SLEUTEL (slot)
Toelichting: de termen contoor en comptoir in sommige citaten hieronder betekenen ‘kast, kist of koffer met een slot’.
1a Sleutel (= fallus) in slot (= vagina) steken = coire
Een gewassen pentekening (Vlaanderen, circa 1470, Sao Paolo, privécollectie) toont een vrouw die een koffer vasthoudt en een man die een sleutel in het slot van de koffer steekt (met Franse verklarende teksten). Een afbeelding in Ludo Jongen e.a. (sam.), Wulpse wijven geil gasten, Leuven, 2014, p. 98. Dezelfde publicatie geeft op pp. 11 en 40 twee Oudengelse raadsels, waarbij sleutel = fallus en slot = vagina. Tekstbron: Exeter Cathedral, ms. 3501, fol. 129v-130r en fol. 112v (tweede helft tiende eeuw).
Van Altena ed. 1987 (12de eeuw)
- 83 (nr. III, cobla 6). Occitaans lied van Marcabru: Schoonheid woei haar reeds als vrucht aan, / nooit zal zij in knoflooklucht staan; / duizend vrienden die een brug slaan / naar de burcht waar zij als vrouw troont… / Nooit op slot / is haar slot, / maar wie zot / ’t kuis gebod / schendt, komt vlot / in ’t cachot. Slot = vagina.
Stijevoort II ed. 1930 (1524)
- 106 (nr. 184, verzen 46-47). Vroed rederijkersrefrein op de stok ‘Waerder gheen god en moestmen niet sterven’, dat de losbandigheid en de zondigheid van de mensen aanklaagt: Waert dat die vrouwen mer eenen slotel en wisten / haer dochteren (zou dunken) dat sij van alle welvaert misten.
Doesborch II ed. 1940 (1528-30)
- 237-238 (nr. 131, verzen 22-26). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Hi ontdecte vast haer witte dien / om tcontoor tontsluten dat daer ontrent staet. / Is dit een maecht sprac deen, si latete al gescien. / Ke man, al haddi den sluetel int slot gesien, / tsijn al maechden tot dat den buyck op gaet.
Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)
- 223-224 (nr. 191, strofen 2-3). Zot-erotisch liedje over een slotenmaker die het slot van een jonge maagd moet komen openbreken met een vijl. De tweede en derde strofe luiden: Een ionge maecht die quam mi clagen / hoe dat haer slot gesloten was / en si haddet lange also gedragen / want si en vant gheen slotel op dat pas / en al ben ic een luttel fel / comt vijlt mijn slootken tgaet so wel // Den ruyter stac zyn vijle al binnen den slote / Hi dede noch naer hueren rel / Dat vrouken sprac beneder mote / daer sult ghi bluschen mi geswel / Noyt en haddic beter spel / Vijlt mijn slotken tgaet so wel. Slot = vagina, sleutel / vijl = fallus.
Tien esels ed. 1946 (1558)
- 44 (regels 28-31). Stichtelijk volksboek. Over vrouwen van koppelaars: Dan maecktmen die vrouwe vrolijck ende dronken, ende dan soo verliesen sy ghemeynlijck den sluetel van haren contoore.
Bossche Loterij ed. 2003 (1564)
- 63 (nr. 2370). Motto van een loterijbiljet. Iemand uit Amsterdam. Die vroukens moigen wel callen ende sottelick spreken mer zy en moigen gheenen onrechte slotel in hair slot laeten steken.
1b Contoor/comptoir = vagina
Wonder van claren ijse en snee ed. 1946 (1511)
- 33 (verzen 322-324). Rederijkerslyriek. Beschrijving van een sneeuwpop van een dikke, naakte prostituee in Brussel in 1511: Haer fronse [vagina] was bedect met eender rosen; / Tcontoer onder de rose, dat ghijt smaect, / doet den menighen sijn silverwerck losen.
Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)
- 200 (fol. 267r, verzen 16-17). Zot liedje over een pantoffelheld: Al doen ick int wercken myn debvoir / zou zeght ten dooght al niet een luere / al rommel ick zomtyds in haer comptoir / ten claertter niet, wat dat ik schuere.
- 212 (fol. 273v, vers 10). Rederijkerslyriek. Over overspeligen: overspeilsteghe ruwe comptoiren upbrekers.
Joseph ed. 1975 (1565-66?)
- 98 (verzen 410-411). Rederijkersspel. Het sinneken Quaet Ingeven over de vrouw van Putifar: Soo zak ick haer den vierigen brant in doore blasen, / al sou haer contoor razen seer quaet sonder stillen.
2 Sleutel en slot in amoureus-erotische context
Doesborch II ed. 1940 (1528-30)
- 144 (nr. 79, verzen 6-8). Amoureus rederijkersrefrein. O venus godinne twi ontslootti tslot / der stralender oochskens die mi doorvlogen / mits so vierigen heeten gheschot.
Catechismus der minne ed. 1989 (1564)
- 41 (verzen 707-715). Een ‘minnecatechismus’. Binnen de Minnekasteel-topos vraagt de Jonkvrouw: welke sleutel kan het kasteel ontsluiten. De Ridder antwoordt: eenpaerlyck bidden (met andere woorden: blijven aandringen).
3 Sleutel of slot = God, Christus, hemel
Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)
- 50 (nr. 22, verzen 172-175). Gedicht. Nye en bleeffer mensch bedroghen, / die sijn hope hilt an God; / hi is sloetel ende slot / enter salicheiden schrijn.
- 164-169 (nr. 81, verzen 50-57). Gedicht. Door de Erfzonde zat de Hemel op slot, Christus deed hem weer open: Daer nae, by des appels smaken, / viel Adam in groot verlies, / want Yeve maecten wel so ries, / dat hi versmade sijns meesters bot; / dus quam eerst des hemels slot, / dat hi ontsloet Marien soen, / die voer ons allen droech die croen, / want God is slot ende sloetel beide.
Ghewillich Labuer ende Volc van Neerrynghe ed. 1920 (1526)
- 193 (verzen 368-369). Rederijkersspel. Mevrouw Pays (Vrede) zegt: Pays heift ontsloten shemels slodt / oorconde den zeghele van Christus vyf wonden.
Bijns ed. 1875 (1568)
- 254 (boek III, nr. 10, strofe c, vers 2). Vroed rederijkersrefrein. Over Christus: Den slotel van David, diet al heeft ontsloten.
4 Sleutel of slot = Maria
De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)
- 181 (vers 21). Rederijkerslyriek, lofdicht op Maria. Lof slot, lof sluetel , lof shemel conduyt.
- 181 (vers 32). Lof sluetel die alle dinck ontsluijt.
- 184 (vers 108). Nog in hetzelfde lofgedicht: Der xij articulen sloetel ende graen (juweel).
Stijevoort II ed. 1930 (1524)
- 41 (nr. 154, vers 92). Vroed rederijkersrefrein, lof op Maria: lot slot lof sluetel diet al ontsluyt.
[explicit 27 februari 2026]