Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1558-60
Moderne editie
R.J. Resoort (ed.), "Een schoone historie vander borchgravinne van Vergi - Onderzoek naar de intentie en gebruissfeer van een zestiende-eeuwse prozaroman", Middeleeuwse Studies en Bronnen - deel IX, Verloren, Hilversum, 1988, pp. 253-294
Taal
Middelnederlands

Een schoone historie vander borchgravinne van Vergi

(anoniem) 1558-60

[Kritische teksteditie: R.J. Resoort (ed.), Een schoone historie vander borchgravinne van Vergi. Onderzoek naar de intentie en gebruikssfeer van een zestiende-eeuwse prozaroman. Middeleeuwse Studies en Bronnen – deel IX, Verloren, Hilversum, 1988, pp. 253-294 = De borchgravinne van Vergi ed. 1988]

 

Genre

 

Een zestiende-eeuwse gedrukte prozaroman. De term historie in de originele titel suggereert dat het gaat om een waargebeurd verhaal.

 

Auteur

 

Anoniem.

 

Situering / datering

 

De oudste versie van deze prozatekst werd gedrukt te Antwerpen door de Weduwe Van Liesveldt in 1558-60 [Resoort 1988:247]. Het unieke exemplaar (nu: Washington, Library of Congress) behoorde tot de beruchte Arenberg-collectie en is pas in 1960 vrijgekomen voor wetenschappelijk onderzoek. Er is ook nog een jongere druk bekend: Amsterdam, Otto Barentsz. Smient, 1648 (uniek exemplaar: Den Haag, K.B.). En er is ook nog een versie bewaard gebleven in een zestiende-eeuws handschrift (Brussel, K.B., het zogenaamde handschrift-Prims, uit de jaren 1593-94). De proza-Vergi is gebaseerd op een Middelnederlandse rijmversie die dicht bij de in het handschrift-Van Hulthem bewaarde tekst moet gestaan hebben.

 

Inhoud

 

De plot is grotendeels dezelfde als in de veertiende-eeuwse berijmde versie die we kennen uit het handschrift-Van Hulthem (vergelijk De borchgravinne van Vergi ed. 1985, ed. 1997 en ed. 1999). De burggravin van Vergi, het gehuwde nichtje van de hertog van Bourgondië, heeft een geheime liefdesrelatie met een knappe ridder (met het hondje in de boomgaard als liefdesboodschapper). Als de ridder de verleidingspogingen van de hertogin afwijst, beschuldigt deze laatste de ridder valselijk van ongewenste intimiteiten. Als de hertog echter door de ridder op de hoogte wordt gebracht van diens geheime relatie met zijn nicht, begrijpt hij dat zijn vrouw gelogen heeft. Om zijn vrouw, die niet begrijpt dat hij de ridder vriendelijk blijft behandelen, te sussen, verklapt de hertog het geheim aan zijn vrouw die vervolgens tijdens een hofdag tegenover de burggravin een toespeling maakt op diens geheim. De burggravin denkt dat de ridder hun geheim verraden heeft en pleegt zelfmoord, waarna de ridder zich doodt met zijn zwaard. De hertog, van de ware toedracht op de hoogte gebracht door een hofdame die ziek in een kamer lag en alles gehoord heeft, doodt vervolgens de hertogin.

 

Hier en daar kent de plot kleine wijzigingen (de toevoeging van een steekspel in het begin, de hertog slaat de hertogin niet de schedel in maar onthoofdt haar, de hertog vertrekt niet op kruisvaart, de burggravin en de ridder worden niet samen begraven), maar er zijn ook twee belangrijke aanpassingen: het verhaal wordt deze keer regelmatig onderbroken door rederijkersrefreinen (die ontleend zijn aan bestaande bronnen, onder de meer de verzamelingen van Jan van Doesborch en Jan van Stijevoort, en voorkomen op sterk emotioneel geladen momenten van het verhaal, zie Resoort 1988: 244) en de thematiek is totaal anders dan in de veertiende-eeuwse rijmversie.

 

Thematiek

 

Terwijl de veertiende-eeuwse rijmversie een profaan-hoofse thematiek behandelde waarbij de burggravin en de ridder fungeren als de (sympathiek voorgestelde) slachtoffers van een gebrek aan geheimhouding (het bekende helen), is de thematiek in de zestiende-eeuwse druk sterk stichtelijk-religieus gekleurd. Het hele verhaal fungeert nu als een waarschuwing tegen de zonde van het overspel. Het woord ‘overspel’ staat reeds op de titelpagina en wordt meteen in de eerste zin van de proloog aangebracht: Die sonde vanden overspele daer dese historie af spreken sal, is een sonde sonderlinghe van God gheplaecht [ed. 1988: 253 (regels 5-6)]. De ‘naproloog’ is expliciet gericht tot de overspeelders en op het einde van het verhaal wordt nogmaals expliciet gewaarschuwd: Laet ons bidden om deewighe blijschappe daer nemmermeer lijden noch verdriet en sal sijn ende laet schouwen dat overspel ende siet wat deerlijcker jammer ende moort door dat overspel gheschiet is [ed. 1988: 290 (regels 1346-1348)]. Vooral de refreinen in de proloog wijzen er uitvoerig op dat de dood onverwacht komt en dat men vóór die tijd orde op zaken moet hebben gesteld. De auteur van de druk besteedt verder niet alleen meer aandacht aan de gehuwde staat van de burggravin, maar ook aan de beschrijving van feesten, danspartijen, maaltijden en drinkgewoonten dan de auteur van de rijmversie, omdat hij de associatie van deze dingen met ‘aardse ijdelheden’ wilde benadrukken [Resoort 1988: 242].

 

Receptie

 

Deze te Antwerpen gedrukte tekst behoort tot de laatmiddeleeuwse stadsliteratuur, wat extra benadrukt wordt door de opvallende aanwezigheid van rederijkersrefreinen. Door de aangepaste thematiek (zie hierboven) fungeren de burggravin van Vergi en haar ridder als negatieve zelfbeelden naar de lezer toe in een stichtelijke, religieuze context die wil aantonen dat uiteindelijk de liefde tussen God en de mens de enige liefde is die werkelijk telt, en God altijd bereid is de zondaar te vergeven op voorwaarde dat hij oprecht berouw toont en om vergeving vraagt [Resoort 1988: 241-242]. Volgens Resoort [1988: 251] behoorden de geïntendeerde lezers van prozaromans tot de welgestelde burgerij, de clerus, wellicht ook gedeeltelijk tot de adel en in toenemende mate ook tot de jeugd.

 

Dankzij het gedrukte boek en het leesonderwijs konden jongeren vanaf ongeveer 1500 ook buiten de school zelfstandig gaan lezen, wat door contemporaine opvoeders als een risico werd gezien (op het lezen van ‘foute’ boeken). Resoort [1988: 243-246] is van mening dat door de aangebrachte veranderingen de prozaversie geen gevaar opleverde voor de zestiende-eeuwse jeugd (de druk van 1558-60 werd trouwens goedgekeurd door de overheid) en dat het verhaal, met zijn sterke zedelijke inslag, vooral gericht was op een jonger publiek en zelfs geschikt was voor gebruik op school [Resoort 1988: 244]. In hun recensies van Resoort 1988 blijken noch Hummelen, noch Coigneau veel geloof te hechten aan dit gesuggereerde schoolgebruik van de proza-Vergi. Hummelen [1990: 326] signaleert dat prozaromans in het begin van de zeventiende eeuw inderdaad op scholen gelezen werden, maar: ‘Of dat veertig jaar eerder ook al het geval was en tevens geldt voor Vergi? Een extensief onderzoek levert maar weinig aanwijzingen op’. Coigneau [1991: 393/395] stelt dat de proza-Vergi zich in de eerste plaats tot overspeligen en dus gehuwden richt en dat het seksuele aspect in de relatie van ridder en burggravin toch wel erg wordt geaccentueerd.

 

Profaan / religieus?

 

Een oorspronkelijk profaan verhaal dat nu fungeert als stichtelijk-religieus exempel.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Dat de Vergi-druk van 1558-60 bedoeld zou zijn voor schoolgebruik, zoals Resoort hypothetisch stelde, lijkt ons weinig waarschijnlijk. Weliswaar werd het boek door de overheid goedgekeurd en is het geheel veilig ingebed in een stichtelijke moraal, maar het is toch opvallend dat de erotische scènes gedurfder en pikanter worden verwoord dan in de rijmversie, ook al maakt de auteur hierbij gebruik van typisch zestiende-eeuwse eufemismen en metaforen, in de trant van ‘de bloempjes der natuur plukken’, ‘vechten en worstelen’, ‘amoureuze kruiken die veel drank storten’, ‘vrolijk rosieren’, ‘het kauwke horen zingen’, ‘vriendschap van elkaar begeren’ en ‘de venusbrand blussen’. Pleij [2007: 523] merkt terecht op dat er een zekere dubbelheid gemoeid is met dit moraliserend waarschuwen tegen zondigheid (vooral ook als het om onkuisheid gaat): ‘Maar hoe harder (bewerkers en drukkers) waarschuwen, hoe meer de potentiële klant geïntrigeerd kan raken door de kennelijk wel heel riskante inhoud’. Het is een dubbelheid die zeker ook aanwezig is in de schilderijen van een Jeroen Bosch: enerzijds volkomen correct de zondigheid afkeuren, maar ze anderzijds en tegelijkertijd in geuren en kleuren beschrijven!

 

Ten slotte ook nog deze kleine opmerking. Men leest links en rechts [meest recent nog bij Pleij 2007: 521] dat de burggravin in de Middelnederlandse rijmversie (Hulthem) geen zelfmoord pleegt, maar overlijdt aan een gebroken hart. Wij hebben nooit ingezien waarom het géén zelfmoord zou zijn, en krijgen nu gelijk van de auteur van de proza-Vergi die immers schrijft: Na al dat clagen so is die borchgravinne gaen liggen opt bedde en wranc de armen onder haer borstkens so sterckelijc dat si versticte ende doode so haer selven in sulcker desperatien ende brant der liefden [ed. 1988: 289 (regels 1300-1303)].

 

Geraadpleegde lectuur

 

Luc. Debaene, De Nederlandse Volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse prozaromans, gedrukt tussen 1475 en 1540. Antiquariaat “Merlijn”, Hulst, 1977 (onveranderde herdruk van Antwerpen, 1951), pp. 36-41.

R.J. Resoort, Een schoone historie vander borchgravinne van Vergi. Onderzoek naar de intentie en gebruikssfeer van een zestiende-eeuwse prozaroman. Middeleeuwse Studies en Bronnen – deel IX, Verloren, Hilversum, 1988 [= Resoort 1988].

W.M.H. Hummelen, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, deel 106 (1990), nr. 4, pp. 320-327 [recensie van Resoort 1988].

Dirk Coigneau, in: Spektator, jg. 20, nr. ¾ (december 1991), pp. 391-395 [recensie van Resoort 1988, nogmaals gepubliceerd in: Spektator, jg. 21 (1992), nr. 1, pp. 71-74].

Herman Pleij, Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560. Bert Bakker, Amsterdam, 2007, pp. 520-523.

 

[explicit 27 april 2013]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram