Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
Vóór 1529
Moderne editie
W.J.A. Jonckbloet en W.L. van Helten (eds.), "Nieuwe Refereinen van Anna Bijns, benevens enkele andere rederijkersgedichten uit de XVIe eeuw", Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen - 4e reeks - nr. 6, Gent, 1886
Taal
Middelnederlands

Nieuwe Refereinen van Anna Bijns (Anna Bijns) vóór 1529

[Teksteditie: W.J.A. Jonckbloet en W.L. van Helten (eds.), Nieuwe Refereinen van Anna Bijns, benevens enkele andere rederijkersgedichten uit de XVIe eeuw. Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen – 4e reeks – nr. 6, Gent, 1886 = Bijns ed. 1886]

[Coigneau B]

 

Genre

 

Een verzameling van 112 rederijkersgedichten, waarvan er 110 refreinen zijn [Coigneau I 1980: 57].

 

Auteur

 

De Antwerpse schooljuffrouw en rederijkster Anna Bijns (1493-1575) [Coigneau I 1980: 58-59].

 

Situering / datering

 

Dit handschrift dat als ‘hs. 2166’ in de Gentse universiteitsbibliotheek bewaard wordt, staat bekend als het zogenaamde ‘handschrift B van Anna Bijns’. In 1886 bezorgden Jonckbloet en Van Helten een uitgave van 94 van de 112 gedichten die het handschrift bevat. De 18 overige gedichten komen namelijk ook voor in de gedrukte bundels van Anna Bijns en werden uitgegeven in Bijns ed. 1875 (zie aldaar). Bovendien komen 38 van de refreinen uit Bijns ed. 1886 ook voor in het zogenaamde ‘handschrift A’ (Brussel, K.B., hs. 19.547) [zie Bijns ed. 1902].

 

Handschrift B werd waarschijnlijk voltooid in de loop van het jaar 1529. Zie voor al deze gegevens Coigneau I 1980: 57-58 / 65.

 

Inhoud / thematiek

 

Naast zeven zotte refreinen bevat deze verzameling voornamelijk vroede en amoureuze refreinen. Deze laatste behandelen niet alleen de liefdesvreugde maar ook (en vooral) het liefdesverdriet.

 

Receptie

 

Manifest stadsliteratuur. Het betreft hier rederijkersgedichten van een Antwerpse dichteres en schooljuffrouw. Verband met Antwerpen. Er lijkt ook een nauw verband te bestaan met de Antwerpse minderbroeders [vergelijk onder meer Pleij 2007: 376 en Pleij 2011].

 

Profaan / religieus?

 

Een mengeling van religieuze en profane elementen.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Herman Pleij, Anna Bijns, van Antwerpen (2011)

[Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2011, 399 blz. = Pleij 2011]

 

In Anna Bijns, Van Antwerpen biedt de Amsterdamse mediëvist Herman Pleij een synthetiserend overzicht van het leven, het werk en de cultuurhistorische achtergrond van de Antwerpse schooljuffrouw en rederijkster Anna Bijns (geboren in 1493, op 82-jarige leeftijd gestorven in 1575, nooit getrouwd geweest). Pleij wordt al decennia lang geboeid door Bijns en heeft over haar eerder reeds in een aantal boeken en artikelen geschreven, maar deze keer heeft hij in zijn tekst alle recente nieuwe gegevens en gezichtspunten omtrent de dichteres verwerkt, ook al gaat het daarbij meer dan eens om hypothesen, en niet om vaststaande feiten. Als er al één ding duidelijk blijkt uit deze nieuwe monografie, dan is het in elk geval Pleij’s grote vertrouwdheid met het voornamelijk uit rederijkersrefreinen bestaande oeuvre van Bijns, ongetwijfeld het resultaat van een jarenlange en telkens weer hernieuwde omgang met de primaire teksten (die vanaf 1875, 1886 en 1902-03 in moderne edities bereikbaar waren). Het stelt hem in staat om niet alleen de (vrij gemakkelijk te detecteren) grote thematische lijnen van dit oeuvre vast te stellen, maar ook om voortdurend meer gedetailleerde kruisverwijzingen in te lassen en bij alles wat gezegd wordt, toepasselijke citaten te hanteren.

 

Over Anna Bijns’ leven is niet zo veel met zekerheid geweten. We weten wanneer en waar ze leefde, dat ze een schooltje had en haar leven lang ongehuwd bleef, dat ze rederijkersteksten schreef en verder leren we haar uit Pleij’s monografie kennen als ‘een zeer zelfstandige vrouw die sterk aanwezig was in het openbare leven, actief deelnam aan de georganiseerde rederijkerij, over een aanzienlijk netwerk van geestelijken en leken beschikte, professionele contacten onderhield met diverse Antwerpse drukkers en klaarblijkelijk langdurig aan de liefde leed’ [p. 338]. Over die professionele contacten met Antwerpse drukkers staat overigens, behalve wat over haar eigen gedrukte bundels geweten is, weinig onomstotelijk vast en wanneer Pleij Anna Bijns herhaaldelijk [pp. 184/214/219/236] persoonlijk contact laat hebben met de Antwerpse drukker Jan van Doesborch, dan is dat ook niet meer dan een hypothese, al noteert de auteur op pagina 236 dat dit ‘wel vast staat’. Hetzelfde geldt voor het veronderstelde contact van Anna met de Antwerpse rederijkerskamer De Goudbloem [p. 182], voor de vraag of de dichtende Jan Bijns in een gedrukt boekje van 1495 Anna’s vader was [p. 342] en voor de kwestie of het bij het vijftienjarige meisje dat in het gezelschap van Antwerps rederijkers in Brussel in 1512 een prijs won met een Maria-lof, al dan niet om Anna Bijns ging (Anna was immers in 1512 reeds 18 à 19 jaar oud) [p. 342].

 

Onmiskenbaar is wel dat Anna’s refreinen twee grote thema’s bevatten. Enerzijds zijn er de amoureuze gedichten (naar verluidt niet minder dan een kwart van haar bewaarde oeuvre: 48 refreinen) die vooral bestaan uit liefdesklachten rond een minnaar die haar bedrogen heeft. Volgens Pleij uit het (hààr) leven gegrepen, al menen sommige auteurs dat het hier ook om een literair spel zou kunnen gaan. Het feit dat Anna heel haar leven ongetrouwd is gebleven en de opvallende aanwezigheid van dit thema in haar werk lijken Pleij nochtans gelijk te geven. En anderzijds zijn er de vroede, voornamelijk tegen Luther en de protestanten gerichte verzen, waarin zij niet ophoudt vanuit conservatief-katholiek perspectief en op bijzonder fanatieke wijze af te geven op de religieuze nieuwlichters in de zestiende eeuw. Deze scheldrefreinen hebben ertoe geleid dat sommigen Anna Bijns beschouwden en beschouwen als een ‘hyperkatholiek viswijf dat geprobeerd had om de reformatie de nek om te draaien’ [p. 334], maar Pleij laat er geen twijfel over bestaan dat voor hem Anna Bijns onze meest talentvolle rederijk(st)er was en is (een stelling die wij moeiteloos kunnen bijtreden, ook al zit er tussen het koren heel wat kaf en zelfherhaling): ‘Anna Bijns behoort tot de grote schrijvers van de Nederlandse letterkunde, en onder de vrouwelijke auteurs spant ze zelfs de kroon. Nooit is er fraaier gescholden op rijm dan door haar, en nimmer werd er hartstochtelijker aan de liefde geleden dan in haar refreinen’ [pp. 332-333]. Terecht maakt Pleij ook korte metten met de Hollandse feministes van de Anna Bijns Stichting die in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Anna Bijns een soort dolle-mina-avant-la-lettre wensten te zien [p. 339] en spreekt hij schande van het feit dat aan Anna Bijns nauwelijks aandacht werd geschonken toen Antwerpen in 1993 culturele hoofdstad van Europa was, en dat terwijl Anna precies 500 jaar daarvoor geboren werd [p. 340].

 

Dat Pleij’s biografie zo fors is uitgevallen, ondanks onze beperkte kennis van Anna’s leven, kan misschien verwondering wekken. Het uit 8 hoofdstukken bestaande boek is dan ook geen echte biografie. Alleen in het eerste hoofdstuk gaat het over Anna’s leven en het tweede en derde hoofdstuk behandelen de twee grote thema’s van haar werk (liefde & Luther). De daaropvolgende hoofdstukken richten de aandacht echter veeleer op de cultuurhistorische context van Bijns’ werk, en daarbij wordt uitgebreid gefocust op het Antwerpen van de zestiende eeuw, zodat een breed cultuurhistorisch panorama ontstaat waarin respectievelijk onder meer de Antwerpse rederijkers, drukkers en minderbroeders en de houding tegenover vrouwen, het onderwijs en het dagelijkse leven in Antwerpen aan bod komen. Het achtste en laatste hoofdstuk concentreert zich ten slotte op Anna’s dood en begrafenis en op de latere receptie van haar werk.

 

Op die manier is Pleij erin geslaagd een boeiend boek te schrijven waarin men niet alleen kan kennismaken met de figuur van Anna Bijns en met de grote en minder grote lijnen van haar oeuvre, maar ook met de stad en de cultuur waarin zij leefde. Dat Pleij een vlotte verteller is, zowel oraal als op papier, wisten we al langer. Nochtans bevat zijn tekst regelmatig nogal wat overbodige herhalingen, zoals ook Jozef Janssens vaststelde in een voor het overige zeer positieve en welwillende recensie in de Standaard der Letteren [25 november 2011] en houdt hij (maar ook dat wisten we al langer) blijkbaar meer van breed geschilderde, weliswaar levendige maar soms toch ook wat naar wolligheid neigende panorama’s dan van concrete analyses op de vierkante centimeter. Op dit kenmerk van zijn stijl wordt Pleij nogal brutaal gewezen door Guus Middag in zijn recensie in NRC van 30 september 2011: ‘Er zit sowieso veel herhaling, en ook veel lucht, in de stijl van Pleij. Hij houdt van omhaal, wijdlopigheid, rondzingen, met veel academisch aandoend vertoon. ( … ) Herman Pleij is de man van het grote gebaar. Hij voelt zich duidelijk beter op zijn gemak als het om brede cultuurhistorische perspectieven mag gaan. Om de sfeertekening van het leven in een drukke middeleeuwse stad, bijvoorbeeld – met volop mogelijkheid tot interessante en levendige uitweidingen, over van alles en nog wat’.

 

In dat verband moet ons van het hart dat wij niet zo opgezet zijn met de wijze waarop ook in deze monografie met bibliografische verwijzingen wordt omgegaan. Die staan per hoofdstuk en paragraaf samengeplakt achteraan in het boek, wat het voor de lezer een stuk moeilijker maakt om na te gaan welke referenties precies bij welke uitspraken horen. Veel correcter, maar toegegeven: voor het brede publiek misschien minder handig, is het gebruik van voetnoten of eindnoten, waarbij telkens waar dat nodig is, heel duidelijk wordt aangegeven waar men zijn mosterd vandaan heeft. Het flodderige van de ook hier door Pleij gehanteerde ‘Verantwoording’ achteraan viel ons des te meer op, omdat we nu Jozef Janssens’ Spiegel van de Middeleeuwen (2011) aan het lezen zijn, waarin wél gebruik wordt gemaakt van eindnoten: weliswaar veel storender voor de leesact, maar voor de geïnteresseerde lezer wel zo correct en wetenschappelijk veel verantwoorder. En nu we toch aan het zeuren zijn, nog één klein stukje detailkritiek: dat Pleij in zijn behandeling van Anna Bijns’ refreinen over Luther niet één keer vermeldt dat zij het regelmatig heeft over ‘de otter’ in plaats van over Luther omdat ‘luter’ in het Latijn otter betekent, vinden wij merkwaardig voor een synthetiserend boek als dit.

 

In elk geval: ondanks de sporadische herhalingen en wolligheden, hebben wij Anna Bijns, van Antwerpen met veel plezier gelezen. En de lectuur van Pleij’s secundaire tekst heeft ons aangezet om Anna Bijns’ primaire teksten nog eens te gaan herlezen. Zoiets blijven wij beschouwen als een compliment van jewelste. [explicit 18 maart 2012]

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Coigneau I 1980: Dirk Coigneau, Refreinen in het zotte bij de rederijkers – Deel I. Secretariaat van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 1980, pp. 57-64.
  • Pleij 2007: Herman Pleij, Het gevleugelde woord – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2007, pp. 370-381.

[explicit 6 augustus 1994 / 10 juni 2016]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram