Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
Circa 1185
Moderne editie
Pieter Gerbrandy (vert.), "Andreas Capellanus - Liefde of De retorica van de verleiding - Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien", Filosofie & retorica - nr. XVIII, Historische Uitgeverij, Groningen, 2013
Taal
Latijn

De amore (Andreas Capellanus) ca. 1185

[Teksteditie & Engelse vertaling: P.G. Walsh (ed./vert.), Andreas Capellanus. On Love. Edited with and English translation. Duckworth Classical Medieval and Renaissance Editions, Duckworth, Londen, 1982 = De amore ed. 1982]

[Nederlandse vertaling: Pieter Gerbrandy (vert.), Andreas Capellanus. Liefde of De retorica van de verleiding. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien. Filosofie & retorica – nr. XVIII, Historische Uitgeverij, Groningen, 2013 = De amore ed. 2013]

 

De cijfers tussen rechte haken verwijzen naar de ed. 1982, tenzij anders aangegeven.

 

Auteur

 

Andreas Capellanus. Een Franse priester die waarschijnlijk kapelaan was aan het hof van de Franse koning en banden had met het hof van gravin Marie de Champagne in Troyes [2/3]. In boek I (I.VI.G.385) noemt de schrijver zichzelf Andreas, aulae regiae capellanus (Andreas, kapelaan van het koninklijke hof).

 

Genre

 

Een Latijns prozatraktaat over de liefde. De meest voorkomende titel in de handschriften is De amore (Over de liefde). Andere titels zijn Tractatus de amore, Liber de amore, Galteri de amore en Liber amoris [1].

 

Situering / datering

 

Hoogstwaarschijnlijk werd deze tekst geschreven rond het midden van de jaren 1180 [2].

Walsh vermeldt twaalf bewaarde handschriften [25-26]. Acht hiervan dateren uit de vijftiende eeuw, drie uit de veertiende eeuw en één uit de dertiende eeuw.

 

Inhoud

 

Zie voor een overzicht van de inhoud ook ed. 1982: 15-25.

 

Liber primus

 

Afgezien van enkele inleidende hoofdstukken, waarin onder meer gesteld wordt dat liefde alleen kan bestaan tussen personen van verschillend geslacht en dat mannen ouder dan zestig en vrouwen ouder dan vijftig nog wel seks kunnen hebben, maar geen liefde meer kunnen ervaren, bestaat dit eerste boek hoofdzakelijk uit acht lange (en ook bijzonder langdradige) modelconversaties tussen verschillende soorten koppels.

Aan bod komen gesprekken tussen een gewone man en een gewone vrouw, tussen een gewone man en een edeldame, tussen een gewone man een dame van hogere adel, tussen een edelman en een gewone vrouw, tussen een edelman en een edeldame, tussen een man van hogere adel en een gewoon meisje, tussen een man van hogere adel en een edeldame, en tussen een man van hogere adel en een dame van hogere adel. Opmerkelijk in dit laatste gesprek is dat op een bepaald moment de vraag wordt gesteld wat een minnaar het eerst moet nastreven in de liefde, het bovenste of het onderste gedeelte van zijn geliefde, en dat het dan de edelman is die zegt: het bovenste, terwijl de dame net verdedigt dat het onderste verkieslijker is. In deze laatste dialoog gaat het ook over de vraag of liefde kan bestaan binnen het huwelijk. Voor het antwoord raadpleegt men (per brief) Marie van Champagne, die als haar oordeel geeft dat liefde en huwelijk onverenigbaar zijn.

In de laatste hoofdstukjes wordt gesteld dat klerken zich beter niet met de liefde bezighouden, en wordt het beminnen van nonnen, van vrouwen die op geld uit zijn, van te veel op seks beluste vrouwen, van boerinnen en van hoeren afgekeurd.

Dit hele eerste boek maakt, afgezien van een enkele passage (zoals die over het onder- en het bovenlijf), een uitermate vervelende indruk.

 

Liber secundus

 

Het eerste boek behandelde de vraag hoe de liefde kan gewonnen worden, het tweede boek behandelt eerst de vraag hoe de liefde kan bewaard en verdiept worden. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag hoe de liefde vermindert en ten slotte eindigt. Aan bod komen ook de vragen hoe men wederzijdse liefde kan herkennen en hoe het zit met minnaars die elkaar ontrouw zijn. Grote wijsheden of interessante wetenswaardigheden zijn ook in dit deel niet te vinden. Het middengedeelte van boek II bestaat uit 21 liefdeskwesties die kort behandeld worden, met daarbij soms het oordeel dat bekende edelvrouwen uit Andreas’ eigen tijd over deze kwesties gegeven hebben. Het laatste deel bestaat uit een heel kort Arturromannetje dat eindigt met 31 liefdeswetten. Slechts bij vier van deze wetten valt er een parallellisme waar te nemen met de regels van de ‘hoofse liefde’ (amor curialis), namelijk: liefde kan ook bestaan buiten het huwelijk, niemand kan door twee liefdes gebonden worden, een echte minnaar verlangt alleen naar de omhelzingen van zijn partner en de liefde overleeft het gewoonlijk niet wanneer ze bekend wordt gemaakt.

Ook dit tweede boek maakt een erg saaie totaalindruk.

 

Liber tertius

 

Het derde boek is plots compleet anders van toon dan de twee voorgaande: de profane toon is nu vervangen door een moraliserend-christelijke. Liefde en seks buiten het huwelijk worden scherp veroordeeld: deze dingen mishagen God en worden bestraft met eeuwig lijden in de hel. Een heleboel slechte eigenschappen en nadelen van de liefde worden opgesomd. Vervolgens wordt bladzijden lang uitgevaren tegen de slechtheid en de ondeugden van de vrouwen, waarbij Andreas werkelijk alle registers van de middeleeuwse misogynie opentrekt. Dat gaat dan bijvoorbeeld zo:

Bovendien is iedere vrouw van nature niet alleen hebzuchtig, ze is ook afgunstig en spreekt kwaad over andere vrouwen, ze is roofzuchtig, een slaaf van haar maag, wispelturig, haar taal is dubbelhartig, ze is ongehoorzaam en weerspannig als haar iets verboden wordt, bevlekt met de zonde van hoogmoed en dol op loze roem, leugenachtig, drankzuchtig, praatziek, niet in staat een geheim te bewaren, veel te wellustig, geneigd tot alle kwaad en niet in staat een man werkelijk lief te hebben. [III.70, ed. 2013: 279]

Of nog:

Iedere vrouw van de wereld is ook wellustig. Hoe schitterend haar maatschappelijke positie ook is, indien een vrouw weet dat een man, zelfs als het gaat om het allergoedkoopste uitschot, over een grote daadkracht in Venus’ werken beschikt, zal ze hem niet als bedgenoot afwijzen. Maar hoe daadkrachtig een man op dat terrein ook is, nooit zal hij de potentie hebben om de lust van welke vrouw dan ook te doen afnemen. [III.104, ed. 2013: 289]

Of nog:

In deze wereld is geen vrouw zo standvastig of zozeer aan liefdesbeloften gebonden dat ze, zodra een wellustige minnaar haar intelligent en dringend bestookt met erotische voorstellen, in staat is de druk van zijn verlangens te pareren en zich tegen zijn opdringerigheid te verweren. (…) Ja, dat is wat een vrouw doet, aangezien ze geteisterd wordt door een overmaat van wellust. [III.105-106, ed. 2013: 289]

Omwille van de overdreven antifeministische toon en de beperkte lengte is dit derde boek eigenlijk best aardig om te lezen.

 

Thematiek

 

De amore van Andreas Capellanus wordt vaak genoemd als het gaat over de hoofse liefde (fin’amors, amor curialis), samen met de Roman de la Rose en Chrétien de Troyes’ Le chevalier de la charrette. De lyriek van de troubadours heeft bijvoorbeeld manifest invloed op hem uitgeoefend. Men is het er echter niet langer over eens of het concept van de hoofse liefde wel echt leefde in de twaalfde eeuw. Men is van oordeel dat de amour courtois wel bestond als literair fenomeen, maar dat het geen echte levenshouding was. De vraag is of Andreas’ behandeling van (hoofse) liefdesthema’s in de eerste twee boeken ironisch bedoeld is, dan wel of hij kritiek wilde leveren op de algemeen aanvaarde houding tegenover seks en huwelijk. [5-7] De stelling dat voor de troubadours hoofse liefde en liefde binnen het huwelijk onverenigbaar zijn, is naar verluidt sterk overdreven. De ontkenning van het bestaan van echte liefde binnen het huwelijk is duidelijker aanwezig bij Andreas (zie b.v. pp. 147/157/259/283) dan bij de troubadours [7].

 

De De amore is in de eerste twee boeken een merkwaardige mengeling van bekende ideeën en vormen, samengeraapt uit verschillende bronnen (Ovidius, Arturromans, debatten in de volkstaal, geleerde Latijnse poëzie, troubadourspoëzie). De harde veroordeling van de liefde in het derde boek staat in de traditie van de christelijke apologetische auteurs [12]. Dit derde boek verschilt niet alleen van de eerste twee qua inhoud, maar is ook totaal anders van toon (agressiever). Andreas spreekt zelf van een duplicam sententiam (twee verschillende visies) [III.117]. Er moet iets gebeurd zijn in Andreas’ leven, waardoor hij in het derde boek afgestapt is van zijn oorspronkelijke concept, maar wegens het ontbreken van biografische gegevens blijft dit giswerk. Het is nochtans merkwaardig dat zijn naam na 1186 verdwijnt in de documenten van het hof van Champagne te Troyes, wat zou kunnen duiden op een breuk met Marie de Champagne [14-15].

 

Receptie

 

De amore is gericht aan een vriend van Andreas, een zekere Gualterus (Walter), maar men is er niet in geslaagd deze te identificeren. Misschien gaat het hier om een literair trucje. Aangezien Marie de Champagne vermoedelijk niet zo goed Latijn kon, is het onwaarschijnlijk dat het boek rechtstreeks voor haar geschreven is, al zijn er duidelijk een aantal elementen die verwijzen naar het hof van Champagne. Aannemelijk is in elk geval dat Andreas zijn De amore in de eerste plaats schreef voor een publiek van klerken dat zijn niet altijd eenvoudig Latijn kon appreciëren [4-5].

We hebben hier dus blijkbaar te maken met hofliteratuur, maar met een sterk klerikaal accent.

 

Profaan / religieus?

 

De eerste twee boeken zijn profaan, het derde boek is manifest stichtelijk-religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Onze verwachting dat De amore zou kunnen gelezen worden als een soort handleiding bij de hoofse liefde, is niet uitgekomen. Zoals Joachim Bumke in 1986 al stelde:

 

Als een nieuwe communis opinio schijnt zich echter de opvatting af te tekenen dat het tractaat van Andreas Capellanus niet mag worden gelezen als een handboek van de hoofse liefde en dat het werk daarom voor de vraag naar de kenmerken van de hoofse liefde slechts een beperkte betekenis bezit. Dat vermindert zijn betekenis weliswaar niet. Geen ander literair werk uit deze tijd geeft ons zulke nauwkeurige informatie over de grote rol die de discussie van liefdesvragen in de Franse hofhouding van de 12e eeuw heeft gespeeld. [p. 473]

 

Dat mag dan zo zijn, het blijft een feit dat de behandeling van die liefdesvragen in de De amore weinig meer oplevert voor de moderne lezer dan bitter weinig interessante langdradigheid, vooral in de eerste twee boeken. De manier waarop in het derde boek met de vrouwen de vloer aangeveegd wordt, is zó bij de haren getrokken, dat hier toch nog enig leesplezier te rapen valt.

 

De volkomen tegengestelde visie van enerzijds boek I en II, en anderzijds boek III, roept natuurlijk de vraag op wat nu eigenlijk het standpunt van Andreas zelf was. Men mag daarbij niet uit het oog verliezen, zoals Bumke reeds signaleerde, dat Andreas het thema van de liefde behandelt op scholastieke wijze, wat betekent dat men een onderwerp uitgebreid bekijkt vanuit twee verschillende standpunten zonder dat daarbij het ene als juist en het andere als fout wordt voorgesteld. Bij Ovidius, één van Andreas’ grote voorbeelden, gebeurde overigens precies hetzelfde: hij schreef een Ars amatoria en vervolgens een Remedia amoris.

 

Het moderne Andreas Capellanus-onderzoek wordt beheerst door de vraag of Andreas’ wetenschappelijke schrijfstijl erop wijst dat hij zijn onderwerp ernstig en grondig wou uitdiepen, of dat het eerder ironisch-dubbelzinnig bedoeld is. Er is veel (maar toegegeven: niet alles) voor te zeggen dat Andreas in zijn eerste twee boeken zijn hofpubliek, dat bestond uit geestelijken en geletterde leken, wou plezieren door een populair onderwerp (seks en liefde) op een (voor die tijd) amusante en entertainende manier te behandelen. In het derde boek zou hij dan, als priester, het traditionele standpunt van de Kerk hebben vertolkt. Nochtans: ook dit derde boek is zo overdreven anti-vrouw, dat men zich kan afvragen of het allemaal wel ernstig bedoeld is. Op de internetsite http://www.wsu.edu/~delahoyd/medieval/andreas.html signaleert ene Michael Delahoyde van Washington State University dat een zekere Drouart la Vache in 1290 bij het lezen van de De amore zo hard moest lachen, dat hij besloot het boek meteen in het Frans te vertalen. Delahoyde citeert in dit verband E.T. Donaldson die zelf over Andreas’ werk spreekt als  a joke – a belabored and dull joke, but one which monks might get an acceptably pious kick out of.

 

Nou ja, zeker zullen we het wel nooit weten. Net zoals bij de Roman de la Rose moet men in elk geval zeer voorzichtig zijn bij het citeren van puntige uitspraken in verband met liefde en seks uit De amore, zeker wanneer het gaat om die dialogen uit boek I: het staat immers nooit vast of wat die gesprekspartners zeggen, ook de overtuigingen van Andreas zelf weergeven. En eigenlijk geldt hetzelfde voor de rest van het boek. Bottom line: met het weinige leesplezier dat het te bieden heeft en met het beperkte cultuurhistorische belang dat het vertegenwoordigt, kan Andreas’ De amore echt niet als een hoogtepunt van onze leesautobiografie beschouwd worden.

 

Geraadpleegde lectuur

 

Joachim Bumke, Hoofse cultuur. Literatuur en samenleving in de volle Middeleeuwen. Utrecht, 1989, pp. 471-473.

A.P. Orbán, “Het middeleeuwse antifeminisme”, in: R.E.V. Stuip en C. Vellekoop (red.), Middeleeuwers over vrouwen – deel 2. Utrechtse Bijdragen tot de Mediëvistiek – deel IV, HES Uitgevers, Utrecht, 1985, pp. 128-131.

 

[explicit 12 september 2010 / 3 juli 2014]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram