Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
Circa 1510
Moderne editie
Geen moderne teksteditie voorhanden
Taal
Middelnederlands

Arent Bosman 1510

 

 

Arent Bosman (anoniem) circa 1510

 

[Geen moderne teksteditie voorhanden. Antwerpen, 1510 (?), Henric Eckert van Homberch. Exemplaar: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, KW 228 E 16]

[NK 2551]

 

 

Auteur

 

Anoniem.

 

Genre

 

Naar de vorm een postincunabel. Naar de inhoud een voorbeeld van religieuze instructie in Middelnederlands proza.

 

Situering / datering

 

Deze tekst beschrijft hoe tussen november 1437 en Hemelvaartsdag 1438 wekelijks een geest verscheen aan Arent Bosman (Arnt Buschmann), een boerenzoon uit Meiderich (bij Duisburg). Deze geest blijkt Arents overgrootvader te zijn (zie hoofdstuk 2: ic ben dijns vaders oudevader ende was geheten henric bosman). In 1444 werd het relaas van Arent Bosman in het dialect van de streek te boek gesteld, waarschijnlijk door een geestelijke, en in hetzelfde jaar nog in het Latijn vertaald door Johannes de Essendia uit Wesel. Van deze Latijnse versie bleven in handschrift en druk Duitse, Deense en Middelnederlandse vertalingen bewaard.

 

De eerste Middelnederlandse gedrukte versie verscheen in 1483 bij Jacob Bellaert te Haarlem (CA 357). Het was de eerste Middelnederlandse incunabel die gebruik maakte van een titelpagina. Verdere bekende Middelnederlandse drukken zijn:

  • Delft, [1487-1488], Jacob Jacobszoon van der Meer of Christiaen Snellaert [Ca-Kron I 355c] (exemplaar: Den Haag, KB, 169 G 89).
  • Delft, 1488, Jacob Jacobszoon van der Meer [Ca 356] (exemplaar: Den Haag, KB, 169 G 88).
  • Antwerpen, 1504, Adriaen van Berghen [NK 0219].
  • Antwerpen, [1510], Henric Eckert van Homberch [NK 2551].
  • [Antwerpen, 1512, Henric Eckert van Homberch] [NK 4201 / 0219bis].
  • Antwerpen, 1520, Henric Eckert van Homberch [NK 478].

Wij raadpleegden en lazen de Antwerpse druk van Henric Eckert van Homberch, die dateert van circa 1510.

 

Inhoud

 

Deze postincunabel bevat 39 hoofdstukken. Hieronder een overzicht van de inhoud, hoofdstuk per hoofdstuk. [1] Op een novemberavond wordt Arent Bosman, een boerenzoon, bedreigd door een agressieve, spookachtige hond. Als Arent een kruisteken maakt, laat de geest hem met rust. De volgende negentien weken verschijnt de spookhond wekelijks één of twee maal. Nog anderen hebben dit gezien: onder meer Arents ouders, een knecht van de boerderij en een karthuizerprior. [2] Arent zoekt raad bij de pastoor en die zegt dat Arent de geest moet bezweren. Als tijdens de vasten de spookhond weer eens verschijnt, bezweert Arent hem en de hond verandert in een mensengedaante die zich bekendmaakt als Henric Bosman, de overgrootvader van Arent. Drie dagen later verschijnt de geest weer in mensengedaante en vraagt om geholpen te worden. Arent vindt echter geen priesters die hem durven bijstaan en de geest keer nog vaak weer, waarbij hij soms het hele huis doet schudden op zijn grondvesten. [3] In Keulen kunnen de ‘doctoren’ (theologen) Arent niet helpen, omdat de geest zijn ‘gebrec’ niet wil openbaren. Op de terugweg naar huis, in Dusseldorf, ontmoet Arent echter een priester in mooie witte kleren die hem aanraadt ’s zondags een mis bij te wonen, wijwater mee te nemen en daarmee de boze geest die Henric Bosman in zijn bedwang houdt, te bezweren. Dan zal Henric zijn ‘gebrec’ kunnen openbaren. Wanneer de witte priester plots verdwenen is, beseft Arent dat het een mirakel van God betreft.

 

[4] Wanneer de geest van Henric Bosman weer verschijnt, verdrijft Arent de boze geest (duivel) met wijwater en nu kan Henric vertellen hoe Arent hem kan helpen: Arent moet dertig missen laten lezen en de armen aalmoezen geven in Keulen, en moet ook twee bedevaarten doen naar Aken. [5] In Keulen laat Arent de missen lezen maar als hij aalmoezen wil uitdelen, merkt hij dat de helft ontbreekt. Terug thuis duidt de geest van Henrich hem echter de dief aan, en deze restitueert berouwvol het gestolen geld. Ook laat de geest Arent de dorpspastoor, die vier van de dertig missen moest lezen, bedanken, want de pastoor had uit mededogen vijf missen gelezen. [6] Een andere gekwelde geest, die ook op het boerenhof rondwaart omdat hij ooit pelgrims onheus behandelde, helpt Arent gestolen geld terug te vinden (dit is een raar, erg onduidelijk hoofdstuk). [7] De geest vertelt Arent dat hij op bedevaart moet gaan naar Aken en dat hij een reisgezel moet meenemen: dit wordt Henrick, de broer van de pastoor en zelf een monnik. Deze Henrick heeft helemaal geen schrik van de geest, zoals wel het geval is bij anderen. [8] Arent en Henrick doen de bedevaart naar Aken, maar worden onderweg (tevergeefs) tegengewerkt door de duivel. Terug thuis vraagt Arent de geest wat men het beste kan doen voor zielen van overledenen. Het antwoord is: missen bijwonen, aalmoezen geven en vasten. En ook: aflaten verkrijgen. [9] De geest vertelt Arent dat hij voor hij stierf, Arents vader goud en zilver had gegeven om daarmee aan liefdadigheid te doen, maar die vader stierf voor hij het geld op die manier had besteed. Daarom verschijnt de geest nu aan Arent, zijn achterkleinzoon. [10] De geest vertelt dat hij zich vlak na zijn dood in de kamer bevond waar zijn vrouw stierf, want daar stalen zijn kinderen zijn geld vanonder het bed. Daar was hij zo rouwig om dat hij zijn leven verkortte met vijf jaren. De geest vertelt ook dat hij gepijnigd wordt om drie redenen. Toen hij twintig jaar was deed hij heel erge onkuisheid en hij heeft dat niet op afdoende wijze gebiecht. Verder verhinderde hij lang het huwelijk van zijn manke zoon met een arm meisje. En ten slotte verzuimde hij geld dat hij bij testament van iemand gekregen had aan aalmoezen te besteden.

 

[11] Arent stelt allerlei vragen die de geest beantwoordt. Hij verscheen aanvankelijk als een hond omdat hij rond zijn twintigste onkuis en zondig leefde als een hond, en niet als een mens. Vanaf zijn dertigste werd hij ijdel en kleedde hij zich opzichtig. Hij bezondigde zich ook aan dobbelen en andere kansspelen. De grootste zondaars zijn naar verluidt moordenaars, dobbelaars, woekeraars, rovers, overspeligen en verder hovaardige en onkuise mensen. Maar alle zonden kunnen door God vergeven worden, als ze gebiecht worden. Priesters die ’s zondags geen biecht willen horen, maken God zeer boos, alsof Hij een tweede keer zou gekruisigd worden. [12] Zolang niet alle missen gelezen zijn, zwijgt de geest, maar daarna keert hij weer in mensengedaante en spreekt hij weer. De geest zegt dat zielen die hun zonden uitgeboet hebben, alle talen verstaan en alles weten. Arent vraagt hem waar de ziel van zijn grootvader is. De geest zegt dat hij niet alles mag vertellen, tenzij God het wil, maar dat de ziel van Arents grootvader in het vagevuur is. Zij die op het einde van hun leven biechten en berouw hebben, zullen bij het Laatste Oordeel niet van God gescheiden worden, maar zij zullen wel (blijkbaar daarvoor, dus vóór het Laatste Oordeel) hun zonden moeten uitboeten in het vagevuur. [13] De geest voelt zich zwak worden en bidt vervolgens samen met Arent. Als Arent vraagt waarom hij gepijnigd werd, legt de geest uit dat het was omwille van zijn hovaardigheid en zijn gebrek aan eerbied tijdens de mis, toen hij nog leefde. Hij was rijk, werkte en danste en dobbelde op zondagen en werd daarvoor tijdens zijn leven al gestraft door allerlei tegenslag, zodat hij arm werd. [14] De geest raadpleegde de pastoor en die zegde dat al dat ongeluk kwam doordat de geest werkte en speelde om gewin op de zondagen. Toen de geest berouw kreeg en biechtte, werd hij weer rijk. Die pastoor was een heilige, maar priesters die het slechte voorbeeld geven, zullen worden gepijnigd.

 

[15] De volgende dag vertelt de geest dat hij over twee dagen naar de hemel mag vertrekken. Arent schenkt de geest twee dagen aflaat (verdiend toen hij met zijn paard twee pelgrims over een water zette), zodat deze niet langer gepijnigd wordt, maar hij moet nog wel wachten tot alle missen gelezen zijn. [16] De geest somt een aantal (kleine) zonden op die Arent begaan heeft, en zegt dat het belangrijk is deze te biechten. Het is ook belangrijk de penitentie correct te volbrengen en goede werken te doen, anders moet men zijn zonden uitboeten in het vagevuur. [17] De geest vertelt Arent dat hij vóór zijn dood wel het H. Oliesel heeft ontvangen, maar hij kon niet biechten, omdat zijn zonden hem verhinderden te spreken. [18] De geest vertelt dat Ghijsbrecht, de pastoor die hem op zijn sterfbed bediende, nu ook in het vagevuur lijdt, omdat hij vaak zondigde. Hij kan echter geholpen worden met missen, aalmoezen en aflaten. [19] De geest vertelt dat hij na zijn dood in opdracht van zijn kinderen werd opgeroepen door een nicht die aan ‘wichelen’ deed, maar de duivel nam de aardse gedaante van de geest aan en bedroog de nicht, door haar goede werken te laten doen en na een jaar te zeggen dat hij nu in de hemel was. Daardoor deden de kinderen geen goede werken meer om het lijden van de geest te verminderen, maar hij haalde nog wel voordeel uit hun gebeden en uit de missen die zij bijwoonden. [20] Volgens de geest zijn missen goed voor de ziel als zij opgedragen worden door priesters die niet zondigen, en het is ook goed om tijdens de mis geld te offeren. [21] Arent blijft de geest maar vragen stellen. Nu over diens nicht die aan ‘wichelie’ deed. Zij kon ‘witte vrouwen’ of ‘helhonden’ oproepen, dat zijn verstoten geesten en duivels die de mensen lastig vallen. Omdat zij dat deed, moet de ziel van de nicht nu lijden in het vagevuur. [22] De geest vertelt over geesten die op aarde na hun dood moeten lijden omwille van hun zonden. Soms gaan ze dan naar de hel, soms naar de hemel. Sommige geesten kunnen mensen ook kwaad doen, bijvoorbeeld hun kinderen doden of hen ziek maken. [23] God laat dit toe, omdat sommige mensen de zondagen en de ‘aposteldagen’ niet eerbiedigen. Wie gezondigd heeft en deze zonden niet biecht, komt in de hel terecht.

 

[24] De geest verdwijnt dan en zegt dat hij over drie dagen zal terugkeren. Ondertussen zal een engel hem hel, vagevuur en hemel laten zien. Arent moet zijn ene oog afbinden. Wanneer de geest na drie dagen weer verschijnt, is hij zo helder en lichtgevend dat Arents niet verbonden oog tien dagen blind blijft. [25] De geest legt uit dat hij nu gekleed is in ‘de witte kleren van de eeuwige vreugde’. Hij heeft eerst alle pijnen (in hel en vagevuur) aanschouwt, en daarna de vreugden van de hemel. Ook de verdoemde zielen moeten eerst de hemelse vreugde aanschouwen, alvorens zij in de hel terechtkomen. [26] In de hemel bevinden de zielen zich hoger of lager, al naargelang hun verdiensten op aarde. [27] De geest zegt dat het Arent tot profijt zal strekken dat deze hem geholpen heeft. Hij waarschuwt ook voor het gebruik van toverboeken, want wie die gebruikt, zal verdoemd zijn. [28] Nog steeds reagerend op vragen van Arent legt de geest uit dat het beter is te huwen, dan in een orde te treden en dat niet vol te houden. Akkerlieden kunnen ook in de hemel komen, als ze de tien geboden maar eerbiedigen. Rovers, moordenaars en krijgslieden worden het zwaarste getraft. [29] Normaal had de geest zijn zonden moeten uitboeten in het vagevuur, maar op voorspraak van Maria en Sint-Jakob de Meerdere (die hij tijdens zijn leven speciaal vereerd had) mocht hij zijn zonden uitboeten als geest op aarde, gekweld door slechts één duivel. [30] De geest zou liever tot de Dag des Oordeels in het vagevuur branden dan nog eens te moeten sterven. Geestelijke personen die zich bezondigd hebben aan hoogmoed, hebzucht en onkuisheid en daar geen berouw over hadden, zullen zwaar gepijnigd worden. Wanneer de Antichrist en het Laatste Oordeel zullen komen, kan de geest niet zeggen. [31] Arent vraagt een medicijn voor een lichamelijke kwaal, maar de geest zegt dat het belangrijker is dat de ziel gezond is. Is de ziel gezond, dan zal die bij het Laatste Oordeel een gezond lichaam krijgen, hoe ziek of hoe oud het lichaam ook was. [32] De geest geeft raad omtrent het hebben van een gezonde ziel: een gewoonte maken van goed en deugdzaam leven.

 

[33] De geest zegt dat hij bijna afscheid moet nemen. Hij zal eerst naar het aards paradijs gaan, daar tien dagen vertoeven en dan de hemel binnentreden. Hij vertelt ook over een landbouwer en een weduwe die Arent kent: die twee zijn nu beiden in de hemel. [34] Arent zegt dat hij aanvankelijk schrik had van de geest en daarom een bedevaart naar Compostella beloofd had om Sint-Jakobs hulp af te smeken. Moet hij die bedevaart nu nog doen? De geest zegt dat alleen de paus zulk een bedevaart kan kwijtschelden, dus Arent moet zijn belofte waarmaken. [35] De geest geeft nog wat advies omtrent het vasten. Men moet ook niet lang slapen in zonden en ’s morgens vroeg naar de mis gaan, want Jezus wachtte ook niet op de zon om geboren te worden en zijn Passie te ondergaan. [36] De mens moet de Tien Geboden onderhouden, en faalt hij daarin dan moet hij biechten en penitentie doen. Om zich te beschermen tegen de duivel moet de mens ’s morgens een kruisteken maken en bidden. Dan ontstaat er een groot onweer. De geest legt uit dat God vertoornd is, omdat een man zelfmoord heeft gepleegd en een vrouw haar eigen kind heeft vermoord. Een weduwe die Arent kent, is ziek geworden, maar de geest zegt dat ze nog langer zal leven, omdat ze met gebeden, aalmoezen en missen het lijden van 19 zielen heef ingekort. [37] De geest vertelt Arent dat hij al deze dingen moet onthouden om aan andere mensen te leren hoe zij tot God kunnen komen. God zal er naar verluidt voor zorgen dat hij leert schrijven. [38] De geest vertrekt naar de hemel. Dit gebeurde op Ons-Heer-Hemelvaart en Arents ene oog dat blind was, bleef nog blind tot Pinksteren. Daarna zag hij beter met dat oog dan met het andere. Het volk van de boerderij voerde Arent naar huis, nadat de geest vertrokken was. [39] In dit boek is niet uitvoerig beschreven wat de geest zag tijdens de drie dagen dat hij hel, vagevuur en hemel bezocht, omdat dit al uitvoerig beschreven is in een ander boek, namelijk dat van de ridder Tondalus. De hier beschreven verschijningen van de geest begonnen op Sint-Maartensavond en eindigden op Ons-Heer-Hemelvaartdag.

 

Thematiek

 

Pleij [2007: 200] brengt de tekst onder bij de zogenaamde ‘visioenliteratuur’ en plaatst hem in de traditie van werken als Dantes Goddelijke Komedie, Tondalus’ Visioen en Sint-Patricius’ Vagevuur (het laatste hoofdstuk van de tekst verwijst overigens naar het visioen van Tondalus). (Van) Arent Bosman is weliswaar slechts een bescheiden specimen van dit genre, maar was blijkbaar toch een succes op de drukpers rond 1500. Pleij noteert: ‘Het zijn zeker niet alleen de beoogde griezeleffecten die het schrijven, lezen, voorlezen en beluisteren van deze teksten beheersen. De visioenliteratuur voorziet tevens in een aantrekkelijke gids voor beter leven op aarde’. Dit is zeer correct. Zoals uit de samenvatting van de inhoud reeds gebleken is, bestaat het grootste deel van de tekst uit vragen van Arent Bosman die door de geest beantwoord worden. Deze vragen en antwoorden betreffen zonder uitzondering het hiernamaals (hel, vagevuur, hemel) en zijn erop gericht adviezen te verstrekken in verband met een goed, christelijk leven op aarde: men moet de zonden vermijden, veel bidden, aalmoezen geven, missen bijwonen en bedevaarten doen, zodat men uiteindelijk in de hemel belandt. Anders komt men in het vagevuur, of in het allerergste geval, voor eeuwig in de hel terecht. Arent Bosman lijkt op die manier heel sterk te functioneren als een soort catechismus die voortdurend bekommerd is om het heil van de menselijke ziel. Het spookverhaal waarbinnen dit alles gekaderd wordt, fungeert hierbij als overdrachtelijk glijmiddel, om de aandacht van de lezer/luisteraar gaande te houden.

 

Receptie

 

Stadsliteratuur. Verbanden met Haarlem, Delft en Antwerpen.

 

Profaan / religieus?

 

Manifest stichtelijk-religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

In sommige hoofdstukken komt het betoog wat verwarrend en soms zelfs onverstaanbaar over. Ook met de chronologie van de gebeurtenissen lijkt soms gegoocheld te worden. Om vast te stellen of dit te wijten is aan een zwakke vertaling (uit het Duits of uit het Latijn), zou men de Middelnederlandse druk(ken) moeten vergelijken met de anderstalige versies. Wij hebben zulk een vergelijkend onderzoek niet uitgevoerd. Overigens, zelfs afgezien van deze minpunten blijft het geheel een erg eenvoudige, om niet te zeggen naïeve indruk maken. Een intellectueel hoogstaand publiek wordt hier zeker niet aangesproken.

 

Geraadpleegde lectuur

 

  • J. Deschamps, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken. Tentoonstellingscatalogus (Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I, 24 oktober – 24 december 1970), Brussel, 1970, pp. 230-233 (cat. nr. 84).
  • Yves G. Vermeulen, ‘Tot profijt en genoegen’ – Motiveringen voor de produktie van Nederlandstalige gedrukte teksten 1477-1540. Wolters-Noordhoff/Forsten, Groningen, 1986, pp. 8 / 71.
  • Carl Lindahl, John McNamara en John Lindow (red.), Medieval Folklore – An Encyclopedia of Myths, Legends, Tales, Beliefs and Customs. Volume II: L-Z, ABC-Clio, Santa Barbara (Cal.) – Denver (Col.) – Oxford (Engeland), 2000, p. 809.
  • Eric De Bruyn, De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch – De symboliek van de Hooiwagen-triptiek en de Rotterdamse Marskramer-tondo verklaard vanuit Middelnederlandse teksten. Proefschrifteditie, Adr.Heinen, ’s-Hertogenbosch, 2001, p. 266.
  • Herman Pleij, Het gevleugelde woord – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2007, p. 200.

 

[explicit 8 januari 2020]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram