Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1569 / 1580
Moderne editie
Nico de Glas (vert.), "Van Adam tot Antwerpen - Een bloemlezing uit de Origines Antwerpianae en de Opera van Johannes Goropius Becanus", Verloren, Hilversum, 2014
Taal
Latijn

Origines Antwerpianae / Opera

(Johannes Goropius Becanus) 1569/1580

[Bloemlezing: Nico de Glas (vert.), Van Adam tot Antwerpen. Een bloemlezing uit de Origines Antwerpianae en de Opera van Johannes Goropius Becanus. Verloren, Hilversum, 2014, 447 blz. = Becanus ed. 2014]

[Biografie: Eddy Frederickx (+) en Toon van Hal, Johannes Goropius Becanus (1519-1573). Brabants arts en taalfanaat. Verloren, Hilversum, 2015, 336 blz. = Frederickx/Van Hal 2015]

 

Auteur

 

Johannes Goropius Becanus (de gelatiniseerde naam van Jan van Gorp van Beek – Beek was en is de normale afkorting van Hilvarenbeek) werd geboren in het Brabantse Hilvarenbeek op 23 juni 1519. In Hilvarenbeek bezocht hij de Latijnse kapittelschool en hij voltooide zijn humaniora bij de Broeders van het Gemene Leven te ’s-Hertogenbosch. In 1536 (17 jaar oud) schreef hij zich in als student van de Leuvense universiteit en in 1539 promoveerde hij tot licentiatus artium (licentiaat in de vrije kunsten). Hij doceerde in Leuven een tijd filosofie en legde zich vanaf 1545 toe op de studie van de genees- en wiskunde. Als geneesheer was hij bijzonder succesvol en zijn relaties reikten tot de hoogste adellijke en zelfs koninklijke kringen. Hij vestigde zich in Antwerpen waar hij in 1562 huwde met Catharina de Cordes, die uit een vermogende familie stamde. Zij schonk hem naast rijkdom ook twee dochtertjes, Catharina en Isabeau. Hij overleed in Maastricht op 28 augustus 1573.

 

Frederickx en Van Hal [2015: 171] kenschetsen hem als volgt: ‘Een bourgondische brabander, gevierd arts, hongerig naar kennis. Een bevlogen spraakwaterval, polyglot en globetrotter. Met de neus in de boeken – met beide voeten in het heden. Ziet de eenheid door de diversiteit. Geëngageerd religieus, zij het op een onconventionele manier. Eerzuchtig, maar niet zonder zelfspot. Een kleurrijk renaissancefiguur’.

 

Genre

 

Twee in het Latijn geschreven etymologisch-historiografische traktaten.

 

Situering / datering

 

De Origines Antwerpianae, sive Cimmeriorum Becceselana werd gedrukt te Antwerpen door Christoffel Plantijn in 1569. De Opera Ioan. Goropii Becani verscheen postuum te Antwerpen bij Christoffel Plantijn in 1580.

 

Inhoud / thematiek

 

De Origines omvat meer dan duizend pagina’s verdeeld over negen boekdelen. De Opera omvat nog eens meer dan duizend bladzijden, verdeeld over zes boekdelen. Becanus ed. 2014 biedt een weliswaar omvangrijke, maar nog altijd slechts zeer gedeeltelijke, in het Nederlands vertaalde bloemlezing uit beide werken. Een samenvatting per boekdeel van beide werken wordt gegeven in Frederickx/Van Hal 2015: 261-274 (Origines) / 274-287 (Opera). Becanus geeft zelf een synopsis van zijn Origines: zie hiervoor Becanus ed. 1914: 41-44.

 

Superbondig en een beetje kort door de bocht samengevat komen Becanus’ theorieën erop neer dat Adam en Eva in het Aards Paradijs Nederlands (zeg maar: Antwerps, Becanus zelf heeft het over ‘Cimbrisch’) spraken. Na de Zondvloed en de Babelse spraakverwarring bleef die oertaal alleen bewaard bij Japhet, de enige zoon van Noach die bij zijn vader bleef. Japhets zoon Gomer was de stamvader van de Gommerii of Cimmerii (of Cimbri), die volgens Julius Caesar samen met de Teutones de voorouders waren van de Atuatuken. En deze Atuatuken zouden Antwerpen gesticht hebben.

 

Goropius erkent zelf dat hij zijn gedachten zonder grondige voorbereiding lukraak neerpende [2015: 93], en dat is er dan ook heel vaak aan te merken: het eindresultaat is een enorme stream of consciousness die bol staat van de eindeloze uitweidingen [2015: 94]. De vraag of Becanus, ondanks zijn sporadische onmiskenbare ironie en zelfspot, zijn eigen bevreemdende stellingen ernstig nam, moet bevestigend beantwoord worden: Becanus’ teksten vergden te veel tijd en geld om voor een lang uitgesponnen grap te kunnen doorgaan en naar eigen zeggen werd hij af en toe tijdens zijn onderzoek door tranen overmand, als hij weer eens een revolutionaire vondst meende gedaan te hebben [2015: 96]. Bloemlezer en vertaler Nico de Glas noteert: ‘Het hele reusachtige oeuvre van Goropius is doortrokken van zijn passie voor etymologische ontdekkingen. Opgewonden dwaalt hij rond door talenland als een kind door sprookjesland, en zijn “ontdekkingen” worden steeds met veel aplomb en trots gepresenteerd’ [ed. 2014: 14].

 

Receptie

 

De Origines werd uitgegeven door de gerenommeerde Antwerpse drukker Christoffel Plantijn maar het was geen bestseller: Plantijns boekhouding maakt melding van 80 verkochte exemplaren, waarvan er slechts vier verkocht werden in de jaren volgend op de verschijningsdatum (1569) [2015: 76]. De Opera verkocht nog slechter: bij de lancering vonden slechts drie exemplaren een koper (in 1642 had de drukkerij wel nog maar 11 exemplaren in voorraad) [2015: 81]. Bovendien zal niet iedereen die de boeken kocht, ze ook helemaal of zelfs maar gedeeltelijk gelezen hebben, en toch werd Becanus in heel Europa berucht en blijkt dat sommigen hem effectief uitvoerig bestudeerd hebben [2015: 175]. Becanus had daarbij voor- en tegenstanders. Positief tegenover zijn theorieën stonden onder meer Christoffel Plantijn, de Antwerpse geograaf Abraham Ortelius, de Hollandse humanist Hadrianus Junius, de Hongaarse arts en polyhistor Johannes Sambucus, en de geleerden Andras Masius, Stephanus Vinandus Phigius, Benito Arias Montano en Cornelis Kiliaan. In 1569 schreef Phigius nochtans aan Masius, omtrent de Origines: ‘Het grote aantal al te gezochte etymologieën en de ettelijke ellenlange uitweidingen storen vele lezers’ [2015: 183].

 

Tegenstanders waren er in elk geval ook. In 1576 schreef de Leidse humanist Josephus Scaliger omtrent de Origines: ‘Nooit heb ik grotere onzin gelezen, nooit heb ik zo’n aperte onbezonnenheid gezien of gehoord’ [2015: 192].  De Franse stergeleerde Isaac Casaubon ervoer Becanus’ etymologieën als ronduit lasterlijk [2015: 197]. Hoewel hij niet volledig onwelwillend tegenover Becanus stond, creëerde de Duitse wetenschapper Gottfried Wilhelm Leibniz (+1716) het neologisme goropiseren als omschrijving voor ‘het bedenken van kolderieke etymologieën’ [2015: 203]. Tegenwoordig is Becanus nagenoeg vergeten: ‘Bij wie de naam nog wel een belletje doet rinkelen, begint spontaan te lachen’ [2015: 216]. In 2007 werd voor de eerste maal de annual Johannes Goropius Becanus award (kortweg: Becky) uitgereikt, ‘awarded to people or organizations who have made outstanding contributions to linguistic misinformation’ [2015: 215].

 

Profaan / religieus?

 

In essentie profaan, met religieuze elementen.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Rond 1970 is Eddy Frederickx enkele jaren mijn leraar Grieks geweest op de middelbare school (hij gaf ook Latijn, antieke cultuur en tijdens de middagpauzes bijles Esperanto). Eddy Frederickx is zonder enige twijfel de beste leraar geweest die ik ooit gehad heb. Natuurlijk wisten wij allemaal dat hij bezig was aan een doctoraat over de Antwerpse humanist Johannes Goropius Becanus en toen hij in 1973 maxima cum laude promoveerde, waren wij en de hele school vreugdevol en trots. Theo, de toenmalige schoolportier en manusje-van-alles van het Merksemse Sint-Jan Berchmanscollege, deed in die tijd naar verluidt de hilarische uitspraak: ‘Eindelijk is het gedaan met pleisters plakken op bloedende knieën en ellebogen, want we hebben nu een échte dokter op school!’ Een drietal jaren heb ik Eddy Frederickx nog mee mogen maken als collega (ik hoor hem nog zeggen: ‘Zeg maar Eddy, hoor’, toen ik hem in die hoedanigheid de eerste keer tegenkwam en hem gewoontegetrouw ‘meneer Frederickx’ noemde). Tot Eddy ons in augustus 1981 veel te vroeg ontviel ten gevolge van een smartelijk ongeval, toen hij op vakantie was in Oostenrijk.

 

Dat Eddy’s proefschrift nooit werd uitgegeven, heb ik altijd raar gevonden, ofschoon ik het ook wel een beetje meende te begrijpen: het was inderdaad een nogal extravagant onderwerp dat hij behandeld had. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik enkele jaren geleden vernam dat de Nederlandse uitgeverij Verloren Eddy’s proefschrift alsnog postuum zou uitgeven. We moesten nog wachten tot 2015 eer het zover was, en kregen er toen meteen een bloemlezing-in-vertaling uit de werken van Becanus bij. Dat Eddy’s proefschrift werd uitgegeven, klopt niet helemaal, want Toon Van Hal, een Leuvense classicus, heeft dat proefschrift grondig bewerkt en aangevuld, waardoor de tekst uit 1973 natuurlijk een stuk frisser, relevanter en rijker is geworden. Overigens blijkt nu hoe onbetrouwbaar het menselijke geheugen vaak kan zijn, want ik was er tot voor kort heilig van overtuigd dat Eddy Frederickx ons in één van die bevlogen momenten tijdens zijn lessen toen het weer eens over Becanus ging, had verteld dat volgens Becanus het Aards Paradijs op de Antwerpse linkeroever zou gelegen hebben en dat de naam Adam etymologisch afgeleid zou zijn van het (op zijn Antwerps uitgesproken) ‘aard-man’. Twee keer foute boel, want noch het ene noch het andere heeft Becanus ooit beweerd. Er blijft echter nog genoeg over om het eens te kunnen zijn met Van Hal wanneer hij schrijft: ‘Een lezer uit de eenentwintigste eeuw heeft het moeilijk om de ernst te bewaren bij het lezen van Goropius’ etymologische brouwsels’ [2015: 149].

 

Toon Van Hal en vertaler-bloemlezer Nico de Glas verdienen in elk geval een pluim van het allerhoogste kaliber voor het ongetwijfeld vaak moeizame en tijdrovende werk dat zij met hun biografie en bloemlezing verricht hebben. Mensen van slechte wil zouden wellicht durven aanmerken dat de uiteindelijk toch op niet veel meer dan dwaasheden berustende theorieën van Becanus al die aandacht en moeite niet verdienen, en helemààl ongelijk hebben ze misschien niet. Of de doelstelling, ‘zowel de verwachtingen van het ruimere geïnteresseerde publiek als die van de professionele navorser inlossen’ [2015: 11] bereikt is, moet elke lezer voor zichzelf uitmaken. Ikzelf heb in elk geval aan deze twee ferme boekdelen het nodige leesplezier beleefd (Becanus en ik gaan dan ook way back, zie supra) en nutteloos is de lectuur zeker ook niet geweest, getuige daarvan de volgende dingen die mij opgevallen zijn als onthoudenswaard.

 

De Antwerpenaren, ‘die toch ook vandaag nog blaken van zelfbewustzijn’, zijn Becanus totaal vergeten: er is zelfs geen steegje naar hem vernoemd [2015: 214]. Met 66 drukkers telde Antwerpen de helft van het totale aantal drukkers in de Nederlanden in de eerste helft van de zestiende eeuw [2015: 38]. Becanus beklemtoont dat de inwoners van Antwerpen (en bij uitbreiding van de Nederlanden) de reputatie hadden allemaal vlot meertalig te zijn [2015: 105]. In de dedicatie van de Origines aan de raad en het volk van Antwerpen biedt Becanus een één pagina lange lof op Antwerpen: hij noemt de stad onder meer een paradisus voluptatis (een paradijs voor de zinnen/van de wellust) en dit is misschien de reden dat sommigen verkeerdelijk menen dat Becanus het aards paradijs in Antwerpen had gelokaliseerd [ed. 2014: 45-46]. In Boek I (Atuatica) schrijft Becanus iets dat perfect op hemzelf van toepassing is: ‘Ja, als je de fantasten eenmaal de vrije hand geeft, dan is het eind zoek’ [ed. 2014: 52]. De naam Schelde betekent volgens Becanus ‘scheiding’ (de grens tussen Gallië en Germanië) [ed. 2014: 53-55].

 

Volgens Becanus zond Godfried van Bouillon na de verovering van Jeruzalem de voorhuid van Christus naar Antwerpen. Volgens de vertaler werd deze voorhuid echter door een engel aan Karel de Grote geschonken. Hij verwijst naar een (ernstig) boek uit 2005 waarin 32 plaatsen in Europa worden opgesomd waar men het Sacrum Praeputium vereerde [ed. 2014: 61-62]. Soms snijden Becanus’ etymologieën echt wel hout: zo verklaart hij de naam Antwerpen als ‘liggend aan de werp’ en een werp is een door mensenhand gecreëerd uitstekend stuk land in het water. Een mooi argument hiervoor zijn de plaatsjes Oldenwerp en Neuwerp in Pommeren, beide gebouwd op een dam (tegenwoordig Altwarp en Nowe Warpno aan het Stettiner Haff) [ed. 2014: 63]. ‘Donk’ (Wilmarsdonk, Ekeren-Donk) duidt volgens Becanus op een woonplek in een drassige omgeving die dikwijls overstroomt, en dat is correct [ed. 2014: 71].  De naam van mijn geboorteplaats Merksem (mark + heim) verklaart hij dan weer als ‘grens van de woonplaats’, terwijl dat toch eerder ‘grensplaats’ zou moeten zijn, zoals hijzelf een aantal regels verder schrijft [ed. 2014: 78/80]. Grappig is dat Becanus de lof zingt van het bier van Hoegaarden [ed. 2014: 83]: kunnen ze dat niet gebruiken voor een reclamecampagne? Iets dat ik niet begrijp: ‘Bij ons wordt Priapus onder zijn andere naam Ters aangeroepen. Als je die naam andersom leest, geeft hij exact de functie van de Ithyfallus weer, en deze bijzonderheid verraadt dat hij van de oudste Cimbren stamt’ [ed. 2014: 84]. Sret? Becanus geeft hiervan geen verdere verklaring. Merkwaardig: Becanus weet niet waar het woord ‘Geuzen’ vandaan komt, ‘hoewel we er overal naar geïnformeerd hebben’ [ed. 2014: 107].

 

In Boek II (Gigantomachia, De Reuzenstrijd) heeft Becanus het over de vraag of er ooit ergens reuzen hebben bestaan. Hij heeft het dan onder meer ook over de reuzen die volgens de bijbel (Genesis) zouden bestaan hebben vóór de Zondvloed. Becanus interpreteert de ‘zonen van de mensen’ als de nakomelingen van Kaïn en de ‘zonen van God’ als de nakomelingen van Seth. Het Hebreeuwse woord nephelim heeft volgens hem niets met reuzen te maken maar betekent ‘vallenden’, dus: zij die in zonde vervallen. Becanus noteert nog: ‘Vroeger werd er druk geciteerd uit en gediscussieerd over wat Mozes zegt van de omgang tussen engelen en mensen, waaruit de Giganten zouden zijn geboren, maar ik geloof dat dit idee onderhand uitgeroeid is en dat ik er dus gerust over kan zwijgen’ [ed. 2014: 134/158]. In Boek V komt Becanus nog eens terug op de ‘zonen van de mensen’ en de ‘zonen van God’ [ed. 2014: 247-248].

 

Op het einde van Boek III (Niloscopium) een zeldzame persoonlijke noot en een verwijzing naar de godsdiensttroebelen: ‘Buiten heerst de totale anarchie, waar de ziel nergens rust kan vinden. Laat ons dus blijven bij onze studies. Zij alleen kunnen, behalve God, mijn trieste gedachten verdrijven en de bittere smaak van deze tijd verzachten met een wonderlijke zoetheid’ [ed. 2014: 185]. Volgens Becanus was de boom waar Adam en Eva de verboden vrucht van aten, de Indische vijgenboom [ed. 2014: 240]. Volgt nog een hele uitleg waarom God daar precies de vijg voor koos [ed. 2014: 244-246]. Een leuk citaatje: ‘Is er ook maar één inwoner van Antwerpen denkbaar, die nooit van de hoeren gehoord heeft? Niemand, niemand! Misschien een enkeling, een lieveling van de rechtvaardige Jupiter, die op vleugels van een vurige deugd naar een hogere wereld is opgevoerd’ êd. 2014: 247].

 

Uit de Opera leren we dat wijnhandelaren wijnkruiken met klimop bekransten om aan te geven dat het goede wijn was en dat klimopranken ook wel aan de puien van wijnkoperijen gehangen werden [ed. 2014: 348]. Een klimopkrans duidt erop dat er wijn te koop is [ed. 2014: 362]. Zeer leerzaam ook: het boek Hieroglyphica IV begint met een voorrede van Christoffel Plantijn, waarin deze meedeelt dat hij na de aanval van Josephus Scaliger op Becanus de laatste drie jaar meer exemplaren van de Origines heeft verkocht dan tijdens de acht jaren daarvoor [ed. 2014: 410].

Overigens: wie zin zou hebben om de volledige tekst van de Origines en de Opera te lezen, kan dat tegenwoordig dankzij internet (hortus-linguarum.be).

 

[explicit 21 januari 2016, gelezen: zomer 2015]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram