1990 (524)

  • 197 (boek V, proza 6). Latijns stichtelijk traktaat. Als ge de waarheid onder ogen wilt zien, zult ge beseffen dat u slechts één noodzaak is opgelegd: de noodzaak tot rechtschapenheid. Want ge handelt voor het aangezicht van een rechter die alles ziet. In het origineel: cum ante oculos agitis iudicis cuncta cernentis (zie Consolatio philosophiae ed. 1984: 274).

Leven van Lutgard ed. 1996 (1274)

  • 138 (boek II, hoofdstuk 15, verzen 4687-4691). Berijmd heiligenleven. Mar Got, die Coninc van din trone, / die al te schowene es gewone / met conden [alleswetende] ogen dat men doet / in elker stede, est quaet, est goet, / ende alle dinge die geschin.

Beatrijs ed. 1995 (XIV)

  • 70 (verzen 501-503). Berijmde Marialegende. Beatrijs zegt: Ic mach wel jeghen dordeel sorgen, / - doghen Gods sijn mi verborgen - / daer alle sonden selen bliken.

Jans Teesteye ed. 1869 (XIVA – vóór 1334)

  • 142 (verzen 140-143). Moraliserend dialooggedicht. Hoe langhe sal dit God ghedoghen / diet al siet met sinen oghen / ende die alle herten binnen kint / ende dien verborghen en es twint.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • 17 (zonder verdere nummering). Geestelijk proza, gebed. O doerscouwer der afgronden – want voer u godlike oghen alle verborgentheden openbaer sijn – u godlicke genadicheiden also menichfoudich zijn, so wilt doch genadelic aensien den inwendigen noot ende armoede mijnre sielen.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 105 (nr. 184, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. O Godlijke oghen doorschijnich van lichte / wien alle dinc teghewordich en present es.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 187 (fol. 259v, verzen 28-29). Vroed rederijkersrefrein. Ende ziet des heeren ooghe zal schauwen / vpde ghuene die hem vreesen tot alder tydt.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 188 (fol. 427v, verzen 6-8). Vroed rederijkersrefrein. Hopen zal ick vreesende voor godts aenschyn / want die ooghen des heeren zyn tallen tyden / ouer al de ghuene die hem vreesende zyn.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 353 (boek III, nr. 38, strofe f, vers 16). Vroed rederijkersrefrein. Gevraagd wordt: Heer, waar zal ik mij verbergen bij het Oordeel, want u oogen den gront mijnder herten bespien.
  • 403 (boek III, nr. 54, strofe a, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Ongrondelijcke wijsheyt, eeuwige claerheyt, / Wiens goddelijcke ooghen alle herten doorsien.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 100 (nr. 66, strofe 2, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein (Anna Bijns). Sulck is hier wel in state verheven, maer / Godts oogen sien claer syn schandelyc leven quaet.
  • 109 (nr. 67, strofe 5, vers 7). Vroed rederijkersrefrein (Anna Bijns). Niet en isser verborgen voer Godts oogen claer.
  • 135 (nr. 72, strofe 5, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein (Anna Bijns). Al is de Godheyt met snoode doecxkens bedeckt, / nochtans syn oogen sien alle dinck int clare.
  • 172 (nr. 81, strofe I, verzen 10-12). Vroed rederijkersgedicht (gedateerd 1567). Over God: die voer alle beginselen was, eer den dach is begonnen, / wiens oogen op ons sien, ja, heeft ons meer liefde willen jonnen / dan den vader eenichsins can bewysen syn kint.

Verlooren zoone ed. 1941 (1583)

  • 193 (verzen 828-829). Rederijkersspel. Want sHeeren ooghen daerderyck duere tallen tyden ziet, / ja, al smechen ghedachten zyn in zyne bemerckheyt.

 

3 God / Christus beschermt de gelovige als Zijn oogappel

 

Vergelijk Zakarias 2, 12 (8): ‘Qui enim tetigerit vos, tangit pupillam oculi mei’ (vulgaat). Vergelijk ook Deuteronomium 32, 10 en Psalm 17 (16), 8.

 

Roger-Henri Marijnissen, Bosch, Tielt, 1996, p. 12. Citeert uit de incunabel Dat boeck vanden pelgherym (1486) een passage, waarin niet de mens maar Christus zelf de oogappel is: De opperste appel is ihesus xpus die een spiegel is sonder smette daer elckerlijc in sien mach zijn selfs aensichte. In dese spiegel sulstu dy spiegelen ende daer na leven want alstu dy daer wel in spiegelt dijn wech sal veel te lichter weesen. Een passage die inderdaad verhelderend kan werken in verband met het Tafelblad met de Zeven Hoofdzonden (Madrid, Prado).

 

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 243 (preek XX, regels 232-238). Sermoen. Want wie dat een verstoeringe maect onder een goet geselscap, die doet recht als een, die onsen lieven heer ruert aen sijn oge, als hi selve seit: ‘Ic heb u recht als den appel vanden oge.’ Recht alsoe als een mensche, die niet lyden en mach, datmen hem roert aenden appel van sijnen oge, alsoe en mach onse lieve heer niet lyden, datmen sijn vrienden ende sijn dienres verstoert of trubeert.

Diets gebedenboek ed. 1961 (XVIa)

  • 183 (geen verdere nummering). Gebed tot Maria: Maria behuet mij als een appel der ooghen vanden ghenen die wederstaen v rechte hant. Hier dus Maria in plaats van God.

Brussel: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 426 (verzen 353-355). Rederijkersspel. Laet u daer om niet van Gods belofte trecken, / God es warachtigh int ontfermen, weist niet vervaert, / Hy heift u als den appel zijns ooghen bewaert.

Tienen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 358 (verzen 330-333). Rederijkersspel. Christus ghetrau en abandonneirt niet / die in hem betrauwen, maer preserveirt, ziet, / zijn betrauwers voor dlydelick dooghen al, / ghelijc den appele zijnder ooghen smal [klein, fijn].

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 61 (verzen 243-244). Vroed rederijkersgedicht (ABC-dicht). Over de Heer: Hij bewaert onder zijn vlueghelen die bekende, / ghelijc eenen schelappel van der ooghen.

Vreese des Heeren en Wijsheyt ed. 1968 (circa 1550)

  • 390 (verzen 675-677). Rederijkersspel. En om dat ghy soudt weten hoe wonderlyck dat Godt / syn wtuercoren beproeft die hij int slot / nochtans bewaert als den appel synder oogen.

Die geboorte Johannes Baptista ed. 1994 (1578)

  • 97r (verzen 296-297). Rederijkersspel. Elisabeth (moeder van Johannes de Doper) zegt: belooft hij ons niet duer sijn heijlige propheeten / als den appel sijns oochs den sijnen te bewaeren.

Jesus onder die leeraers ed. 1941 (1580)

  • 125 (verzen 188-189). Rederijkersspel. Maria over de Messias: A dat er leeft, hij onderhoudt ende spijst / en beschermt den zijnen als d’appel zijnder ogen.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 126-127 (nr. 29, strofe 3, verzen 6-8). Vroed rederijkersrefrein. Over Christus: Dus en heeft dit lieff hem selven niet gespaert / & is ons broeder geworden, soo schriftuere melt, / & my als den appel synder oogen bewaert.
  • 184 (nr. 41, strofe 19, verzen 9-10). Vroed rederijkersgedicht (ABC-dicht). Over Christus: hy bewaert onder syn vluegels de bekende, / ghelyc den schelappel vander oogen. Hetzelfde in Crul ed. 1954: 43 e.v.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 33 (nr. 50, strofe 3, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. Over God: als den appel syns oogs, tot uwer behoeven, / sal hy u bewaren int persequeren.
  • 41 (nr. 52, strofe 4, verzen 5-8). Vroed rederijkersrefrein. Nochtans sullen, naer Ezechiels verclaren, / die doode weder levendich opspringen; / want Godt canse soo wonderlyc bewaren, / ja, gelyc den appel syns oogs sonderlingen.

Prieelken der Gheestelycker Wellusten ed. 1927 (1587)

  • 151 (strofe 3, verzen 17-18). Geestelijk gedicht. Al moeten wij door de ketters nu veel lijdens doogen / Godt sal ons bewaren als den appel van zijn oogen.

Eenvoudige Mensch en Schijn van Deuchden ed. 1996 (vóór 1598)

  • 108r (verzen 1226-1228). Rederijkersspel. Die Stemme Goodts zegt: Weest toch niet verslaegen o vroome campioen / godt sal u behoen en oick wel voor al bewaeren / als den appel sijns oochs.

Paulus ende Barnabas ed. 1992 (XVIB)

  • 55r-55v (verzen 510-512). Rederijkersspel. Barnabas over God: Daer hij u sal bewaeren als een van sijn lede / ende oock mede als sijn oochappel soet / hier boven binnen die hemelsche stede.

Cranckheijt des Vleijsch ed. 1992 (XVIB)

  • 96v (verzen 873-875). Rederijkersspel. Troost der Schriftueren zegt: zacharijas seijt int .2. ten is geen spodt / als een appel zijns oochs bewaerde hij ons voor schade / dus betrouwende wilt u tot hem wenden.

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)

  • 114r (vers 1130). Rederijkersspel. Godlijcke Waerschouwinge over God: nochtans haer beschermende als d’appel sijnder ogen.

Wie haer op troost verlaeten ed. 1992 (XVIB)

  • 126v (vers 458). Rederijkersspel. Het bekeerde personage Beswaerde Consiencie tot God: ghij bewaert mijn als den appel uwer ogen fier.

Hoecksteen ed. 1993 (XVIB)

  • 116r (verzen 1145-1147). Rederijkersspel. Petrus zegt: dus elck mach / uijt ganscher herten nemen tot godt den keer / die sijn volck bewaert als sijn oochappel teer.

Emaus ed. 1994 (XVIB)

  • 17v (vers 168). Rederijkersspel. Voor dien [namelijk: de gelovigen] sorch draegen sal hij [Christus] als voor dappel van sijn ooch.

De saijer die goet saet saijde ed. 1994 (XVIB)

  • 102v (verzen 49-50). Rederijkersspel. Deerste Buerman zegt: sorcht daer niet voor, want godt heeft den sijnen / als den appel sijns oochs altoos wel behoet.

 

4 De ogen zijn de vensters van het lichaam

 

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 76 (nr. 32, verzen 27-29). Amoureus rederijkersrefrein, amoureuze klacht. Die vensterkens dijns lichaems thoonen ionste, / recht oft elck vensterken spreken conste / in mijnder presencie goederhande.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 299 (boek III, nr. 23, strofe e, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Zien leidt vaak tot zonde: Door de vensteren compt menigen dootlijcken schicht.

 

5 De zegswijze ‘een oog in het zeil houden’

 

Vreese des Heeren en Wijsheijt ed. 1968 (circa 1550)

  • 396 (vers 834). Rederijkersspel. Wij sullen van achter een ooge int seyl hebben.

Meestal verjaecht Neering ed. 1941 (1564)

  • 81 (vers 161). Rederijkersspel. Ik wil hem gaan volgen en houwen het oog in ’t zeil.

Cooren ed. 1985 (1565)

  • 48 (vers 270). Rederijkerspel. Ick heb een ander ooch int seijl. Hier: ik heb nog een ander plan.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 311 (boek III, nr. 27, strofe a, vers 3). Vroed rederijkersrefrein. O dochters van Sion, hebt een ooge int seil.

 

6 De zegswijze ‘veel ogen op het lijf halen’ = de aandacht trekken

 

Hans Snapop ed. 1971-72 (XVI)

  • 45 (verzen 441-442). Rederijkersklucht. Truij over de moraal van de klucht: Die sulckx doen haelen veel oogen opt lijff / en dan comen wel in scanden saen. Hier in verband met hoerenlopen.

 

7 Het verband oog / zon

 

Heimlichede van mannen ende van vrouwen ed. 1893 (1351)

  • 123 (verzen 75-78). Berijmd medisch-gynaecologisch traktaat. Naar verluidt is de mens volgens Aristoteles uit 8 stukken gemaakt: Dat derde deel, dats oppenbaer, / dat comt u van der sonnen claer, / ende daeraf sijn, als wijt togen, / gemaect scone des menschen ogen.

 

8 Ogen (het zien) leiden (leidt) tot zonde

 

Seneka leren ed. 1895 (circa 1408)

  • 25 (verzen 494-501). Leerdicht. De vader zegt: Die oghen leiden de meneghen daer, / daert sire zielen es te swaer, / te dieften ende ten overspele / ende tandren sonden herde vele, / des niet en ware, en daden die oghen. / Dies die ziele moet hebben doghen [medelijden], / soe dat vele liever mochte sijn hare / dat hare lichame blint ware. Zie ook Handschrift-Van Hulthem II ed. 1999: 1073-1074 (Tekst 202, verzen 494-501).

 

[explicit 22 juni 2024 – Eric De Bruyn]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram