VLINDER
Latijn: papilio. Middelnederlands: capelle, pepel, vijfwouter, somervoghel.
Etymologicum ed. 1974 (1599)
- Nederlands-Latijns woordenboek. Kapelleken, kappel: papilio. Zie ook MNHW 1981: 282 (capellenvogel, capelle).
- Pepel: papilio. Zie ook MNHW 1981: 463 (pepel).
- Vijfwouter, pepel: Papilio.
Liber de natura rerum ed. 1973 (1244)
- 306 (boek 9, hoofdstuk 31, regels 1-5). Natuurencyclopedie (Latijns proza). Thomas van Cantimpré over de vlinder: De papilione. Papiliones, ut dicit Liber rerum, vermes volantes sunt, qui maxime floribus innituntur et ex eis cibum capiunt. Coeunt post Augustum, morienteque masculo post coitum, femina edit ova; hiis editis moritur. Ova vero per hyemem durantia estatis tempore vermes faciunt, qui invalescentes solis calore et rore nocturno alas concipiunt evolantes (Over de vlinder. Vlinders zijn, zoals het Liber rerum zegt, vliegende wormen/insecten, die vooral van bloemen leven en daar voedsel uit halen. Ze paren na augustus, en na de paring sterft het mannetjes en het vrouwtje legt eieren. Daarna sterft ook zij. De eitjes doorstaan de winter en door de zomerhitte worden het wormen, die door de warmte van de zon en de nachtelijke dauw sterker worden, vleugels krijgen en wegvliegen). Geen symboliek.
Jacob van Maerlant bewerkte dit op rijm als volgt…
Der naturen bloeme II ed. 1980 (circa 1270)
- 94 (boek VII, verzen 770-783). Natuurencyclopedie. Boek VII behandelt de insecten. Papilio, als Liber Rerum seghet, / es een woerm die te vlieghene pleghet. / Bi bloemen leeft hi, alsmen waent, / ende hi noet na dien oestmaent. / Die hie noet ende stervet ter stede, / die sie worpt haer saet ende stervet mede. / Dat saet gheduert den winter duere. / Als verhit des somers nature, / so wassen daer of woerme mede, / ende vlieghen als die vader dede. / Sonne ende dou die can hem gheven / beide vloghele ende leven, / som wit, som blau, som pellelijn, / na dat die lucht ghetempert sijn.
Ingrid Biesheuvel hertaalde Maerlant als volgt…
Der natueren bloeme ed. 2024
- 189 (boek 7). De papilio is volgens het Liber Rerum een insect dat kan vliegen. Het leeft, naar men denkt, van bloemen. De papilio plant zich voort rond de maand augustus [er staat nochtans zowel bij Thomas als bij Jacob nà augustus]. Na de paring sterft het mannetje onmiddellijk; het vrouwtje legt eitjes en sterft daarna eveneens. Die eitjes blijven gedurende de winter goed bewaard. Als het ’s zomers warmer wordt, komen er insecten uit die kunnen vliegen, net als de ouders. Door het zonlicht en door de dauw komen ze tot leven en krijgen ze vleugels Sommige zijn wit, andere blauw, en er zijn er ook die purperkleurig zijn, al naar gelang de temperatuur van de lucht.
Der dieren palleys 1520 (1520)
- Y1v-Y2r (boek 2, hoofdstuk niet genummerd). Postincunabel (Antwerpen, Jan van Doesborch, 1520). Dat capitel vanden Somervoghels. Isidorus seyt: Papiliones sijn vlieghende wormen gheheten somer voghels. Ende op die bloeyende maluwe [kaasjeskruid] isser altijt veele ende van haren drec wassen wormen. Ende sie vlieghen op die bloemen ende halen daer van haer spijse. Ende na die oostmaent versamen dat manneken ende wijfken ende dan sterft dat manneken. Ende dan leyt dat wijfken veel eyer ende dan sterftse ooc. Ende die eyer blijven den winter over ende door die hitte der sonne werden se inden somer wormen ende bi den dau werden si sterck ende vlieghen. Dese papilionen sijn seer schadelijck den byen daerom salmense dooden in den april. Want dan comter seer veel als die maluwe bloeyet. Ende alsmen van dese somervoghelen wil vangen soe salmen nemen een hooch coperen vat oft een kanne onder die byecorven ende die canne moet boven hebben eenen eynghen mont ende beneden in die canne soudemen setten een licht of een bernende kersse ende dan sullen dese somervoghels comen vlieghen na dat licht ende om die eynheyt der cannen so moten si vallen in die canne.
Volgens Dirk Bax verwees de term ‘vlinder’ naar dwaasheid en kon hij ‘hoer’ betekenen. Zie Bax 1948: 107-108, Bax 1956: 47-48, Bax 1983: 27 / 147 / 387-388.
1 Vlinder // dwaasheid, zwakheid, zondigheid
J.J.M. Timmers, Symboliek en iconographie der christelijke kunst, Roermond-Maaseik, 1947, nr. 783: een vlinder die van bloem tot bloem fladdert, is een symbool van de onstandvastigheid.
Franz Unterkircher, Het Rothschild-brevier – Miniaturen uit een Vlaams getijdenboek, Meulenhoff-Landshoff, Amsterdam, 1985. Op folio 227v van dit getijdenboek (1510-20, Wenen, Österreichische Nationalbibliothek) zien we een miniatuur (van Gerard David of diens atelier) die de H. Maria Magdalena voorstelt. In de linkermarge een van bloem tot bloem fladderende vlinder. Verwijst deze vlinder, net als het aap-vrouw-monster met spiegel in de benedenmarge, naar Maria Magdalena’s losbandig leven vóór haar bekering?
Des Coninx Summe ed. 1907 (1408)
- 444 (paragraaf 478). Stichtelijke prozatraktaat. Men pleecht te segghen: also langhe gaet die cruke te water, dat si breect; also lange vliecht dat cappellekijn om die kaerse dattet hem bernt. Aldus machmen so langhe soken die saken der sonden, datmen daer in valt. Die dan niet bernen en wil, ververre hem dan van aldustanighen vyer.
Tielebuijs ed. 1934 (1541)
- 34 (vers 158). Rederijkersklucht. Tielebuijs is een dwaas die wil ‘herdragen’ worden wanneer hij verneemt dat hij een jaar te vroeg geboren is. De vroedvrouw zegt over Tielebuijs: De knecht is geheel pepel sot.
Seer schoone spreeckwoorden ed. 1962 (1549)
- 28 (nr. 477). Gedrukte Frans-Nederlandse spreekwoordenverzameling. Le soir lyons, le matin papillons / Tsavonts leeuwen, smorghens pepels.
Meer Gheluck ende Heer Profijt ed. 1946 (circa 1550)
- 76 (verzen 6-7). Rederijkersklucht. Meer Gheluck en Heer Profijt zijn twee rondzwervende boeven. Meer Gheluck stelt voor om een ziekte te simuleren, zodat ze opgenomen kunnen worden in een gasthuis: Ic zal mij zieck maecken: / mijn hertecken word lichter dan een pepelken fijn. Verwijzing naar ijlhoofdigheid.
Etymologicum ed. 1974 (1599)
- Pepelinck: homuncio tenellus, imbecellis. Nullum enim animal inter vermiculos alatos papilione imbecellius (pepelinck: zwak, dwaas mensje. Want er is geen dier onder de gevleugelde wormen/insecten dwazer dan de vlinder).
- Pepel-sot: Delirus (Pepel-sot: waanzinnig, ijlhoofdig).
2 Vlinder = prostituee
sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)
- 45 (vers 583). Spel van sinnen n.a.v. de Vastenavond. Het personage Werlt spreekt tVleesch (een prostituee) aan met: bylo capelle. De tekstbezorgers verwijzen naar het West-Vlaams idioticon van Schuermans en verklaren capelle als: domhoofd, dwaas vrouwmens. Ook vermeld door Bax.
[explicit 14 maart 2026 – Eric De Bruyn]