Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1453-57
Moderne editie
Malcolm Letts (vert.), "Pero Tafur - Travels and Adventures 1435-1439", Londen-New York, 2014
Taal
Spaans

Pero Tafur ed. 2014

 

 

Andanças é Viajes de Pero Tafur por diversas partes del mundo avidos

[Enthousiaste avonturen en reizen van Pero Tafur

naar verschillende delen van de wereld]

(Pero Tafur) 1453-57

 

[Engelse vertaling: Malcolm Letts (vert.), Pero Tafur – Travels and Adventures 1435-1439 – Translated and edited with an introduction. The Broadway Travellers – deel XXVII, Routledge, Londen-New York, 2014, 260 blz. (reprint van de editie-1926)]

 

 

Auteur

 

De voorname Spaanse edelman Pero Tafur, geboren rond 1410 in Cordoba en overleden rond 1484. Hij behoorde blijkbaar tot de naaste omgeving van koning Juan II van Castilië (1405-1454) en reisde in 1435-1439 (toen hij dus ongeveer 25 was) rond in Europa, het Midden Oosten, Noord-Afrika en Klein-Azië als een soort ambassadeur van de kroon: overal waar hij komt, wordt hij door de hoogste kringen met de nodige égards behandeld, niet alleen in de christelijke wereld maar ook bij de moslims en de Turken.

 

Genre

 

Een in vijftiende-eeuws Spaans proza geschreven reisverslag.

 

Situering / datering

 

De tekst beschrijft de lange reis die Tafur tussen 1435 en 1439 maakte, maar het is geen echt reisdagboek, want alles wordt verteld door een terugblikkende ik-verteller, wat aanvankelijk (wanneer men dit nog niet doorheeft) soms lichtjes verwarrend is. Blijkbaar werkte Tafur pas jaren later aan de eindversie, tussen 1453 en 1457. Het reisverhaal werd in 1874 uitgegeven in Madrid door Marcos Jiménez de la Espada, die zich baseerde op het enige bekende manuscript, dat bewaard wordt in de bibliotheek van het Colegio Mayor de San Bartolomé de Cienca in Salamanca.

 

Inhoud

 

Eind 1435 vertrekt Tafur per schip vanuit de havenstad San Lucar voor een pelgrimstocht naar het Heilige Land. Onderweg doet hij Italië aan, dat hij weer verlaat op Hemelvaartdag 1436. Hij bezoekt vervolgens Jeruzalem en enkele plaatsen in de buurt, om dan naar Cyprus te varen, waar hij een ‘visum’ krijgt om naar Caïro te reizen. Hij wordt er ontvangen door de sultan, raakt bevriend met diens voornaamste tolk (een in Spanje geboren Jood) en bezoekt de berg Sinaï. Via Cyprus en Rhodos bereikt hij Constantinopel (onderweg overleeft hij een aanval van Moorse schepen en een schipbreuk), waar hij de Oost-Romeinse keizer Johannes VIII Palaeologus ontmoet. Het is ondertussen november 1437.

 

In Turkije wordt hij ontvangen door de Grote Turk, waarna hij twee plaatsen aan de Zwarte Zee bezoekt, Trebizond en Kaffa. Het plan om verder door te dringen in ‘Tartarije’ wordt hem afgeraden, en dus keert hij terug naar Constantinopel. De deprimerende sfeer van een stad in verval, een aantal jaren vóór de overname door de Turken (1453), wordt door Tafurs beschrijving goed getroffen. Op Hemelvaartdag1438 arriveert hij opnieuw in Venetië, waar hij onder meer de ‘Bruiloft van de Zee’ meemaakt. Via Ferrara en Milaan gaat het dan naar Bazel, waar op dat moment een Concilie bezig is. Hij vaart de Rijn af naar Keulen, en via Nijmegen, ’s-Hertogenbosch en Mechelen bereikt hij Brussel, waar de Bourgondische hertog Filips de Goede hem ontvangt. Daarna bezoekt hij Brugge, Atrecht, Gent, Antwerpen en Leuven. Via Keulen gaat het dan naar Mainz, Konstanz, Neurenberg, Breslau, Wenen, Buda en zo terug naar Italië. Op het programma staan daar Padua, Vicenza, Firenze, Pisa en verder Sicilië en Sardinië. Details over de terugreis naar Spanje vernemen we niet, omdat de laatste bladzijde van het handschrift ontbreekt.

 

Thematiek

 

Als in hoge mate betrouwbaar ooggetuigeverslag van een vier jaar lange reis doorheen een aanzienlijk deel van de vijftiende-eeuwse wereld is Tafurs tekst natuurlijk een document van het hoogste cultuurhistorische kaliber: hier kijken we ongegeneerd door de ogen van een laatmiddeleeuwer. ‘The impression left on the reader is one of disorder, violence, suffering and unrest,’ noteert tekstbezorger Malcolm Letts in zijn inleiding. Dat klopt ook wel: gevechten tegen de Moren in Zuid-Spanje en elders, strubbelingen rond de paus en vijandelijkheden tussen steden in Italië, interne twisten bij lokale vorstenhuizen, een Constantinopel in verval, de uitbuiting van christelijke pelgrims en reizigers door de moslims in het Heilige Land, de pest die woedt in Frankrijk (dat Tafur dan ook wijselijk links laat liggen), de verwarring rond het Concilie van Bazel, de verloren eenheid tussen christenen uit Oost en West, agressieve lokale heersers in Duitsland: het is allemaal nogal wat. Eigenlijk vormen Vlaanderen en Brabant met de welvarende steden Brugge, Gent en Antwerpen de enige uitzonderingen: ‘Here, indeed, was a land of promise,’ schrijft Letts. Anderzijds: welke periode in de geschiedenis is ooit helemaal vrij (geweest) van oorlogen, onrust en crisissen?

 

Receptie

 

Blijkbaar schreef Tafur in de eerste plaats voor zijn eigen genoegen en om herinneringen te bewaren. Voor zover wij weten, werd de tekst in zijn eigen tijd weinig verspreid en laatmiddeleeuwse drukken zijn niet bekend. We mogen wel veronderstellen dat Tafur zijn verhaal liet lezen aan personen uit zijn naaste omgeving, en dat waren leden van de hoge Spaanse aristocratie. In die zin kan er hier sprake zijn van ‘hofliteratuur’.

 

Profaan / religieus?

 

Profaan.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

In het verleden hadden we het reisverhaal van Pero Tafur al talloze malen vermeld gezien in onze secundaire lectuur en we snakten er dan ook naar om deze tekst zelf ooit eens van A tot Z te kunnen lezen. Een ooggetuigeverslag van een laatmiddeleeuwer kom je niet elke dag tegen! Maar ja, de moderne uitgave dateert van 1926 en zulke boekjes hebben ze natuurlijk niet in de dorpsbibliotheek van Wuustwezel. Gelukkig kwamen wij op het spoor van de reprint van 2014, een stuk dichter bij huis dus, al moesten wij er toch 75,99 euro voor veil hebben om het door bol.com in onze brievenbus te laten deponeren. Veel geld voor een vrij dun boekje met alleen maar tekst en enkele povere zwartwitafbeeldingen.

 

Het lezen van de Andanças é Viajes is zeker geen tijdverlies geweest, maar toch hadden we er iéts meer van verwacht. Over het algemeen houdt Pero het nogal aan de droge kant en vervalt hij soms in oppervlakkigheden. Dat een laatmiddeleeuwse stad een stevige omwalling, een mooie vestinggracht en redelijk veel (of net redelijk weinig) inwoners heeft, tsja, daar hoef je Tafur niet voor te lezen uiteraard. In de buurt van Jericho gaan Tafur en zijn gezelschap baden op de plek waar de Heilige Johannes Jezus doopte, en een Duitse medereiziger verdrinkt er. ‘Hier baadden we allemaal, en een Duitse heer die tot onze groep behoorde, stierf er de verdrinkingsdood’ [p. 59, ik vertaal alle citaten uit het Engels]. Eén zinnetje is dat. En het volgende zinnetje luidt: ‘Dit is een plek van de grootste heiligheid’ [p. 59]. Op de volgende bladzijde bezoekt men de berg waar Jezus veertig dagen vastte (nog steeds in de buurt van Jericho): ‘Maar toen we aan het klimmen waren, viel een Franse schildknaap die een dame wilde helpen, met het hoofd naar beneden van de berg en hij werd in stukken geslagen op de rotsen beneden, want de klim is heel gevaarlijk.’ Het volgende zinnetje begint met: ‘Toen daalden we weer af…’ [p. 60]. Weer een bladzijde verder klagen Tafur & Co bij de gouverneur van Jeruzalem (een moslim) een legerofficier (ook een moslim) aan die hen onterecht geld wilde aftroggelen: ‘De gouverneur deed meteen onderzoek en veroordeelde de officier tot de dood, en zonder verder gedoe werd zijn hoofd afgehakt’ [p. 61]. Punt.

 

De momenten dat Pero het wat persoonlijker aanpakt, zijn echt heel zeldzaam. In Damiëtta (Egypte) bijvoorbeeld krijgt hij van de plaatselijke gouverneur een krokodillenvel om als geschenk naar de koning van Cyprus te brengen, maar dat vel stinkt verschrikkelijk, waarop Tafur guitig opmerkt: ‘Persoonlijk had ik liever de daar aanwezige knappe dochter van de gouverneur meegenomen in plaats van dat krokodillenvel’ [p. 103]. Veruit de meest persoonlijke passage, die meteen van Tafur een sympathieke persoonlijkheid maakt, is wanneer hij in Sluis, de ‘zeehaven van Brugge’, tijdens de mis benaderd wordt door een vrouw:

 

"Zij nam mij mee naar haar huis in de buurt, en daar toonde ze mij twee jonge meisjes en bood mij degene aan die mij het meest zou behagen. Ik stond perplex en vroeg haar hoe zij zichzelf ertoe kon brengen om zoiets te doen, waarop zij mij vertelde dat zij bijna stierf van de honger en gedurende vele dagen niets anders had gegeten dan enkele kleine vissen. En dat de twee meisjes zouden sterven van hongersnood en dat zij nog maagd waren. Ik bracht de vrouw en de meisjes ertoe een plechtige eed te zweren dat zij nooit meer dat soort contact met om het even wie zouden zoeken. Ik zei dat het nieuwe jaar verbetering in hun lot zou brengen en dat wat ik hen zou geven, voldoende zou zijn om te voorzien in de behoeften van alle drie. Ik gaf de vrouw toen zes Venetiaanse dukaten, en vertrok. De hongersnood was de ergste ooit, en die werd gevolgd door een verschrikkelijke pestepidemie die vele plaatsen verwoestte." [p. 200-201]

 

Dat laatste is dus duidelijk één van de zinnen die pas jaren later, door een terugblikkende ik-verteller werden geschreven. Guitig is Tafur opnieuw wanneer hij in de Alpen in de buurt van Bazel een klooster bezoekt, waar ze warme baden hebben geïnstalleerd:

 

"Ik ging de badinstellingen bezoeken, waar ik een grote samenloop van personen aantrof, zowel zieke mensen als pelgrims die van ver kwamen en een belofte hadden te vervullen. Ze maken er niets uit dat mannen en vrouwen samen naakt baden en het is er de gewoonte om spelletjes te spelen en om een maaltijd te nemen in het water. Ik ontmoette er een dame die op pelgrimstocht was voor haar broer, die gevangen zat in Turkije, en ik gooide regelmatig zilveren munten in het bad, en haar dienstmeisjes doken ernaar en pikten ze op met hun mond. Men kan zich levendig voorstellen wat ze in de lucht staken als ze met hun hoofd naar beneden doken." [p. 185]

 

Deze passage had ik reeds aangetroffen in Amours vénales, het boek van Jacques Rossiaud over prostitutie in de late Middeleeuwen. Ik dacht toen dat het laatste zinnetje een frivole toevoeging was van Rossiaud, maar nee, het is dus Pero Tafur zelf die het uit zijn pen deed vloeien. Vijftiende-eeuwse pikante humor! Een andere passage over baden werd ook reeds vermeld door Rossiaud, wanneer Tafur het namelijk heeft over Brugge:

 

"Ze zeggen dat in die Hala [Tafur bedoelt de lokale Waterhalle, blijkbaar een badstoof] de vrouwen die dat wilden, toelating hadden om als het hen beviel, daar ’s nachts te verblijven, en dat de mannen die daar woonden, een vrouw naar hun keuze mochten meebrengen om met haar naar bed te gaan, op voorwaarde dat niemand zou proberen om haar te zien of om te weten te komen wie zij was, op straffe van de dood. Het baden van mannen en vrouwen samen is hier zo gewoon als bij ons het naar de kerk gaan. Zonder twijfel heeft de godin van de wellust hier veel macht, maar het is geen plek voor arme mannen, want die zouden slecht ontvangen worden. Maar iedereen die geld heeft en het wenst uit te geven, zal in deze stad alles vinden wat de hele wereld produceert." [p. 200]

 

Pero Tafur kon niet alleen sympathiek en frivool zijn, maar soms ook wat losbollig. Alleen al het ondernemen van zo’n lange en niet van gevaren ontblote reis is een beetje onbezonnen, en Pero ontsnapt dan ook enkele keren aan de dood. Maar soms zoekt hij het gevaar zelf op, zoals wanneer hij zich in Jeruzalem verkleedt als een Moor en een plaatselijke moslim omkoopt om hem in het midden van de nacht door te laten dringen in de Moskee van Omar: indien hij toen betrapt was geweest, zou hij het met de dood hebben moeten bekopen.

 

Tafur vertelt veel, maar jammer is dat hij soms niet alles, of te weinig vertelt (naar onze zin althans). In Kaffa aan de Zwarte Zee koopt hij bijvoorbeeld drie slaven, twee vrouwen en een man. Tafur legt uit dat christenen toelating hebben van de paus om dit te doen, want die slaven zijn christenen (onder meer Russen, Bulgaren, Armeniërs enzovoort) en door hen te kopen worden zij gered uit de handen van de Moren en worden zij niet verplicht om moslim te worden:

 

"Ik kocht daar twee vrouwelijke en één mannelijke slaaf, die ik nog altijd heb in Cordoba, samen met hun kinderen. De verkoop gebeurt als volgt. De verkopers doen de slaven zich naakt uitkleden, mannen zowel als vrouwen, zij bedekken hen met een vilten mantel en noemen de prijs. Daarna nemen zij de mantel weg en doen de slaven op en neer lopen om te tonen of zij een lichamelijk gebrek hebben. De verkoper verplicht zich om de prijs terug te betalen, indien de slaaf binnen zestig dagen sterft aan de pest. Wanneer slaven van verschillende nationaliteiten worden verkocht, en er is een Tartaarse man of vrouw bij, dan is de prijs een derde hoger, omdat het als zeker mag beschouwd worden dat een Tartaar nooit een meester zal bedriegen." [p. 133]

 

Christelijke slaven redden uit Moorse handen, allemaal goed en wel, maar helaas geeft Tafur verder geen details over zijn omgang met die slaven en slavinnen, alleen dat hij ze een tijdje achterliet in Venetië, toen hij naar Duitsland en de Lage Landen trok. Vermoedelijk zullen die drie door Tafur wel menselijker behandeld zijn dan wanneer zij in moslimhanden terecht waren gekomen.

 

Iedereen kijkt natuurlijk door zijn eigen bril, en al is – zoals reeds gezegd – de cultuurhistorische waarde van Tafurs reisverhaal zeer, zéér hoog, toch hadden wij soms wat meer verwacht. Dat is bijvoorbeeld duidelijk het geval wanneer Pero ’s-Hertogenbosch bezoekt:

 

"De volgende dag vertrok ik [vanuit Nijmegen] en bereikte ik een grote stad die ’s-Hertogenbosch heet, in Brabant ligt en toebehoort aan de hertog van Bourgondië. Het is een zeer opmerkelijke plaats, ofschoon niet dicht bevolkt. De rivier stroomt op vele plekken de stad binnen, en men kweekt er even veel zwanen als er in Castilië ganzen zijn. Men zegt dat de hertog van Bourgondië ze doet uitdelen onder de mensen, die de vogels dan grootbrengen en er rekenschap over moeten afleggen, en op feestdagen worden ze gegeten en men beschouwt dat als een grote luxe." [p. 192]

 

Interessante informatie toch, over die zwanen, maar het had meer mogen zijn. Jheronimus Bosch kon Tafur uiteraard niet ontmoeten, want die was toen nog niet geboren.

 

-oOo-

 

Om af te ronden nog een aantal zaken die, bekeken door onze bril, het vermelden en onthouden waard zijn. Als hij in de omgeving van Jericho is, meldt Tafur: ‘Ik regelde met een Moor om mij naar de woestijn van Arabië te brengen, drie mijlen verder, waar Johannes de Doper predikte en waar de eerste heremiet, Sint-Antonius, teruggetrokken leefde, net als andere Heilige Vaders’ [p. 59]. Hier is Tafur blijkbaar slecht geïnformeerd, want Antonius leefde als kluizenaar toch een flink stuk zuidelijker in Egypte. Tafur trekt vervolgens naar de Dode Zee, waar hij melding maakt van de fameuze Dode Zee-vruchten. Ze zijn ‘zoals citroenen, en als men ze aanraakt met de vingers, hoe lichtjes ook, dan breken ze en komt er rook uit, en de vieze stank blijft de hele dag aan je hand kleven’ [p. 60]. Dat die vruchten ongewoon groot zouden zijn, zoals andere bronnen beweren, wordt door Tafur niet bevestigd.

 

In het Heilige Land ontmoet Tafur de ontdekkingsreiziger Nicolo de’ Conti, bijna even beroemd als Marco Polo. Nicolo is in Indië geweest en:

 

"Ik vroeg hem of hij ooit monsters had gezien in een menselijke gedaante, zoals sommigen hebben gerapporteerd, dat wil zeggen mensen met maar één been en één oog, of slechts één cubitus hoog, of zo groot als een lans. Hij antwoordde dat hij dergelijke wezens nooit ontmoet had, maar dat hij wel dieren met vreemde vormen gezien had." [p. 92]

 

Diezelfde Nicolo maakt even later melding van ‘kastelen’ die men op olifanten plaatst, welke dieren dan gebruikt worden in de oorlog [p. 92]. Wanneer Tafur in Keulen het schrijn met de lichamen van de Drie Koningen bezoekt, verneemt hij dat een paar dagen eerder een groot mirakel is gebeurd. Men was de kapel met het schrijn aan het voltooien door een grote steen als dakbedekking aan te brengen, maar de steen gleed uit de touwen en dreigde het schrijn te vernielen. Op wonderbaarlijke wijze verplaatste het schrijn echter zichzelf, zodat de steen er net naast viel [p. 191]. Verder zijn er naar verluidt in de Straat van Messina, tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland, sirenen:

 

"Men zegt ook dat er in dit gebied een soort vis is, geschapen als een vrouw boven het middel en als een vis onder het middel, en deze wezens leven in de diepten waar de eerste bewegingen van de wind kunnen waargenomen worden, en als zij de beweging voelen en die is heel sterk, dan weten zij dat er een grote storm op komst is, en dan komen zij naar de oppervlakte van het water terwijl zij een lied zingen. Men vertelt dat het horen van dit lied een zekere dood betekent. Het is een droevig lied dat het lot beweent van hen aan wie zij verschijnen. De dood komt voor iedereen die het hoort, want zij zingen alleen wanneer de storm hevig woedt en niemand kan ontsnappen, tenzij er een mirakel gebeurt." [pp. 231-232]

 

Zelf heeft Tafur zulke zeemeerminnen blijkbaar niet gespot.

 

Voor wie op zoek is naar materiaal rond de visie op homofilie in de Middeleeuwen, is de volgende passage over Constantinopel interessant:

 

"Er was een kerk in Constantinopel, niet zo groot als de Sint-Sofia maar, naar men zegt, veel weelderiger, die gebouwd werd door Sint-Helena omdat zij heel graag haar macht wou tonen. Nabij de ingang waren er enkele erg donkere portalen, en men vertelt dat daar regelmatig personen werden aangetroffen die zich aan sodomie vergrepen, en op een dag viel er een dondersteen uit de hemel die de kerk in vuur en vlam zette, en niemand van degenen die op dat moment die zonde aan het bedrijven waren, werd gespaard. Ze noemden die kerk Valaverna en vandaag is zij zo verbrand dat ze niet hersteld kan worden." [p. 142]

 

Ten slotte nog dit, over een groot plein in Constantinopel:

 

"Aan de andere kant van dit plein is er een badplaats met aan elke zijde en tegenover elkaar deuren. En wanneer een vrouw beschuldigd werd van overspel, dan lieten de rechters haar daarnaartoe brengen en zij moest door de ene deur naar binnen gaan en door de andere weer naar buiten, en als zij onschuldig was, dan passeerde zij zonder schande, maar indien niet dan hieven haar rokken en hemden zichzelf hoog op zonder dat zij het merkte, zodat beneden het middel alles kon gezien worden." [p. 144]

 

Deze praktijk dateert dus niet uit de periode toen Tafur Constantinopel bezocht, maar uit het verleden. De pientere Spanjaard eindigt de anekdote met: ‘Ook in dit geval kan het geen zonde zijn om hieraan te twijfelen.’

 

[explicit 11 juli 2021]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram