Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
XIVd
Moderne editie
Nevill Coghill (vert.), "Geoffrey Chaucer - The Canterbury Tales - Translated into modern English", Penguin Classics, Harmondsworth (Middlesex), 1972
Taal
Middelengels

The Canterbury Tales

(Geoffrey Chaucer) XIVd

[Teksteditie Middelengels: Larry D. Benson e.a. (eds.), The Riverside Chaucer. Oxford, 1987 (3), pp. 23-328 = The Canterbury Tales ed. 1987]

[Teksteditie modern Engels: Nevill Coghill (vert.), Geoffrey Chaucer. The Canterbury Tales. Translated into modern English. Penguin Classics, Harmondsworth, 1972 (1ste editie: 1951) = The Canterbury Tales ed. 1972]

[Nederlandse vertaling: Ernst van Altena (vert.), Geoffrey Chaucer. De Canterbury-verhalen. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien. Ambo-klassiek, Baarn, 1995 = The Canterbury Tales ed. 1995]

 

Inleiding

 

Canterbury is een vriendelijk provinciestadje, gelegen tussen Dover en Londen en gebouwd aan weerszijden van een schattig riviertje (de Stour). Canterbury is de hoofdstad van de Church of England (de anglicaanse kerk dus) en wordt gedomineerd door haar kathedraal, de zetel van de aartsbisschop. Kort na 597 werd een eerste versie van deze kathedraal gebouwd door Sint-Augustinus (niét de kerkvader!), die vanuit Rome naar Canterbury kwam om aan de Angelsaksen het christendom te prediken. Augustinus werd de eerste aartsbisschop van Engeland (toen nog katholiek en niet protestants-anglicaans uiteraard).

 

De bekendste aartsbisschop van Canterbury is echter ongetwijfeld Thomas Becket (1120-1170), die op 29 december 1170 in de kathedraal vermoord werd door vier ridders van koning Henry II Plantagenet. De koning en de aartsbisschop waren goede vrienden maar hadden een meningsverschil over de vraag of geestelijken onder het kerkelijk dan wel het wereldlijk recht vielen. Op een bepaald moment moet de koning – in een slechte bui – iets gezegd hebben in de trant van ‘who will deliver me from this low-born clerk!’ en de vier ridders interpreteerden dit al te letterlijk: om de koning te plezieren staken ze Thomas neer. Deze werd in zijn eigen kathedraal begraven, waarna al zeer snel een aantal mirakelen plaatsgrepen (het eerste zes dagen na de moord). Twee jaar later, in 1172, werd Thomas dan ook reeds heilig verklaard en Canterbury werd een bedevaartsoord.

 

Dit laatste gegeven speelt een centrale rol in wat algemeen als het meesterwerk van de Middelengelse literatuur wordt beschouwd: The Canterbury Tales, geschreven door Geoffrey Chaucer (ca. 1342-1400) tijdens de laatste decennia van de veertiende eeuw. In rijmende verzen (enkele gedeelten in proza niet te na gesproken) beschrijft Chaucer hoe een dertigtal pelgrims (waaronder hijzelf) op bedevaart gaan van Londen naar Canterbury. Om de tijd te doden spreken zij af om onderweg elk vier verhalen te vertellen, twee op de heenreis en twee op de terugreis. Normaal zou dit dus geleid hebben tot zo’n 120 verhalen, maar Chaucer stierf vóór hij het werk kon voltooien. Het resultaat is dat er slechts 24 verhalen zijn: 20 volledige, 2 onafgewerkte en 2 die met opzet door de pelgrims onderbroken worden, omdat zij het verhaal in kwestie vervelend vinden. Eén van de twee vertellers die de mond gesnoerd worden, is overigens Chaucer zelf (wat bewijst dat de man zin voor humor had).

 

Ondanks het onvoltooide karakter worden The Canterbury Tales zoals gezegd toch algemeen beschouwd als hét hoogtepunt van de Middelengelse literatuur en zelfs als één van de drie werken die je moet gelezen hebben om de middeleeuwen echt te kunnen begrijpen (de andere twee zijn Dante’s La Divina Comedia en de Roman de la Rose van de Fransen Guillaume de Lorris en Jean de Meun). Chaucer geeft ons een prachtig beeld van de middeleeuwse maatschappij, omdat alle sociale klassen (van molenaar en schipper tot ridder en monnik) vertegenwoordigd zijn, en bovendien past elk verhaal perfect bij het karakter van degene die aan het vertellen is. Wanneer men Chaucer leest, dan heeft men vaak de indruk dat men luistert naar een moderne auteur, wat vrij zeldzaam is in het geval van teksten uit de middeleeuwen. Dat komt niet alleen omdat een aantal van Chaucers verhalen erg pikant en gewaagd zijn, maar ook omdat zijn schrijfstijl aantrekkelijk is en zijn boek heel wat humor en goedmoedigheid bevat. In de Uitleiding zal nader ingegaan worden op de vraag of men The Canterbury Tales met recht tot de literatuurcanon mag rekenen. Hieronder wordt echter eerst elk verhaal van de Tales apart samengevat en besproken.

 

General Prologue [Fragment I, Group A, vs. 1-858]

 

“In april, wanneer zoete regenbuien de maartse droogte doordringen, verlangen de mensen om op pelgrimstocht te gaan, onder meer naar Canterbury, naar het graf van de H. Thomas Becket. De auteur bevindt zich in The Tabard, een herberg in Southwark (ten zuiden van Londen), en staat op het punt om samen met een dertigtal andere pelgrims naar Canterbury te vertrekken. Deze medereizigers worden vervolgens uitgebreid één voor één voorgesteld en beschreven. De auteur kondigt dan aan dat hij een nauwkeurig verslag zal schrijven van deze pelgrimstocht en verontschuldigt zich op voorhand voor het soms ruwe taalgebruik dat een aantal van de reizigers in de mond nemen. Na het avondmaal stelt de waard van de herberg voor om mee te reizen en bovendien heeft hij een idee om onderweg de verveling te verdrijven: elke pelgrim moet vier verhalen vertellen, twee op de heenweg en twee op de terugweg, en wie het beste verhaal vertelt, krijgt bij de terugkeer een gratis maaltijd aangeboden. Iedereen vindt dit een aardig voorstel en ’s anderendaags, kort na het vertrek, worden strootjes getrokken om de eerste verteller aan te duiden: het is de ridder.”

 

The Knight’s Tale [Fragment I, Group A, vs. 859-3.108]

 

Deel 1

 

“Nadat hij het rijk van de Amazones heeft veroverd, keert hertog Theseus terug naar zijn vaderstad Athene, samen met Hippolyta (de Amazonekoningin die zijn vrouw is geworden) en haar zuster Emily. Onderweg komt hij een groep huilende vrouwen tegen die erover klagen dat koning Creon (die hun stad, Thebe, heeft veroverd) hen niet wil toelaten om de beenderen van hun verslagen echtgenoten te begraven. Zij roepen Theseus’ hulp in. Deze laatste vertrekt onmiddellijk naar Thebe en verslaat Creon. Op het slagveld worden achteraf twee Thebaanse prinsen gevonden. Theseus laat hen als krijgsgevangenen naar Athene overbrengen en is van plan hen nooit meer vrij te laten. De prinsen zijn twee neven: Arcita en Palamon.

Op een dag krijgt Palamon vanuit het raam van zijn gevangenistoren de wondermooie Emily in het vizier en hij wordt meteen verliefd op haar. Arcita ziet haar echter eveneens en ook bij hem is het liefde op het eerste gezicht. De twee neven maken klinkende ruzie over de vraag wie nu de minnaar van Emily mag worden: Palamon voert aan dat hij haar als eerste zag, terwijl Arcita stelt dat hij het meisje liefheeft als een menselijk wezen (Palamon dacht namelijk eerst dat het om de godin Venus ging).

Het toeval wil dat een tijd later Arcita wordt vrijgelaten, dankzij de voorspraak van een oude vriend die goed overeenkomt met Theseus. Hij wordt echter wel verbannen en zal gedood worden, als hij ooit nog naar Athene terugkeert. Hij klaagt erover dat hij nu nooit meer in staat zal zijn Emily terug te zien en stelt dat Palamon gelukkiger is dan hijzelf, omdat deze laatste Emily nog elke dag vanuit zijn gevangenis kan zien. Palamon denkt echter op zijn beurt dat Arcita de gelukkigste is, omdat deze een oorlog zal kunnen beginnen tegen Theseus, en als hij deze oorlog wint, zal hij Emily kunnen huwen.”

 

Het thema van dit verhaal is duidelijk: de strijd om de liefde (twee mannen beminnen één en dezelfde vrouw). Bovendien is dit een verhaal over ridders, verteld door een ridder. ‘Ridderlijkheid’ (zeg maar: hoofsheid) is dus een tweede belangrijk thema en op die manier is het onderwerp van dit verhaal een weerspiegeling van het karakter van de verteller (Theseus helpt de huilende vrouwen onmiddellijk, hij verslaat Creon op een ridderlijke wijze, Palamon beschuldigt Arcita ervan geen waardige ridder te zijn omdat deze laatste de vrouw wil beminnen die Palamon éérst beminde, en de twee neven worden beiden verliefd op het eerste gezicht, wat typerend is voor de ‘hoofse liefde’ in de middeleeuwen).

 

Chaucer was een uitstekende verzenschrijver, iets wat je eigenlijk pas echt kan appreciëren als je talloze andere middeleeuwse epische teksten hebt gelezen, die vaak vol stoplappen en onduidelijke passages zitten. Het hierboven samengevatte eerste deel bevat – verborgen tussen de (talrijke) regels – zelfs een dot van een liefdesgedichtje, dat ook in de modern-Engelse versie van Nevil Coghill nog klinkt als een ruisend beekje en niet moet onderdoen voor het talent van een Shakespeare:

“And with a deep and piteous sigh he said:

‘The freshness of her beauty strikes me dead,

Hers that I see, roaming in yonder place!

Unless I gain the mercy of her grace,

Unless at least I see her day by day,

I am but dead. There is no more to say.’”

 

Het merkwaardige vers 887 heeft overigens met zijn prachtige beeldspraak altijd al onze aandacht getrokken. De ridder zegt dat hij een stuk van zijn verhaal wil overslaan, omdat hij nog een groot veld te bewerken heeft en het bewuste vers luidt dan: And wayke been the oxen in my plough. In de hertaling van Coghill klinkt het zo mogelijk nog mooier: Weak are my oxen for such mighty stuff. Ernst van Altena vertaalde: God weet dat ‘k nog een zeer groot veld moet ploegen / En ‘k kan mijn ossen niet méér laten zwoegen. Het zal wel aan onze perverse geest liggen, maar dat vers roept bij ons steeds het beeld op van een man die net is klaargekomen bij een prachtig geschapen vrouw, die echter onverzadigbaar is en nóg meer wil: mijn ossen zijn te zwak om zulk een drassig veld te ploegen …

 

Deel 2

 

“Gedurende twee jaren leeft Arcita in ellende en verdriet, tot hij op een dag bezocht wordt door de god Mercurius, die hem beveelt naar Athene terug te keren. Arcita vertrekt, vermomd als arbeider, en wordt slaaf aan het hof van Theseus waar hij een zeer goede indruk maakt. Na nog eens twee jaren wordt hij voor drie jaar de kamerdienaar van Theseus. Zeven jaar na de vrijlating van Arcita ontsnapt Palamon uit zijn gevangenis. Hij verbergt zich buiten Athene, waar hij toevallig Arcita tegenkomt. Ze beginnen opnieuw ruzie te maken over Emily en besluiten de volgende ochtend te duelleren. ’s Anderendaags worden de duellerende neven echter betrapt door Theseus: zij vertellen hem wie zij zijn en vragen om gedood te worden. Theseus staat op het punt dit verzoek in te willigen, maar de koningin, haar zuster Emily en de hofdames smeken om genade. Theseus schenkt de twee jongemannen dan vergiffenis en draagt hen op over een jaar terug te keren met honderd ridders voor een veldslag die zal beslissen wie er met Emily mag huwen.”

 

In de passage over het Lot (Fortuna) (p. 64 in de Penguin-hertaling) hebben we te maken met de typisch middeleeuwse vermenging van christelijke godsdienst en antieke mythologie.

 

Deel 3

 

“Theseus laat een enorm stadion bouwen, met tempels voor Venus, Mars en Diana. Op een zondag arriveren de twee legers. Palamon bidt in de tempel van Venus, Emily in die van Diana en Arcita in die van Mars. Diana laat Emily weten dat zij met één van de twee ridders zal moeten huwen. Palamon en Arcita vernemen beiden dat hun gebed verhoord zal worden en dat zij de overwinning zullen behalen. In de hemel is er ruzie tussen Mars en Venus, maar de oude en wijze Saturnus belooft Venus dat haar Palamon zal overwinnen.”

 

Deel 4

 

“Op de ochtend van de veldslag besluit hertog Theseus dat er geen dodelijke wapens mogen gebruikt worden en dat de gewonden niet mogen gedood worden, om een bloedbad te vermijden. De veldslag begint en uiteindelijk wordt Palamon zo erg gewond dat hij het slagveld moet verlaten. Arcita is dus de overwinnaar, maar terwijl hij een ronde door het stadion maakt, schiet Pluto vanuit de onderwereld een bliksem naar boven. Arcita’s paard schrikt en werpt zijn berijder op de grond: hij is zwaar gewond en sterft. Enkele jaren later zoekt het Parlement van Athene een middel om de Thebanen in bedwang te houden, en daarom wordt Palamon naar Athene geroepen om uiteindelijk toch met Emily te huwen.”

 

The Knight’s Tale is een vrije, sterk bekortende bewerking van Boccaccio’s Il Teseida delle nozze d’Emelia [Het verhaal van Theseus betreffende het huwelijk van Emelia], geschreven rond 1339-41. Chaucers versie kan beschouwd worden als een middeleeuwse ridderroman met filosofische inslag. Een ridderroman (chivalric romance) is een fictief avonturenverhaal, vaak met bovennatuurlijke elementen, over beroemde koningen en ridders, geschreven in de volkstaal. Deze koningen en ridders gaan een strijd aan om een vrouw te behagen die het voorwerp is van hun hoofse liefde. De pseudohistorische stof van deze verhalen komt uit drie bronnen: de geschiedenis van Griekenland en Rome, de geschiedenis van Frankrijk en de geschiedenis van Engeland. The Knight’s Tale speelt zich af in het oude Griekenland.

 

Het verhaal van de ridder past uitstekend bij het karakter van zijn verteller die volgens de Algemene Proloog een zeer gedistingeerd en wijs man is. Uit The Miller’s Prologue, die onmiddellijk op dit verhaal aansluit, blijkt dat de andere pelgrims, maar vooral de edelen onder hen, de geschiedenis van Arcita en Palamon verheven en onthoudenswaard vinden. Op ons maakt het verhaal van de ridder echter een bijzonder saaie, naïeve, oninteressante en verwarde indruk, vooral in de laatste twee delen. Niets wijst er nochtans op dat Chaucer de ridder wou voorstellen als een weinig spirituele liefhebber van loze verhaaltjes over vrouwen en vechten. Het is wel zeer waarschijnlijk dat Chaucer een nog onvoltooide bewerking van de Teseida had klaarliggen en dat hij deze verder afgewerkt heeft om ze in zijn Canterbury Tales in te passen. Interessant om weten is dan dat de Teseida 9.904 verzen telt, en de Knight’s Tale ‘slechts’ 2.249: dit verklaart niet alleen de manifeste oppervlakkigheid van Chaucers bewerking, onder meer op het psychologische vlak (geen enkel personage weet het medeleven van de lezer op te wekken), maar laat ook vermoeden dat het origineel van Boccaccio nog een stuk langdradiger moet zijn. Al met al vormt dit eerste verhaal van The Canterbury Tales niet echt een ideale binnenkomer. Wellicht besefte Chaucer dit zelf ook, en zette hij daarom als tegendosis het verhaal van de molenaar op de tweede plaats.

 

The Miller’s Prologue [Fragment I, Group A, vs. 3.109-3.186]

 

“De waard vraagt de monnik of hij een verhaal wil vertellen dat even goed is als dat van de ridder, maar hij wordt brutaal onderbroken door de dronken molenaar Robin, die erop staat dat hij zijn verhaal éérst mag vertellen. Chaucer verontschuldigt zich bij de lezer voor het ontuchtige verhaal dat hij nu moet navertellen, maar de molenaar is nu eenmaal een ruwe kerel en wie bang is geshockeerd te worden, wordt aangeraden meteen maar een ander verhaal te nemen.”

 

The Miller’s Tale [Fragment I, Group A, vs. 3.187-3.854]

 

“Een oude timmerman (John) heeft een mooie jonge vrouw (Alison) én een kostganger, een jonge student (Nicholas). Alison wordt door deze laatste het hof gemaakt en ook door de koster van het dorp. Nicholas slaagt erin Alison te overreden om met hem naar bed te gaan, maar daarvoor moet eerst de timmerman uit de buurt zijn. Nicholas maakt John dus wijs dat er een nieuwe zondvloed op komst is en dat hij drie badkuipen onder het dak moet hangen, één voor hemzelf, één voor zijn vrouw en één voor Nicholas. ’s Avonds kruipen ze alle drie in hun badkuip, maar als de timmerman vast slaapt, dalen Alison en Nicholas weer af om samen naar bed te gaan. Diezelfde nacht verschijnt de koster (Absalon) onder het raam van Alison om haar zijn liefde te verklaren. Zij stemt er enkel in toe om hem één kus te geven: ze steekt haar naakte achterwerk uit het raam en Absalon zoent niet haar lippen maar haar billen. Absalon ontsteekt daarop in woede en loopt naar de smid om een heet ijzer te halen. Daarmee keert hij terug naar Alison om nog een zoen af te smeken. Deze keer steekt echter Nicholas zijn blote billen naar buiten en hij laat bovendien een harde wind, recht in Absalons gezicht. Deze duwt onmiddellijk het hete ijzer tegen Nicholas’ achterwerk, zodat de student begint te roepen om water. De timmerman, die deze kreten hoort, denkt dat de zondvloed eraan komt, snijdt het touw van zijn badkuip door en dondert naar beneden. De buren die op het lawaai afkomen, geloven het verhaal van de timmerman niet, aangezien Alison en Nicholas zeggen dat hij gek geworden is.”

 

Dit vrij triviale en pikante verhaal past natuurlijk goed bij het ruwe karakter van de molenaar die in de Algemene Proloog als volgt wordt voorgesteld: A wrangler and buffoon, he had a store / Of tavern stories, filthy in the main. Molenaars hadden in de middeleeuwen sowieso een slechte reputatie, en bij Chaucer is dit niet anders: volgens de Algemene Proloog is de molenaar een sterke, knoestige man met een rosse baard (als van een zeug of vos), een wrat op zijn neus en een grote mond. Roodharigheid werd in de middeleeuwen argwanend bekeken, als iets des duivels. De molenaar steelt graan van zijn klanten, draagt een blauwe kap (blauw is in de middeleeuwen onder meer de kleur van het bedrog) en speelt doedelzak (een instrument dat geassocieerd werd met de lagere klassen en met losbandigheid en onkuisheid). Na de ridder, die de adel vertegenwoordigde, is de molenaar een typisch exemplaar van de middeleeuwse lagere klasse.

 

Het verhaal, waarvan geen voorbeeld bekend is, behoort tot het genre van de fabliau: een kort, amusant verhaal, vaak ook obsceen, dat meestal een kritiek inhoudt op de vrouwen, op het huwelijk en op de clerus. Typische personages zijn de jaloerse of pantoffelheldachtige echtgenoot, de doortrapte schelm, de ontrouwe gehuwde vrouw en de geile clericus. The Miller’s Tale is natuurlijk flink obsceen (Chaucer verontschuldigt zich zelfs omdat hij het moet navertellen, ironisch uiteraard), maar ook erg amusant en boeiend verteld, boeiender in elk geval dan het nogal langdradige verhaal van de ridder. The Riverside Chaucer merkt in dit verband wat venijnig op: ‘The Miller thus offers not merely a change in tone but what seems a positive alternative to the Knight’s idealism, which fails to take account of a great deal in life, including a sense of fun’.

 

The Reeve’s Prologue [Fragment I, Group A, vs. 3.855-3.920]

 

“Het verhaal van de molenaar lokt verschillende reacties uit, maar de meesten moeten er toch om lachen. Behalve de oude rentmeester (reeve) Osewald, die zelf ook timmerman is (vergelijk de Algemene Proloog). Hij scheldt een beetje op de molenaar, geeft vervolgens vol zelfkennis een preekje over de ondeugden van oude mannen en kondigt aan dat hij de molenaar zal terugbetalen met een verhaal waarin een molenaar belachelijk wordt gemaakt.”

 

The Reeve’s Tale [Fragment I, Group A, vs. 3.921-4.324]

 

“In de buurt van Cambridge woont Symkyn de molenaar, die geregeld graan steelt van zijn klanten. Op een dag brengen John en Aleyn, twee studenten van Cambridge, graan naar de molen en zij gaan er prat op dat de molenaar hén niet zal kunnen bedotten. Maar Symkyn doet hun paard op hol slaan en terwijl zij het dier proberen te vangen, rooft hij een deel van hun graan. Het is al avond als de twee klerken eindelijk hun hengst te pakken hebben, en zij krijgen de toelating om te blijven eten en slapen in de molen. Er is echter slechts één slaapkamer, zodat John en Aleyn bij de molenaar, zijn pronte vrouw, zijn volslanke dochter en zijn nog in de wieg liggende baby moeten slapen. In het midden van de nacht kruipt Aleyn bij de dochter in bed en heeft gemeenschap met haar. Ondertussen gaat John het wiegje van de kleine verzetten en als de molenaarsvrouw even opstaat om naar de baby te kijken, komt zij in het duister in het bed van John terecht, die met haar zijn gangen gaat. In de vroege ochtend verlaat Aleyn het bed van de dochter maar omdat het wiegje verplaatst is, komt hij naast de molenaar terecht en – denkend dat het zijn collega is – vertelt hij deze wat hij met de dochter gedaan heeft. De molenaar wordt razend en er ontstaat een handgemeen, waarbij de molenaar door zijn eigen vrouw per ongeluk bewusteloos wordt geklopt. De studenten ontsnappen, en nemen (zonder te betalen) hun gemalen graan én het brood dat de molenaar van het gestolen graan had gebakken, mee.”

 

Dit verhaal over een bedrogen molenaar wordt door de rentmeester dus verteld om de molenaar zijn verhaal over een bedrogen timmerman betaald te zetten (de rentmeester is zelf namelijk ook een timmerman). Dit past goed bij het karakter van de rentmeester die oud en ervaren is en niet bepaald het type lijkt om zich op de kop te laten zitten (zie de Algemene Proloog). Het verhaal van de rentmeester is weer een voorbeeld van een fabliau. Het vertoont een sterke gelijkenis met het zesde verhaal van de negende dag uit de Decamerone, maar is hoogstwaarschijnlijk een vrije bewerking van een Franse fabliau die in verschillende versies bewaard bleef. Chaucer maakt hier (voor de eerste maal in de Engelse literatuurgeschiedenis) gebruik van dialect om een komisch effect te bereiken: de twee studenten spreken namelijk een Noord-Engels dialect, dat door Chaucer erg aardig wordt weergegeven. Het verhaal van de rentmeester is even beknopt en vlot verteld als dat van de molenaar, maar zit ten gevolge van enkele psychologische leemtes (bijvoorbeeld Aleyn die de dochter bekruipt, zonder dat deze ook maar in het minst protesteert: in het Decamerone-verhaal wordt dit veel beter verantwoord), toch net iets minder sterk in elkaar.

 

The Cook’s Prologue [Fragment I, Group A, vs. 4.325-4.364]

 

“De kok is erg geamuseerd door het verhaal over de bedrogen diefachtige molenaar, maar wordt door de waard al lachend op zijn eigen ondeugden als kok gewezen. De kok zelf lacht nu maar groen en belooft op de terugweg van Canterbury naar Londen een verhaal over een herbergier te vertellen. Eerst zal hij echter een ander verhaal ten beste geven.”

 

The Cook’s Tale [Fragment I, Group A, vs. 4.365-4.422]

 

Chaucer heeft het verhaal over het losbollige knechtje Perkyn (Pierke dus) nooit voltooid, maar alles wijst erop dat het weer een fabliau (zich afspelend in Londen deze keer) zou geworden zijn. Zijdelings interessant (en een bewijs dat niet alleen over Bosch àlles reeds een keer geschreven werd) is dat een zekere meneer Stanley in een tijdschriftartikel ooit heeft trachten aan te tonen dat het verhaal van de kok zoals wij het kennen, wél volledig afgewerkt was (zie The Canterbury Tales ed. 1987: 853).

 

Introduction to the Man of Law’s Tale [Fragment II, Group B1, vs. 1-98]

 

De onvoltooid gebleven Canterbury Tales zijn overgeleverd in tien fragmenten of tekstgroepen, die nu eens aangeduid worden met een Romeins cijfer, dan weer met een hoofdletter. De afzonderlijke verhalen vormen groepen omdat zij via de overgangen en prologen naar elkaar verwijzen, zoals duidelijk het geval was met de vier verhalen die wij tot nog toe bespraken. Deze vier verhalen, die aansluiten bij de Algemene Proloog, moeten bovendien manifest aan het begin van de Tales geplaatst worden. De volgorde van de overige tekstgroepen is echter heel wat minder duidelijk en wil in de moderne edities dan ook nogal eens verschillen. Wij volgen hier de volgorde van The Riverside Chaucer (1987), nog steeds dé standaardeditie van het verzamelde werk van Chaucer.

 

“Bij de aanvang van dit fragment neemt de waard het woord. Hij ziet dat het tien uur ’s morgens is en vraagt aan de advocaat om zijn verhaal te vertellen. Deze laatste heeft echter naar eigen zeggen op dat moment weinig inspiratie. Hij verwijst vervolgens naar Chaucer, die naar verluidt weliswaar vaak onhandig is als het op metrum en rijm aankomt (een mooi staaltje van Chaucers zelfrelativerende humor, en niet het laatste in de Tales), maar die toch al bijna alle verhalen, vooral over de liefde, verteld heeft (behalve wanneer het over incest gaat): Hij heeft toch over minnaars meer geschreven / dan zelfs Ovidius in heel diens leven (vertaling Ernst van Altena). Het liefst zou de advocaat de Metamorphosen citeren, en hij begint dan toch maar aan zijn verhaal.”

 

The Man of Law’s Prologue [Fragment II, Group B1, vs. 99-133]

 

“Deze proloog, net als het verhaal van de advocaat zelf geschreven in stanza’s met rime royal, houdt een verwerping van de armoede in en een lofrede op de rijkdom. De advocaat zal een verhaal vertellen dat hij onlangs van een koopman heeft gehoord.”

 

The Man of Law’s Tale [Fragment II, Group B1, vs. 134-1.162]

 

Deel 1

 

“Een aantal Syrische kooplui reizen naar Rome, waar ze de mooie dochter van de keizer, Custance, leren kennen. Terug thuis vertellen ze hun sultan over het bestaan van Custance en hij wil haar onmiddellijk huwen. Vooraleer hij dat kan doen, moet hij echter gedoopt worden. Als alles daarvoor geregeld is, wordt Custance naar Syrië gebracht. De moeder van de sultan vindt echter dat hun godsdienst (de islam) verraden werd, en zij maakt een plan om haar zoon en heel zijn gedoopt gezelschap te vermoorden.”

 

Deel 2

 

“Het plan van de moeder wordt uitgevoerd en Custance wordt op een boot zonder roer gezet. Dankzij de Goddelijke Voorzienigheid overleeft zij de gevaarlijke zeereis en uiteindelijk arriveert zij in Engeland, waar zij opgenomen wordt in de familie van een constable (een soort lokale heerser). Custance slaagt erin de vrouw van de constable te bekeren tot het christendom, en kort daarna wordt ook de constable zelf christen. Maar dan laat een ridder zijn begerig oog op Custance vallen. Zij wijst hem af, waarna de ridder de vrouw van de constable vermoordt met de bedoeling de schuld op Custance af te schuiven. Als de moord ontdekt wordt, komt de constable net terug van een reis, en de koning, Alla, is bij hem. Alla kan niet geloven dat Custance schuldig is en de ridder moet op de bijbel zweren dat zij inderdaad de moordenares is: de ridder wordt door de hand van God neergebliksemd. Alla huwt dan met Custance, en terwijl hij op oorlogspad is in Schotland, schenkt zij het leven aan een zoon, Maurice. Men stuurt de koning een brief, maar de moeder van Alla (die Custance ongunstig gezind is) verandert deze brief en laat uitschijnen dat Custance een soort van duivel ter wereld heeft gebracht. Alla antwoordt dat moeder en kind goed moeten verzorgd worden, omdat het Gods wil is. Déze brief wordt eveneens door de moeder onderschept, en zij schrijft aan de constable dat Custance en haar zoon moeten verbannen worden op het schip waarmee zij daarvoor gearriveerd was. Iedereen is wanhopig, maar de opdracht wordt uitgevoerd.”

 

Deel 3

 

Koning Alla ontdekt wat zijn moeder gedaan heeft en veroordeelt haar tot de doodstraf. Ondertussen landt Custance ergens op een kust, waar de plaatselijke heerser haar bijna verkracht, maar de Heilige Maagd redt haar. Custance vaart verder, de Middellandse Zee op, en wordt uiteindelijk opgepikt door een Romeinse senator, die naar Syrië was gereisd om aldaar de misdaad van de moeder van de sultan te wreken. Custance woont een tijdje bij de familie van de senator. Alla gaat dan op bedevaart naar Rome, komt te weten dat Custance en haar zoon nog steeds leven, vertelt hen de ware toedracht over de verbanning en gaat met hen naar de keizer. Custance vertelt deze dat zij zijn dochter is. Eind goed, al goed: Maurice, de zoon, wordt later keizer en na Alla’s dood keert Custance terug naar Rome, waar zij verder een vroom en gelukkig leven leidt tot aan haar eigen dood.”

 

Dit verhaal, een christelijke romance (liefdesgeschiedenis) waarvan de thematiek draait rond verbanning en terugkeer onder het oog van de Goddelijke Voorzienigheid, gaat uiteindelijk terug op een Anglo-Normandische wereldkroniek die rond 1334 geschreven werd door de dominicaan Nicholas Trevet (of Trivet). De Sergeant of the Law behoort tot de intellectuele klasse en weer laat Chaucer het verhaal overeenstemmen met het karakter van de verteller. Volgens de Algemene Proloog is deze hoge advocaat of noted excellence en his sayings were so wise. Het verhaal bewijst ook dat hij een eerbare, intelligente man is die goed op de hoogte is van heel wat zaken. Hij is ook godsdienstig aangelegd (zie de verwijzingen naar de bijbel) en ‘discreet’: ofschoon het verhaal (weer) over de liefde gaat en een aantal ‘seksscènes’ bevat, worden deze laatste niet plastisch beschreven (in tegenstelling tot gelijkaardige scènes bij de molenaar en de rentmeester). Overigens is deze lange romance, die zo men wil tegelijk kan beschouwd worden als een soort profaan heiligenleven, niet overdreven boeiend: het is louter een dorre opsomming van feiten en gebeurtenissen, vlug en onhandig verteld, en met wat te veel bijbels gepreek.

 

The Man of Law’s Epilogue [Fragment II, Group B1, vs. 1.163-1.190]

 

“De waard spoort de dorpspastoor aan om op zijn beurt een verhaal te vertellen, maar als deze aanstalten maakt om te gaan preken, wordt hij onderbroken door de waard en door iemand anders.” Wie deze ‘iemand anders’ is, daarover zijn de Chaucer-kenners het niet eens. De bewaarde manuscripten lopen op dit punt namelijk uiteen, al lijken een aantal zaken erop te wijzen dat het om een vrouw gaat. Bovendien zou deze epiloog door Chaucer eigenlijk bedoeld zijn ter afsluiting van het (proza)verhaal van Melibee, dat oorspronkelijk bij de Man of Law hoorde, terwijl de Shipman’s Tale (die in een laat manuscript en in sommige moderne edities nu volgt) oorspronkelijk door de Wife of Bath had moeten verteld worden. Of zoiets. Dit heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat van The Canterbury Tales geen volledig afgewerkte versie bestaat.

 

The Wife of Bath’s Prologue [Fragment III, Group D, vs. 1-828]

 

“Alyson, de vrouw uit Bath, houdt een betoog over het huwelijk (naar verluidt en volgens haar eigen rijke ervaring: één grote ellende, dat huwelijksleven). Aan de hand van talrijke bijbelreferenties toont zij aan dat er geen bezwaar is tegen het hebben van verscheidene partners (achter elkaar) en dat, alhoewel het maagdendom zeer te respecteren valt, het huwelijk, de seks en de voortplanting nergens door God verboden worden. Vervolgens doet zij het verhaal van haar eigen vijf echtgenoten. De eerste drie waren rijk en oud, en dat speelde duidelijk in haar voordeel. Zij joeg hen van het kastje naar de muur. Alyson geeft dan een opsomming van de verwijten die haar mannen (en de mannen in het algemeen) haar (en de vrouwen in het algemeen) toezonden (toezenden). Op die manier krijgen we indirect een overzicht van de topische verwijtenlijst aan het adres van de vrouw uit de middeleeuwse, antifeministische literatuur. Haar vierde man had een minnares, maar zij gaf hem van hetzelfde laken een pak. Hij stierf toen zij van een pelgrimsreis naar Jeruzalem terugkeerde. Haar vijfde man (een gestudeerde jongen van 20 die zij leerde kennen toen zij zelf 40 was en nog gehuwd was met haar vierde man) sloeg haar, maar was tegelijk ook erg goed in bed. Van hem hield zij het meest, omdat hij zich afstandelijk gedroeg, en als vrouwen iets onthouden wordt, dan willen zij het met alle middelen verkrijgen. Tijdens een ruzie (omtrent een verzamelhandschrift met antifeministische werken) wordt Alyson halfdoof geslagen, maar daarna draaide haar man bij en was zij de baas.”

 

Heel Alysons betoog – dat kan beschouwd worden als een literaire biecht – is erop gericht om aan te tonen dat de vrouw de baas moet zijn in het huwelijk en vormt als het ware een feministisch antwoord op de antifeministische visie van vele middeleeuwse mannen (en vooral van de clerici onder hen). Tegelijk toont zij echter het gelijk van deze mannelijke visie aan (door toedoen van de – op de achtergrond gniffelende – mannelijke auteur Chaucer uiteraard). Deze Proloog van de Vrouw uit Bath behoort zonder enige twijfel tot de levendigste, amusantste en bestgeschreven stukken van The Canterbury Tales.

 

Words between the Summoner and the Friar [Fragment III, Group D, vs. 829-856]

 

“Na wat gekibbel tussen de monnik en de deurwaarder begint Alyson eindelijk haar verhaal.”

 

The Wife of Bath’s Tale [Fragment III, Group D, vs. 857-1.264]

 

“In de dagen van koning Arthur verkracht een ridder een meisje. De koning veroordeelt hem tot de doodstraf, maar de koningin weet hem (voorlopig) te redden: de ridder moet een reis ondernemen om binnen het jaar het antwoord te weten te komen op de vraag ‘wat verlangen vrouwen het meest’? Na een lange en tevergeefse zoektocht ontmoet hij een oude vrouw die het geheim beweert te kennen, en zij keert met de ridder terug naar het hof. Daar openbaart zij haar geheim: vrouwen verlangen het meest om de baas te spelen over hun mannen en minnaars. Alle vrouwen aan het hof zijn het hiermee eens en nu moet de ridder doen wat de oude vrouw wenst, zoals hij beloofd had. De oude vrouw wil met hem trouwen. Na het trouwfeest is de ridder erg teneergeslagen omdat zijn vrouw zo oud en lelijk is, maar tijdens de eerste huwelijksnacht zegt zij dat hij mag kiezen: wil hij een lelijke maar trouwe echtgenote, of een knappe die door alle andere mannen achternagezeten wordt? De ridder laat de beslissing uiteindelijk aan hààr over, en zij is hiermee zo tevreden dat ze zichzelf verandert in een knappe én trouwe vrouw. Op die manier heeft zij bewezen dat wat vrouwen het meest verlangen, inderdaad is: de baas spelen, doen wat zijzelf willen.”

 

 

Dit amusante en goedvertelde verhaal, dat kan beschouwd worden als een korte Arthurroman, illustreert duidelijk het levendige en brutale karakter van de vrouw uit Bath en vormt tegelijk een gniffelend staaltje van middeleeuwse (mannelijke) kritiek op vrouwen. Het is één van de hoogtepunten van The Canterbury Tales. Aardig om ook nog te vermelden: de film What women want (USA, 2000) van Nancy Meyers, met onder meer Mel Gibson, geeft op de in zijn titel aangeraakte kwestie hetzelfde antwoord als dit verhaaltje van Chaucer.

 

The Friar’s Prologue [Fragment III, Group D, vs. 1.265-1.300]

 

“De bedelbroeder complimenteert de vrouw uit Bath met haar verhaal maar voegt eraan toe dat de kwesties die zij aansnijdt, beter behandeld worden door predikanten en theologen. Hij kondigt dan aan zelf een verhaal te willen vertellen dat aantoont hoe slecht deurwaarders wel zijn. Na wat gekibbel met de deurwaarder uit het gezelschap, steekt hij van wal.”

 

The Friar’s Tale [Fragment III, Group D, vs. 1.301-1.664]

 

“Het verhaal gaat over een deurwaarder in dienst van een aartsdiaken (voorzitter van een kerkelijke rechtbank), die zich bezondigt aan allerlei corrupte handelingen. Op een dag meent hij een collega te ontmoeten, maar al snel blijkt het om een duivel te gaan. De deurwaarder neemt de duivel mee naar een oude vrouw die hem nog geld schuldig is, maar als de vrouw de deurwaarder naar de hel wenst, wordt deze laatste door de duivel effectief mee naar de hel gesleept. De moraal van het verhaal: niet zondigen en het hart rein houden, want de duivel is altijd op zoek naar een prooi. En vooral deurwaarders moeten dringend hun leven beteren, anders komen ze in de hel terecht.”

 

Dit verhaal past natuurlijk uitstekend bij een rondtrekkende bedelbroeder. Het is een exemplum: een korte anekdote, verteld door predikers met de bedoeling een stichtelijke boodschap op aanschouwelijke wijze over te brengen. Het gekibbel tussen de bedelbroeder en de deurwaarder illustreert de tweedracht die er in de veertiende eeuw heerste tussen de bedelorden en de seculiere geestelijkheid. Dit exemplum maakt overigens maar een flauwe indruk: het is zeker niet één van de meest memorabele vertegenwoordigers van het genre.

 

The Summoner’s Prologue [Fragment III, Group D, vs. 1.665-1.708]

 

“De deurwaarder (summoner) trilt van ingehouden woede en vertelt over een bedelbroeder die door een engel in de hel werd rondgeleid, waar bleek dat onder de staart van Lucifer, in diens aars, tienduizenden bedelbroeders hun eeuwige straf moesten uitzitten.”

 

The Summoner’s Tale [Fragment III, Group D, vs. 1.709-2.294]

 

“Ook het verhaal dat de deurwaarder vervolgens vertelt, is bedoeld als revanche op het verhaal van de bedelbroeder. De hoofdpersoon is dan ook een hypocriete bedelbroeder die op bezoek gaat bij een zieke man om geld van hem los te krijgen. Wanneer de vrouw van de zieke klaagt over de norsheid van haar echtgenoot, begint de bedelbroeder uitgebreid te preken tegen de hoofdzonde van de Toorn. Uiteindelijk spiegelt de zieke de bedelbroeder een beloning voor, die zogenaamd onderaan zijn rug verborgen zit en die door de bedelbroeder onder zijn medekloosterlingen eerlijk moet verdeeld worden. Wanneer de bedelbroeder zich begerig vooroverbuigt, laat de zieke een knallende wind. De bedelbroeder, die net nog in alle rhetorische toonaarden de Toorn veroordeelde, wordt nu zelf razend kwaad en gaat zijn beklag doen bij de plaatselijke heerser. Diens schildknaap weet echter een oplossing voor het probleem: de bedelbroeder moet een karrenwiel halen, met twaalf spaken. De bedelbroeder moet zijn neus onderaan de as houden en zijn collega’s moeten met hun neus aan het uiteinde van de spaken gaan zitten. Als dan de zieke nogmaals een wind laat bovenaan de as, zal de ‘beloning’ eerlijk kunnen verdeeld worden, en de bedelbroeder zal het beste voor zichzelf kunnen houden … “

 

Dit venijnige en ietwat platvloerse verhaal past uitstekend bij de deurwaarder, die in de Algemene Proloog niet al te sympathiek wordt voorgesteld, en kan beschouwd worden als een fabliau of als een door Chaucer uitgewerkte bekende mop. Door het gepreek van de bedelbroeder komt het verhaal wat omslachtig over en blijkt het minder sprankelend dan bijvoorbeeld de fabliau van de molenaar.

 

The Clerk’s Prologue [Fragment IV, Group E, vs. 1-56]

 

“De waard spoort de klerk uit Oxford aan om op zijn beurt een verhaal te vertellen. De klerk kondigt aan dat hij een verhaal van ‘een klerk uit Padua’, Petrarca namelijk, zal ten beste geven.”

 

The Clerk’s Tale [Fragment IV, Group E, vs. 57-1.212]

 

“Walter, de markies van Saluzzo, wordt door zijn onderdanen verzocht te trouwen en voor een nakomeling te zorgen. Walter laat zijn oog vallen op de knappe Grisildis, een eenvoudig volksmeisje dat samen met haar vader leeft. Zij huwen en kort daarna baart Grisildis een dochter. Walter wil dan om een of andere reden de gehoorzaamheid en de trouw van zijn echtgenote op de proef stellen. Hij zegt tegen Grisildis dat hun dochter moet verdwijnen omdat het volk mort over haar lage komaf. Grisildis protesteert niet, en in het geheim laat Walter de dochter opvoeden door zijn zuster in Bologna. Hetzelfde gebeurt vier jaar later met het zoontje dat geboren wordt. Nog eens acht jaar later verzoekt Walter de paus om een echtscheiding toe staan, en hij laat Grisildis weten dat hij opnieuw gaat huwen, zogenaamd met zijn eigen dochter (ondertussen 12 jaar oud) die hij samen met haar broertje vanuit Bologna laat overkomen. Grisildis wordt terug naar haar vader gestuurd. Grisildis ondergaat al deze als test bedoelde vernederingen zonder ook maar één keer in opstand te komen en uiteindelijk brengt Walter de waarheid aan het licht. Alles valt nu terug in zijn plooi en Walter en Grisildis leven nog lang en gelukkig.”

 

Voor dit verhaal maakte Chaucer gebruik van een Franse vertaling van Petrarca’s De obedientia ac fide uxoria mythologia [Een fabel over vrouwelijke gehoorzaamheid en trouw], dat zelf een Latijnse vertaling is van het laatste verhaal uit Boccaccio’s Decamerone [X.10]. Met de inhoud van dit verhaal, dat overigens door Boccaccio veel beknopter en trefzekerder verteld wordt dan door Chaucer, heb ik persoonlijk de grootste moeite: de manier waarop die Grisildis zich als een absolute schotelvod onderwerpt aan de grillen van die malle Walter komt bijzonder pijnlijk en in feite ook ontzettend dwaas over, daar hoef je niet eens een feminist voor te zijn. In de moderne Chaucer-exegese zijn er trouwens wel meer auteurs over dit staaltje van legendarische vrouwonvriendelijkheid gevallen, en ook reeds in de middeleeuwen voelde men aan dat er hier over de schreef werd gegaan. Petrarca maakte daarom van de hele story een christelijk exempel door op het einde het geduld van Grisildis ten voorbeeld te stellen aan alle mensen, die ook veel geduld moeten hebben als God hen op een of andere manier in het ongeluk stort, en door deze ingreep op het einde wordt de wreedheid van de plot toch nog enigszins draaglijk. Chaucer laat de klerk uit Oxford trouwens een gelijkaardige draai aan het verhaal geven, wat tegelijk mooi past bij de onder meer op het theologische geconcentreerde universitaire opleiding van deze laatste, en Chaucer zelf voegt ook nog eens een envoy toe, waarin hij de vrouwen aanspoort zich niet door hun mannen op de kop te laten zitten maar integendeel van zich af te bijten als een Indische tijgerin.

 

The Merchant’s Prologue [Fragment IV, Group E, vs. 1.213-1.244]

 

“De koopman in het gezelschap stelt dat het geduld en de onderdanigheid van Grisildis bij zijn eigen vrouw ver te zoeken zijn. Hij is pas twee maanden getrouwd maar hij heeft daar nu al dik spijt van, aangezien zijn echtgenote een ware duivelin is. Omdat de koopman blijkbaar een expert is in huwelijkszaken, spoort de waard hem aan een verhaal rond deze thematiek te vertellen.”

 

The Merchant’s Tale [Fragment IV, Group E, vs. 1.245-2.418]

 

“De bejaarde ridder Januarie uit Lombardije, die zijn hele leven vrijgezel is gebleven en van het leven geprofiteerd heeft, besluit uiteindelijk toch nog te trouwen, maar het moet wel met een jonge frisse vrouw zijn. Na een discussie met zijn vrienden Placebo en Justinus over vrijgezel blijven of huwen is Januarie vastbesloten zijn wil door te drukken en hij laat zijn oog vallen op de mooie maagd May. Tijdens de bruiloft wordt echter Damian, een schildknaap van Januarie, smoorverliefd op May zodat hij ziek wordt van liefdesverdriet. Na de wittebroodsweken, waarin Januarie zich op bedaarde wijze aan zijn echtelijke plichten probeert te wijden (zo goed als dat gaat) en May dat allemaal ondergaat, ligt Damian nog steeds te bed en Januarie beveelt zijn vrouw hem op te zoeken om hem te troosten. Damian krijgt zo de kans zijn liefde aan haar te openbaren en May blijkt daar niet ongevoelig voor, zodat de schildknaap al vlug herstelt. Januarie wijkt echter geen moment van May’s zijde, zodat de tortelduifjes geen enkele kans krijgen. Dan wordt Januarie echter plots blind en May werkt een plannetje uit. Zij gaat zich namelijk regelmatig met Januarie vermeien in een afgesloten tuin (al is het eerder omgekeerd) en zij bezorgt Damian een sleutel van de poort, zodat die zich bij de volgende gelegenheid kan verstoppen in een perenboom.

De god Pluto heeft het echter allemaal gezien en wil de onbetrouwbaarheid van May (en van de vrouwen in het algemeen) afstraffen door Januarie plots weer te laten zien terwijl May en Damian ‘bezig zijn’. Pluto’s vrouw Proserpina is het daar echter niet mee eens, en zij zal May een perfecte uitvlucht laten verzinnen. Zo gebeurt. May en januarie dartelen weer eens door de tuin, en May zegt dat ze geweldige zin heeft in een sappige peer. Zij kruipt in de perenboom en laat zich meteen bespringen door de schildknaap. Als Januarie plots niet meer blind is en ziet wat er gaande is, wordt hij uiteraard razend kwaad. May legt hem echter uit dat hij na die lange blindheid nog een beetje wazig uit zijn ogen kijkt en dat zij in de perenboom is gekropen omdat men haar verteld heeft dat dat een trucje is om haar man te genezen van zijn blindheid. Januarie slikt de uitvlucht, draait bij, excuseert zich zelfs en samen gaan zij terug naar het paleis.”

 

Epilogue to the Merchant’s Tale [Fragment IV, Group E, vs. 2.419-2.440]

 

“De waard vindt het een mooi verhaal dat prachtig aantoont welke listige wezens vrouwen wel zijn. Hij zou kunnen uitweiden over de ondeugden van zijn eigen echtgenote, maar doet dat liever niet, omdat hij bang is dat anderen dat achter zijn rug allemaal gaan terugvertellen aan zijn vrouw.”

 

In de Algemene Proloog schetst Chaucer een nogal positief portret van de koopman als een respectabele man die nogal plechtstatig spreekt (Chaucers eigen vader was overigens ook een koopman). Hoewel sommige Chaucer-exegeten dat tegenspreken, past het verhaal op die manier goed bij zijn verteller: het is naar de inhoud een fabliau (opgebouwd rond de topos: oude impotente bok huwt groen blaadje en wordt door zijn jonge gade al snel bedrogen met een jongere kerel) maar de stijl is eerder die van een hoofse roman. Die verheven stijl werpt hier en daar wel een merkwaardig licht op de vrij pikante materie die behandeld wordt. Het verhaal, dat in elk geval ook goed aansluit bij de eraan voorafgaande proloog waarin de koopman klaagt over zijn kersvers en toch reeds ongelukkig huwelijk, lijkt verder bedoeld te zijn als een soort tegenhanger van het verhaal van de klerk over de superonderdanige Grisildis: de vrouwen komen uit dit verhaal duidelijk naar voren als gepatenteerde bedriegsters en geilteven.

We moeten overigens vaststellen dat het verhaal van de koopman zeker niet tot de hoogtepunten van de Tales behoort: ondanks de in wezen wel interessante discussie in het begin en het met frivoliteiten overstrooide laatste deel, wordt dit verhaal veel te lang gerokken en laat het vrij abrupte einde de lezer met een onbevredigd gevoel achter.

 

Introduction to the Squire’s Tale [Fragment V, Group F, vs. 1-8]

 

“Door een niet nader genoemde persoon wordt de schildknaap aangemoedigd een verhaal over de liefde te vertellen, iets waarin hij naar verluidt een expert zou moeten zijn. De schildknaap laat zich niet lang porren.”

Ofschoon het verhaal van de schildknaap tot een ander fragment behoort, zijn de meeste exegeten het erover eens dat het einde van fragment IV en het begin van fragment V bij elkaar aanknopen. In dat geval zou dus de niet nader genoemde persoon in deze aanloop tot het verhaal de waard zijn …

 

The Squire’s Tale [Fragment V, Group F, vs. 9-672]

 

“In het land van de Tartaren geeft koning Cambyuskan een groot feest. Op dit feest biedt zich in naam van de koning van Indië en Arabië een ridder aan met vier geschenken. Voor de koning zelf een koperen paard dat hem via een geheim mechanisme overal naartoe kan brengen en een zwaard dat alles doorklieft en wonden maakt die alleen door het zwaard zelf kunnen geheeld worden. En voor de mooie dochter van de koning, Canacee, een spiegel die valsheid en bedrog kan ontmaskeren en een ring waarmee men de taal van de vogels kan verstaan en spreken. De morgen na het feest draagt Canacee de ring en ontmoet zij een droevige vrouwelijke valk, die vertelt dat zij verliefd was op een mannelijke valk, maar dat deze haar verliet en verliefd werd op een andere vogel. Nadat de verteller nog allerlei andere avonturen heeft aangekondigd, breekt het verhaal van de schildknaap abrupt af.”

 

Gelukkig, is men onmiddellijk geneigd te zeggen, want dit verhaal, een zich in het Verre Oosten afspelende ridderroman die goed lijkt te passen bij de nog wat onrijpe, twintigjarige schildknaap, weet vanaf het begin geen moment te boeien en wordt op een onhandige, haast irriterende manier verteld (waarbij de verteller voortdurend signaleert wat hij niét uitgebreid gaat beschrijven, maar het ondertussen toch maar even doet). Wellicht voelde Chaucer ook aan dat het verhaal niet vlotte en dat het allemaal nog veel te lang zou duren, en gaf hij er vrij snel de brui aan.

 

Words of the Franklin to the Squire and of the Host to the Franklin [Fragment V, Group F, vs. 673-708]

 

“De grondbezitter prijst de schildknaap voor zijn welsprekendheid en moreel inzicht en wordt vervolgens door de waard aangespoord om zelf een verhaal te vertellen.”

 

The Franklin’s Prologue [Fragment V, Group F, vs. 709-728]

 

“De inwoners van Bretagne maakten vroeger mooie berijmde avonturenverhalen (lais), en één daarvan kent de grondbezitter nog. Hij zal het nu voordragen, maar excuseert zich vooraf omdat hij niet beslagen is in de kunst van de welsprekendheid of rhetorica.”

 

The Franklin’s Tale [Fragment V, Group F, vs. 729-1.624]

 

“In Armorica, zoals Bretagne vroeger heette, trouwen een ridder en een voorname dame. Arveragus en Dorigen zweren dat ze elkaar altijd trouw zullen blijven en elkaar altijd in alle nederigheid zullen gehoorzamen. In een terzijde stelt de grondbezitter dat binnen het huwelijk vaak ruzies ontstaan doordat de partners hun eigen willetje doordrijven en doordat men elk verkeerd woord met een wederwoord wil bantwoorden. Wie zich in de liefde geduldig, verdraagzaam en vergevingsgezind toont, zal het langste plezier hebben van de liefde. Wanneer Arveragus gedurende enkele jaren oorlog moet gaan voeren in Engeland, bekent de schildknaap Aurelius Dorigen zijn liefde. Zij wijst haar minnaar echter af door te stellen dat ze trouw wil blijven aan haar man. Alleen wanneer Aurelius erin slaagt alle gevaarlijke rotsen voor de kust van Bretagne te doen verdwijnen, zal hij zijn wil met haar mogen doen. Aurelius, die tot de god Apollo heeft gebeden om bijstand, komt via zijn broer in Orléans in contact met een tovenaar die tegen betaling de illusie wil creëren dat alle kustrotsen in Bretagne verdwenen zijn. Zo gebeurt, en Aurelius trekt naar Dorigen om te vragen of zij haar belofte wil inlossen. Dorigen is radeloos van verdriet, maar haar man, die ondertussen is teruggekeerd, zegt dat hij bereid is om zijn eer even opzij te zetten, zodat Dorigen Aurelius’ verlangens kan inwilligen. Wanneer Aurelius echter ziet hoe bedroefd Dorigen is, ontslaat hij Dorigen van de verplichting om haar belofte na te komen. Hij gaat het gebeurde vertellen aan de tovenaar, aan wie hij nog duizend pond in goud moet betalen, maar deze is zo onder de indruk van Aurelius’ ridderlijk gedrag, dat hij de schildknaap zijn schuld kwijtscheldt. De grondbezitter stelt zijn luisteraars dan de vraag wie in dit verhaal het edelst heeft gehandeld, zonder zijn vraag zelf te beantwoorden.”

 

Het verhaal van de grondbezitter is een Bretoense lai : een korte romantische verhaalsoort die ontstond in het Keltische Bretagne en gewoonlijk draait rond liefde en het bovennatuurlijke. Voor zijn lai gebruikte Chaucer verscheidene bronnen, onder meer de Decamerone (X: 5). Dit vrij lang uitgevallen verhaal met zijn ietwat melige finale vormt niet direct één van de hoogtepunten van The Canterbury Tales, maar is anderzijds te vlot verteld om de lezer echt te vervelen.

 

The Physician’s Tale [Fragment VI, Group C, vs. 1-286]

 

“De Romeinse ridder Virginius had een prachtige dochter, Virginia, die zeer deugdzaam en kuis was. De corrupte rechter Appius laat zijn verdorven oog op haar vallen en wil haar bezitten. Hij laat een zekere Claudius een valse getuigenis afleggen: Virginia zou niet de dochter van Virginius zijn, maar een gestolen slavin. Appius wijst het meisje zonder vorm van proces aan Claudius toe. Virginius slaat echter het hoofd van Virginia af (mét haar toestemming) en brengt het bloedende hoofd naar de rechter, die Virginius gevangen laat nemen. Het volk komt echter in opstand en zet de rechter gevangen, waarna hij zelfmoord pleegt. Zo straft God vroeg of laat de zondaar, hoe verborgen de zonde ook is, luidt de moraal.”

 

Het verhaal van de dokter ontleende Chaucer aan de Romeinse geschiedenis van Titus Livius. In de middeleeuwen kwam het in meerdere versies voor (onder meer in de Roman de la Rose) en kreeg het meestal de vorm van een exempel over slechte en corrupte beleidsmensen. Bij Chaucer gaat het eerder om een stichtelijk exempel over de verborgen zonden die zichzelf straffen, getuige de moraal op het einde, die overigens slecht lijkt te passen bij het verhaal: het gaat hier inderdaad niet om verborgen zonden, maar juist om zonden die heel de stad blijkt te kennen (zie het in opstand komende volk). Dit is slechts één van de redenen waarom het verhaal van de dokter op weinig appreciatie binnen de Chaucer-exegese kan rekenen. Het verhaal past ook niet zo goed bij de figuur van de dokter, is oppervlakkig uitgewerkt en bevat in het begin een vervelende uitweiding over de verantwoordelijkheid van ouders en opvoeders die de lectuur stoort. Duidelijk een Chaucer in mindere vorm hier, hoewel sommigen hebben geopperd dat Chaucer hier expres een slecht geschreven verhaal presenteerde om aan te tonen dat de dokter niet kan vertellen …

 

Words of the Host to the Physician and the Pardoner [Fragment VI, Group C, vs. 287-328]

 

“De waard zegt dat hij zeer ontroerd is door het verhaal van de dokter en vraagt de aflaatkramer om nu eens een grappig verhaal te vertellen, ter afwisseling. De andere pelgrims protesteren echter, en vragen om een nuttig verhaal met een moraal.”

 

The Pardoner’s Prologue [Fragment VI, Group C, vs. 329-462]

 

“De aflaatkramer (pardoner) zegt dat hij bij zijn preken tot het volk altijd dezelfde bijbeltekst ten berde brengt: ‘De hebzucht is de wortel van alle kwaad’ (1 Timoteus 6: 10). Hij doet dat opdat iedereen voor goed geld zijn aflaten of wondermiddeltjes zou kopen of zou offeren aan zijn relieken, want hij is zelf zo geldzuchtig als wat. Tijdens deze bekentenis verklapt de aflaatkramer ons ook enkele van zijn trucjes, waarvan het aardigste ongetwijfeld het volgende is: als hij preekt in een kerk, zegt hij dat vrouwen die overspel gepleegd hebben, geen geld aan zijn relieken mogen offeren, waarna alle vrouwen zich verdringen om te mogen offeren. Al noemt de aflaatkramer zichzelf in deze literaire biecht een schandelijk man, toch zal hij nu een verhaal met een mooie moraal vertellen.”

 

The Pardoner’s Tale [Fragment VI, Group C, vs. 463-968]

 

“De aflaatkramer begint met een uitgebreide preek, gericht tegen dronkenschap, vloeken en gokken, drie dingen die nauw verbonden zijn met de tempel van de duivel, namelijk de herberg, en die gemakkelijk tot de verdoemenis van de mens leiden. Om deze moraal te illustreren vertelt hij het verhaal van drie Vlaamse losbandige jongemannen, die al van ’s morgens vroeg in het café zitten te slampampen. Er wordt een doodskist voorbijgedragen en zij vernemen dat het één van hun kameraden is, die zopas onverwacht door de Dood gegrepen werd. Wanneer de herbergier zegt dat de Dood de laatste tijd veel slachtoffers heeft gemaakt ten gevolge van de rondwarende pest, besluiten de drie dwazen de Dood te grazen te gaan nemen.

Bij een hek ontmoeten ze eerst een magere oude man, in wie zij een spion van de Dood zien. Zij behandelen de oude op erg brutale wijze en dwingen hem hen de weg naar de Dood te wijzen. De oude verwijst hen naar een oude eik in de buurt. Daar aangekomen treffen de drie jonge kerels echter in plaats van de Dood een grote hoop gouden florijnen aan. Zij besluiten de buit onder hen te verdelen, maar zullen wachten tot het donker is om het goud te vervoeren. Zij trekken strootjes om aan te duiden wie van hen naar de stad eten en drinken moet gaan halen. Het lot valt op de jongste.

Terwijl deze laatste onderweg is, bedisselen de andere twee onder elkaar om de jongste bij diens terugkeer te doden, zodat zij de buit slechts in twee helften moeten verdelen. De jongste bedenkt onderweg echter ook een plan: hij koopt twee flessen met een dodelijk gif en vermengt het met wijn om de twee anderen daarvan te laten drinken, en dan heeft hij de buit voor hem alleen. Bij de terugkeer van de jongste knaap wordt hij door zijn gezellen neergestoken. Dezen drinken echter van het gif, en sterven eveneens ter plaatse. Zo hebben zij uiteindelijk alle drie de Dood gevonden!

 

Hierbij aansluitend begint de aflaatkramer meteen reclame te maken voor zijn aflatenhandeltje en de waard wordt als eerste uitgenodigd zijn geld te besteden aan het afkopen van zijn zonden. De waard maakt de aflaatkramer echter belachelijk door te zeggen dat die in staat is zijn met stront besmeurde onderbroek als relikwie aan te bieden. De aflaatkramer wordt razend, maar de ridder weet de gemoederen te bedaren, en de groep trekt verder.”

 

Ofschoon Chaucer de aflaatkramer in een bijzonder negatief daglicht stelt (in de proloog out de man zich als een gewetenloze geldwolf en bedrieger en in de Algemene Proloog wordt gesuggereerd dat hij een homo of een eunuch is), produceert hij één van de aardigste verhaaltjes van de ganse Canterbury Tales. In de Algemene Proloog wordt dan ook gesignaleerd: Wel koude he rede a lessoun or a storie [hij kon heel goed een bijbeltekst voorlezen en verhalen vertellen]. Het verhaal van de aflaatkramer is een sermoenachtig exempel dat een indringende illustratie vormt van het bijbelvers ‘de hebzucht is de wortel van alle kwaad’. Het verhaal is in allerlei varianten verspreid doorheen de wereldliteratuur, maar Chaucers versie mag bijzonder geslaagd heten. Volgens de Riverside Chaucer [p. 905] wordt dit verhaal algemeen beschouwd als één van Chaucers meest krachtige vertellingen. Terecht: het is één van de literaire hoogtepunten van The Canterbury Tales. Dat Chaucer het verhaal in Vlaanderen situeerde, geeft het voor ons overigens nog een extra speciaal cachet.

 

The Shipman’s Tale [Fragment VII, GroupB2, vs. 1-434]

 

“Een Franse koopman heeft een knappe vrouw en ook een goede vriend, de monnik Sir John. Op een dag klaagt de vrouw tegenover deze laatste dat haar man niet genoeg aandacht aan haar besteedt en zij vraagt om honderd francs te lenen, zodat zij zichzelf mooi kan maken om haar man meer te behagen. De koopman moet rond dezelfde tijd op zakenreis naar Brugge en vóór diens vertrek vraagt Sir John hem om honderd francs te lenen, zogenaamd om vee te kopen in opdracht van zijn abdij. Na het vertrek van de koopman geeft Sir John het geld aan de vrouw en hij gaat met haar naar bed. Als de koopman teruggekeerd is, bezoekt hij de monnik die zegt dat hij het geleende geld al aan zijn echtgenote heeft teruggegeven. De vrouw kan niet anders dan zeggen dat dit waar is: zij is uiteraard spinnijdig omwille van het bedrog van de monnik, maar zij kan er niets aan doen zonder haar overspel te verraden. Tegen haar man zegt ze dat zij het geld al heeft uitgegeven aan kleren, maar zij zal hem terugbetalen in natura, in bed.”

 

Uit het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden in de inleiding blijkt dat dit verhaal oorspronkelijk bedoeld was om door een vrouw verteld te worden, wellicht de vrouw uit Bath. Deze grappige en pikante fabliau (met de typische personages: een knappe, ontrouwe echtgenote, een naïeve man en een slimme, geile monnik) wordt nu verteld door de schipper, bij wiens grove karakter het verhaaltje ook wel past. Déze fabliau is nogal kort en eenvoudig, en minder geslaagd dan de voorbeelden van dit genre die eerder al aan bod kwamen. Het verhaal misstaat niet in The Canterbury Tales, maar behoort toch ook niet tot de hoogtepunten ervan.

 

Words of the Host to the Shipman and the Prioress [Fragment VII, Group B2, vs. 435-452]

 

“De waard bedankt de schipper en verzoekt vervolgens de priorin om haar verhaal te vertellen.”

 

The Prioress’s Prologue [Fragment VII, Group B2, vs. 453-487]

 

“De priorin bidt uitgebreid tot de Heilige Maagd opdat deze haar zou helpen bij het vertellen van haar verhaal.”

 

The Prioress’s Tale [Fragment VII, Group B2, vs. 488-690]

 

“In een christelijk stadje in Azië leeft een zevenjarig jongetje dat door zijn moeder diep respect werd bijgebracht voor Maria, de moeder van Jezus. De knaap was zo gehoorzaam dat hij liever het lied Alma Redemptoris leerde dan zijn schoollessen. Elke dag, op weg naar en van de school, moet hij het ghetto van de joden doorkruisen en dan zingt hij steevast dat liedje. De joden raken daardoor geïrriteerd en Satan spoort hen aan om het jongetje de keel over te snijden en in een beerput te werpen. Maar dankzij Maria (en een graankorrel op zijn tong) blijft het lijkje Alma Redemptoris zingen en zo wordt de moord ontdekt. Met afgesneden keel legt de jongen getuigenis af van het mirakel en wanneer men de graankorrel van zijn tong wegneemt, sterft hij een vredige dood. De knaap wordt begraven en de schuldige joden worden door paarden uit elkaar getrokken.”

 

Dit verhaal is een in de middeleeuwen wijd verspreide legende, en meer bepaald een Mariamirakel, waaraan Chaucer een paar details van eigen vinding toevoegde. Het stichtelijke verhaal past volmaakt bij de priorin, die in de Algemene Proloog beschreven wordt als simpel, hoofs en zedig, als waardig in al wat ze deed, en als gevoelig en zacht van hart. Zoals alle nonnen heeft ook deze priorin een immens respect voor de Heilige Maagd. Haar Mariamirakel is vrij kort, klinkt wat naïef en schetst bovendien een lelijk beeld van de joden, wat typerend is voor het in de middeleeuwen hoegenaamd niet onalledaagse antisemitisme.

 

Words of the Host to Chaucer [Fragment VII, Group B2, vs. 691-711]

 

“De waard richt zich nu tot de ik-verteller (Chaucer) en verzoekt hem zijn verhaal te presenteren. Chaucer verontschuldigt zich: hij is een slechte verhalenverteller (middeleeuwse humor!) en kent alleen een oud rijmpje … “

 

Chaucer’s Tale of Sir Topaz [Fragment VII, Group B2, vs. 712-916]

 

“Chaucer vangt aan met het verhaal van de Vlaamse, uit Poperinge afkomstige ridder Topaz, die op zoek gaat naar een elfenkoningin om daar verliefd op te worden, maar moet vechten tegen een reus. Chaucer wordt echter ruw onderbroken door de waard … “

 

Het verhaal van Sir Topaz is blijkbaar bedoeld als een parodie op de in de veertiende eeuw populaire minstrel romances, mondeling overgeleverde ridderverhalen vol clichés en karamellenverzen, die sterke nadruk leggen op avontuurlijke actie en fantasievolle gebeurtenissen. Dat het – of all people – precies Chaucer is die hiermee afkomt (en dan ook nog de mond gesnoerd wordt door de waard), is natuurlijk een denderend bewijs van de typisch Britse, zelfrelativerende humor die de man eigen was: de grote verhalenverteller Chaucer die zichzelf laat optreden in zijn eigen boek, en dan blijkt geen serieus verhaal te kunnen vertellen!

 

The Host stops Chaucer’s Tale of Sir Topaz [Fragment VII, Group B2, vs. 917-966]

 

“De waard onderbreekt het verhaal van Chaucer met de mededeling dat zijn gerijmel waardeloos is. Chaucer wordt aangespoord een prozaverhaal te vertellen, wat hij dan ook doet.”

 

Chaucer’s Tale of Melibee [Fragment VII, Group B2, vs. 967-1.888]

 

“Melibee (Mellibeus) is een machtige, rijke man wiens vrouw (Prudence/Prudencia) en dochter (Sophie) op een dag worden mishandeld door zijn drie oude vijanden: Wereld, Vlees en Duivel. Melibee wil zich wreken en roept zijn buren, kennissen en vrienden samen om hem raad te geven. De jongeren onder hen sporen hem aan een oorlog te beginnen. Prudence maant hem echter aan tot kalmte en voorzichtigheid. Tussen de twee echtgenoten ontspint zich dan een lange dialoog, waarin Prudence haar zedenlessen verkondigt en Melibee hiertegen zijn bezwaren oppert. Uiteindelijk wijkt Melibee echter voor de zachte aandrang van zijn vrouw en raakt hij ervan overtuigd dat oorlog voeren nooit een goede oplossing is. Hij sluit vrede met zijn drie vijanden.”

 

Het verhaal van Melibee is een preek in dialoogvorm of een moraliserend debat dat handelt over de vraag of geweld al dan niet moet gewroken worden door geweld. Prudencia’s antwoord op deze vraag (nee) is opgebouwd rond eindeloze citaten uit klassieke, bijbelse en christelijke schrijvers die geïllustreerd worden door exempelen. Het verhaal gaat uiteindelijk terug op het Liber consolationis et consilii (Het Boek van Troost en Raad) dat in 1246 geschreven werd door de Italiaan Albertanus da Brescia. Chaucer vertaalde echter de Franse bewerking van dit boek: Le Livre de Mellibée et de Dame Prudence, kort na 1336 geschreven door Renaud de Louens.

 

In de middeleeuwen was Albertanus’ traktaat blijkbaar nogal populair: het werd bewerkt in een zestal volkstalen waaronder het Middelnederlands (een veertiende-eeuwse rijmbewerking en een prozavertaling van Dirc Potter, daterend van circa 1425). The Riverside Chaucer [p. 17] noteert: ‘Partly because of its style, but mostly because of its allegory, moralizing and long catalogues of proverbs, the Melibee is not often admired by modern readers’. In 1899 noemde dr. Mather uit Boston Chaucers bewerking: ‘this rather stupid piece’. Bernard Overmaat, die in 1950 een editie bezorgde van Potters bewerking (die overigens ook teruggaat op de Franse Livre de Mellibée et Prudence), was van mening: ‘Als verhaal is het mislukt, maar als betoog is het helder’. Om een kat een kat te noemen: ondanks het feit dat een aantal moderne auteurs Chaucers verhaal van Melibee en Prudence lijken te willen rehabiliteren (The Riverside Chaucer stelt zelfs dat de kwesties die erin behandeld worden, nog altijd actueel zijn), is het een màteloos vervelend geval met al die aan elkaar geplakte citaten uit vroegere auteurs en uit de bijbel, en heeft het ons in de 21ste eeuw werkelijk bijzonder weinig (zeg maar: niets) te vertellen. Dat oorlog voor niks goed is, wisten we ook al zonder het gezeur van Albertanus da Brescia.

 

Sommige Chaucer-exegeten zijn van mening dat Chaucer dit langdradige verhaal vertelt om zich te wreken op de waard en diens brutale onderbreking. Merkwaardig is dan wel dat die waard het verhaal van Melibee juist heel erg blijkt te appreciëren (zie infra).

 

Words of the Host to the Monk [Fragment VII, Group B2, vs. 1.889-1.990]

 

“De waard is heel opgetogen over het verhaal van Mellibeus en zijn vrouw Prudencia en vindt het spijtig dat zijn vrouw niet heeft kunnen horen hoeveel geduld Prudence met haar man had. Vervolgens wendt hij zich tot de monnik die er volgens hem heel gezond en weldoorvoed uitziet en naar verluidt heel geschikt zou zijn om een mooi nageslacht te genereren. De monnik laat het allemaal over zijn kant gaan en kondigt aan dat hij een aantal tragedies gaat vertellen.”

 

The Monk’s Tale [Fragment VII, Group B2, vs. 1.991-2.766]

 

“De monnik vertelt geen echt verhaal, maar hij reciteert een aantal tragedies. Met een ‘tragedie’ werd in de middeleeuwen geen toneelstuk bedoeld, maar wel, zoals de monnik zelf uitlegt: Tragedy means a certain kind of story, / As old books tell, of those who fell from glory, / People that stood in great prosperity / And were cast down out of their high degree / Into calamity, and so they died. Het gaat in deze verhalen dus eerder over slachtoffers dan over helden, die door toedoen van Fortuna vanuit hun bevoordeelde positie in het ongeluk worden gestort. Zo vertelt de monnik ons over de val van Lucifer, Adam, Hercules, Caesar, Alexander de Grote, Nero en vele anderen.”

 

Words of the Knight and the Host [Fragment VII, Group B2, vs. 2.767-2.820]

 

“De monnik wordt ruw onderbroken door de ridder die stelt dat het prettiger is te luisteren naar verhalen over voorspoedige mensen dan naar verhalen over ongelukkigen. De waard voegt daaraan toe: Let’s have no more of it. God bless you, master, / It’s an offence, you’re boring us, that’s why! / Such talk as that’s not worth a butterfly … Even later nodigt hij de nonnenpriester, Sir John, uit om op zijn beurt een verhaal te vertellen.”

 

En inderdaad: de korte tragediën van de monnik zijn oervervelend. Misschien beleefde Chaucer net een zwak moment? Of wellicht dateren deze stukjes uit zijn vroege periode, zoals sommige kenners beweren. De rode draad doorheen de verhaaltjes van de monnik is dat aards geluk onveranderlijk leidt tot ellende en verdriet, wat mooi past bij een kloosterling die zich normaal gesproken hoort af te sluiten van de aardse ijdelheden. Nochtans wordt de monnik in de General Prologue beschreven als een weldoorvoede en wellustige persoon, verzot op lekker eten en jagen en geneigd om de regels van zijn orde te negeren, wat dan toch weer minder goed past bij de stichtelijke verhaaltjes die hij vertelt.

 

The Nun’s Priest’s Tale [Fragment VII, Group B2, vs. 2.821-3.446]

 

“Chauntecleer de haan en zijn vrouw, de hen Lady Pertelote, slapen en Chauntecleer heeft een nachtmerrie over een ros monster dat hem wegsleept. Dan volgt een lange en geleerde conversatie tussen haan en kip over de voorspellende waarde van dromen. Lady Pertelote zegt dat het allemaal leugens zijn, maar Chauntecleer meent dat er dikwijls veel waarheid achter schuilt. De haan geeft tijdens zijn betoog blijk van een bewonderenswaardige intellectuele achtergrond: hij citeert uit de losse pols antieke en bijbelse autoriteiten, maar anderzijds vertaalt hij het Latijnse adagium ‘mulier est hominis confusio’ (de vrouw is het verdriet van de man) wel foutief als ‘de vrouw is de vreugde van de man’. Ongeveer een maand later wordt de haan weggesleept door een vos: de vos vleide de haan omwille van zijn zogenaamd muzikaal talent en Chauntecleer sloot zijn ogen om een lied aan te heffen, waarop de vos zijn slag sloeg. De hele boerderij is gealarmeerd door de ontvoering maar door middel van een slim trucje kan de haan toch nog ontsnappen: hij geeft de vos de raad om even halt te houden en tegen zijn achtervolgers te roepen dat ze naar de hel kunnen lopen. De vos doet dit, maar daarbij moet hij zijn muil openen en dat geeft de haan de kans om in een boom te fladderen. Moraal: wantrouw vleiers en matig je tong.”

 

Dit is een voorbeeld van een dierenfabel, waarin dieren handelen en praten als mensen en waarin een duidelijke moraal schuilt. Het is een erg geestig en grappig verhaaltje dat teruggaat op een fabel van Marie de France en op episodes uit de branches II en VI van de Roman de Renart, en vormt een levendig bewijs van Chaucers grote vakmanschap. In de General Prologue wordt merkwaardig genoeg niets verteld over het karakter van de nonnenpriester. Nochtans past het verhaal zeer goed bij zijn verteller, want dierenfabels werden in de middeleeuwen frequent aangewend in preken om stichtelijke boodschappen op een aangename en vlot verteerbare wijze tot bij de toehoorders te brengen. Omdat de nonnenpriester ons op het einde aanspoort om zelf een moraal uit het verhaal te distilleren, lijkt het niet vergezocht om in deze fabel over de haan en de vos onder meer een waarschuwing te zien tegen de duivel die de zwakke, zondige mens tracht te bekoren. Overigens past de met talrijke verwijzingen naar vroegere auteurs gelardeerde discussie over dromen veel beter bij een gestudeerde clericus dan bij iemand uit de lagere klassen.

 

Words of the Host to the Nun’s Priest [Fragment VII, Group B2, vs. 3.447-3.461]

 

“De waard bedankt de nonnenpriester voor zijn verhaal en stelt tongue in cheek vast dat deze laatste er gezond uitziet en vast heel wat ‘hennen’ zou kunnen bevredigen, als hij geen geestelijke was.”

 

The Second Nun’s Prologue [Fragment VIII, Group G, vs. 1-119]

 

“Na een stichtelijke waarschuwing tegen Luiheid en Ledigheid volgen een Marialof en een etymologische verklaring van de naam ‘Cecilia’, die – zoals door de tekstbron zelf vermeld wordt – teruggaat op de Legenda aurea (1263-73) van Jacobus de Voragine.”

 

The Second Nun’s Tale [Fragment VIII, Group G, vs. 120-553]

 

“Het verhaal van de tweede non is een heiligenleven (met name van de H. Cecilia) dat door Chaucer vrij getrouw bewerkt werd naar diezelfde Legenda aurea, met hier en daar een inkorting [vergelijk Legenda aurea ed. 1979: 895-903]. Cecilia (een heilige martelares wier historisch bestaan erg twijfelachtig is, vergelijk onder meer Goosen 1992: 85 en The Canterbury Tales ed. 1987: 942) werd geboren in Rome en wist haar man Valerianus (met wie zij een maagdelijk leven leidde, waarvoor zij door een engel beloond werden met bloemen uit het Paradijs) en diens broer Tiburtius te bekeren tot het christendom. Toen de twee mannen weigerden te offeren aan Jupiter, liet de Romeinse prefect hen onthoofden. Cecilia zelf werd in opdracht van de prefect dagenlang in een kokend bad gezet, zonder schadelijke gevolgen echter, waarop zij door een beul met een zwaard driemaal in de hals werd geslagen. Haar hoofd was maar half van de romp gescheiden en aangezien het vier maal met een zwaard slaan van een veroordeelde onwettelijk was, leefde zij nog drie dagen vóór zij stierf en in de hemel werd opgenomen.”

 

Dit ietwat naïeve stichtelijke verhaaltje past uiteraard goed bij een non. De italianiserende stijl (het heiligenleven is geschreven in strofes met het rijmschema ababbcc) doet dat al veel minder. In de General Prologue wordt de tweede non overigens maar even vermeld en wij krijgen dus geen uitgebreide karakterbeschrijving van haar. De Second Nun’s Prologue, die gelukkig erg kort is, valt nogal saai uit, terwijl de Tale zelf tamelijk vlot geschreven is, maar anderzijds toch duidelijk niet behoort tot het beste uit The Canterbury Tales. The Riverside Chaucer [ed. 1987: 942] weet ad rem te melden: ‘Some critics have found the tale dull, but this may simply reflect a modern aversion to saint’s lives. It is the finest saint’s life in Middle English verse’. Of dat laatste inderdaad een referentie is, valt nog maar te bezien.

 

Goosen 1992: 86, schrijft: ‘Chaucer nam in The Legend of Good Women ( … ) een Lyfe of Seynt Cecile op’. Dat is manifest onwaar: de proloog van The Legend of Good Women bevat slechts één vers waarin meegedeeld wordt dat Chaucer een leven van de H. Cecilia schreef (And maad the lyf also of Seynt Cecile, zie The Canterbury Tales ed. 1987: 600, F 426), wat dus slaat op The Second Nun’s Tale. Het is niet de eerste maal dat wij Goosen 1992 [= Louis Goosen, Van Afra tot de Zevenslapers. Heiligen in religie en kunsten, Nijmegen, 1992] betrappen op zulke flagrante onjuistheden.

 

The Canon’s Yeoman’s Prologue / The Canon’s Yeoman’s Tale[Fragment VIII, Group G, vs. 54-1.481]

 

“Dit verhaal van de knecht van de kanunnik sluit in de proloog aan bij het verhaal van de tweede non. Het gezelschap van pelgrims wordt ingehaald door twee ruiters, een kanunnik en zijn knecht, die mee willen reizen naar Canterbury. Het is vooral de knecht die het woord voert en daarbij een boekje opendoet over zijn meester, die een alchemist blijkt te zijn. In de proloog stelt de knecht zijn kanunnik in een kwaad daglicht en deze laatste rijdt dan ook al snel boos weg. Dat geeft de knecht de gelegenheid een verhaal te vertellen over een andere kanunnik-alchemist die een Londense priester op onbeschaamde wijze bedriegt door hem zogenaamd in te wijden in de alchemistische kunst. Via allerhande trucjes doet de kanunnik de priester geloven dat hij waardeloze metalen in zilver kan veranderen en de argeloze man van God betaalt een grote som voor een waardeloos poedertje, waarmee hij zelf zogenaamd deze transmutatie zal kunnen verrichten.”

 

Er is geen bron voor dit verhaal bewaard gebleven, en wellicht komt het dus uit Chaucers eigen koker (misschien had Chaucer er een echte kanunnik-alchemist die hij kende, mee op het oog). De proloog en het verhaal van de knecht van de kanunnik vormen in ieder geval een prachtig stukje bewijsmateriaal voor de stelling dat de gemiddelde weldenkende mens in de (late) middeleeuwen geen hoge pet ophad van de alchemie en van (ten minste een gedeelte van) haar beoefenaars. Na lezing van dit verhaal kan men slechts verbaasd vernemen dat sommigen er niet van overtuigd zijn dat Chaucer erg sceptisch stond tegenover de alchemie (vergelijk The Canterbury Tales ed. 1987: 948). Een passage die in dit verband met vrucht kan geciteerd worden is The Canterbury Tales ed. 1987: 274 (Fragment VIII, Group G, vs. 834-843). The Canterbury Tales ed. 1987: 947-948, bevat trouwens een fraai beknopt overzicht van de geschiedenis en de receptie van de alchemie in de middeleeuwen. The Canon’s Yeoman’s Tale kan overigens niet beschouwd worden als één van de hoogtepunten van The Canterbury Tales.

 

The Manciple’s Prologue [Fragment IX, Group H, vs. 1-104]

 

“De waard wijst erop dat de kok bovenop zijn paard aan het indommelen is. De kok, die een kater blijkt te hebben van de vorige avond en door de waard wordt ‘veroordeeld’ tot het vertellen van een nieuw verhaal, wordt gered door de ‘manciple’ (kloostereconoom: Van Altena vertaalt met ‘inkoper voor een rechtsgenootschap’) die voorstelt in de plaats van de kok een verhaal te vertellen. De ‘manciple’ veegt echter tegelijk de kok op een nogal brutale wijze de mantel uit en wordt daarvoor terechtgewezen door de waard. De ‘manciple’ maakt het weer goed door de kok uit zijn drinkbus (die gevuld is met wijn) te laten proeven.”

 

The Manciple’s Tale [Fragment IX, Group H, vs. 105-362]

 

“De ‘manciple’ vertelt vervolgens de fabel van de kraai. Lang geleden woonde de god Phebus (Phoebus) nog op aarde met een zeer knappe vrouw. De erg jaloers aangelegde Phebus had ook een witte kraai die kon praten en zingen. Als op een dag de vrouw van Phebus overspel pleegt, begint de kraai als Phebus weer thuiskomt ‘koekoek, koekoek’ (in de middeleeuwen het internationale woord voor ‘hoorndrager’) te zingen. De vogel legt aan de verbaasde Phebus uit wat er gebeurd is, waarop deze laatste zijn vrouw doodt. Al snel heeft hij echter spijt van zijn daad en hij beschuldigt de kraai ervan een verrader en een leugenaar te zijn. Als straf verandert Phebus de kraai in een zwarte, duivelse, onheilspellende vogel die nog slechts kan krassen in plaats van mooie zang te produceren. De ‘manciple’ legt de moraal van de fabel uit: het is beter op je woorden te letten en de waarheid te verzwijgen, want wie een onaangename waarheid kenbaar maakt aan iemand, loopt kans er zelf het slachtoffer van te worden.”

 

Chaucers onrechtstreekse bron voor dit verhaal was Ovidius Metamorphosen, maar zijn rechtstreekse bron was waarschijnlijk een middeleeuwse bewerking hiervan, wellicht de Franse Ovide moralisé. In de General Prologue wordt de ‘manciple’ beschreven als een sluwe kerel die zijn zaakjes financieel goed weet te bestieren, maar naar ons aanvoelen niet speciaal als een bedrieger. In het verleden hebben sommige auteurs aangemerkt dat het verhaal van de ‘manciple’ helemaal niet aansluit bij zijn karakter, noch bij zijn eigen proloog (vergelijk The Canterbury Tales ed. 1987: 952). Duidelijk ten onrechte toch! De moraal die door de fabel van de kraai wordt geïllustreerd, vloeit namelijk volledig harmonisch voort uit het incident dat in de proloog beschreven wordt: de ‘manciple’ heeft daar de kok ongezouten de waarheid verteld, maar is al snel op zijn stappen teruggekeerd omdat de waard hem waarschuwde dat de kok wel eens wraak zou kunnen nemen door het (eventuele) gesjoemel van de ‘manciple’ met zijn boekhouding aan te klagen. Waarop deze laatste zich haast om vrede te stichten met de kok. Wat op zijn beurt dan weer volledig past bij het sluwe, opportunistische karakter van de ‘manciple’ zoals dat in de General Prologue naar voren komt.

 

Interessant voor onze Bosch-studie is dat in de proloog van de ‘manciple’ even de hooi-thematiek aan bod komt (hooi als symbool van nietswaardigheid), terwijl in de fabel zelf zowel de ‘vogel in zijn kooi’-topos (een gevangen vogel verlangt altijd terug naar de vrijheid in het woud) als de ‘kat vangt muis’-topos (elke kat wil muizen vangen) voorkomen. Beide topoi dienen om de neiging tot overspel van gehuwde vrouwen te illustreren, hoewel de ‘manciple’ zelf beweert dat het alleen over overspelige mannen gaat. Ongetwijfeld ironisch, want zijn verhaal gaat net over een overspelige vrouw. Het verhaal van de ‘manciple’ over de kraai – beknopt, vlot verteld en wijs als het is – behoort ongetwijfeld tot de betere fragmenten van The Canterbury Tales.

 

The Parson’s Prologue [Fragment X, Group I, vs. 1-74]

 

“Het is vier uur ‘s namiddags, de zon zinkt naar het westen en iedereen heeft zijn verhaal verteld, behalve de pastoor, die nu door de waard wordt aangesproken. De pastoor weigert echter een berijmd verhaaltje te vertellen. Hij wil wel een leerrijke en stichtelijke preek afsteken, in proza. De waard en de andere pelgrims gaan hiermee akkoord.”

 

The Parson’s Tale [Fragment X, Group I, r. 75-1.080]

 

“De pastoor houdt een zéér uitgebreid stichtelijk betoog over zonde en boetedoening, waarin onder meer één voor één de Zeven Hoofdzonden behandeld worden en de manier waarop men hen kan bestrijden.”

 

Het ‘verhaal’ van de pastoor is eigenlijk een stichtelijk prozatraktaat, meer bepaald een biechtspiegel. Chaucer baseerde zich blijkbaar op de Summa de Poenitentia, een traktaat over boetedoening van de dominicaan Raymund of Pennaforte, en op de Summa vitiorum, een zondenspiegel van de dominicaan William Peraldus. Daarnaast maakte hij ook nog gebruik van de anonieme Summa virtutum et remedie anime en van een aantal minder belangrijke bronnen. Hoewel sommige kenners betwijfelen of Chaucer deze tekst wel zelf geschreven heeft, staat hij – helemaal op het einde van The Canterbury Tales – toch duidelijk op zijn plaats en past hij mooi in het geheel. Terwijl de zon naar het westen aan het zakken is, worden de pelgrims (en de lezers) herinnerd aan hun menselijke zwakheid en zondigheid en krijgt de bedevaart naar Canterbury de allegorische dimensie van een pelgrimstocht doorheen het aardse leven, met als einddoel de eeuwige zaligheid. In de middeleeuwen werden het westen en de zonsondergang geassocieerd met het einde der tijden en het Laatste Oordeel werd steevast uitgebeeld boven de westingang van kerken en kathedralen. Op die manier krijgt Chaucers literaire meesterwerk uit de theocentrische middeleeuwen een geschikte theocentrische afronding.

 

Dat alles neemt nochtans niet weg dat het betoog van de pastoor oervervelend en langdradig is. In de moderne Penguin-hertaling van Nevill Coghill wordt het dan ook brutaalweg weggelaten (net als eerder reeds het geval was met het prozaverhaal van Melibee overigens).

 

Chaucer’s Retractions [Fragment X, Group I, r. 1.081-1.092]

 

“Chaucer neemt afscheid van zijn lezers (in proza). Hij vraagt deze laatsten om Christus te danken als ze bepaalde dingen in zijn tekst mooi hebben gevonden, en om de dingen die niet goed waren, toe te schrijven aan zijn beperkt talent. Vervolgens vraagt hij Christus vergiffenis voor de zondige dingen die hij geschreven heeft, waarop een lijstje volgt met de profane werken die hij geproduceerd heeft (onder meer: de verhalen uit The Canterbury Tales, ‘thilke that sownen into synne’ [degene die aansporen tot zonde]). Voor de stichtelijke boeken die hij geschreven heeft, bedankt hij echter Jezus, Maria en alle heiligen en hij hoopt dat hij zal gered worden op de dag van het Laatste Oordeel. Heere is ended the book of the tales of Caunterbury, compiled by Geffrey Chaucer, of whos soule Jhesu Crist have mercy. Amen.

 

Uitleiding

 

Chaucer, die rond 1387 aan zijn The Canterbury Tales was begonnen, overleed in 1400. Uit de vijftiende eeuw bleven 55 volledige of bijna-volledige kopieën van de Tales bewaard, naast 7 gehavende handschriften die ooit volledig moeten zijn geweest, en 20 handschriften met uittreksels. Voor een laatmiddeleeuwse tekst in de Engelse volkstaal is dat een bijzonder goede score en het wijst erop dat The Canterbury Tales (waarvan fragmenten hoogstwaarschijnlijk reeds vóór 1400 circuleerden in Chaucers Londense kring van kennissen en vrienden) kort na Chaucers dood al erg populair en bekend was.

 

Zoals in de inleiding reeds gesteld werd, wordt The Canterbury Tales ondanks het onvoltooide karakter nog steeds algemeen beschouwd als Chaucers meesterwerk, en als een meesterwerk van de Engelse literatuur tout court. The Reader’s Companion to World Literature [editie New York, 1973, p. 89] heeft het over ‘a splendid example of originality and poetic craftsmanship’ en ‘a universal comedy’ (naar analogie met Dante’s Goddelijke Komedie). De Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur [Deel II, C-E, Gent, 1964, p. 105] spreekt van ‘het hoogtepunt van de Engelse literatuur vóór Shakespeare’, en zo zou men rustig nog een tijdje kunnen doorgaan met het verzamelen van lovende citaten.

 

Duidelijk is dat The Canterbury Tales behoort tot de canon. Terecht? Om op deze vraag een antwoord te formuleren, zouden wij nu – na een volledige (niet-gecensureerde, niet-ingekorte) lectuur van de Tales – in staat moeten zijn. Wat het esthetische criterium betreft (is een literair kunstwerk mooi, origineel en aantrekkelijk geschreven en geeft het op die manier aanleiding tot leesplezier?), scoort The Canterbury Tales alles bij elkaar genomen en zeker voor een middeleeuwse tekst, vrij aardig, zonder dat men van een 100% geslaagd geheel kan spreken. Vijf van de 24 verhalen zijn zonder meer pareltjes in hun genre die zonder veel moeite ook de lezer van de 21ste eeuw nog kunnen inpalmen. Het zijn de verhalen van de molenaar (de middeleeuwen die zich van hun pikant-humoristische zijde laten zien), van de vrouw van Bath (inclusief haar lange, maar geen moment vervelende proloog), van de aflaatkramer (een knap verteld exempel met een beklijvende boodschap), van de nonnenpriester (een leuke en wijze dierenfabel, met een belezen maar slecht Latijn sprekende haan als hoofdfiguur) en van de kloostereconoom (nog zo’n behartenswaardige fabel, maar ditmaal over een praatzieke kraai). Daar komt dan nog bij dat de General Prologue, met zijn fraaie ‘Natureingang’ en sprankelende portretten van middeleeuwers, eveneens tot het beste van The Canterbury Tales behoort, net als de vol levendige dialogen stekende overgangsstukjes tussen de verschillende verhalen.

 

Vijf andere verhalen (die van de rentmeester, de klerk, de grondbezitter, de schipper en de priorin) zijn evenmin te versmaden, maar scoren toch net iets minder qua leesplezier dan de zonet genoemde onderdeeltjes. De resterende 14 verhalen (waarvan er weliswaar twee onafgewerkt zijn en twee voortijdig onderbroken worden) zijn echter duidelijk minder vlot toegankelijk, en vergen van de moderne lezer wel degelijk een ernstige inspanning om de lectuur tot een goed einde te brengen. Het langdradige verhaal over Melibee en de superlange prozapreek van de pastoor vormen hiervan de meest opvallende voorbeelden. Al bij al blijkt The Canterbury Tales qua esthetische waarde een score te behalen van zo’n 50%, wat – zoals gezegd – voor een middeleeuws werk zeker niet onaardig is, maar anderzijds toch aantoont dat van teksten die tot de canon behoren, niet altijd mag verwacht worden dat ze voor de volle 100% leesplezier garanderen.

 

Dat The Canterbury Tales overigens terecht tot de canon mag gerekend worden, blijkt manifest wanneer we ook het cultuurhistorische criterium laten meespelen (leert het literaire kunstwerk ons iets over de tijd en de omgeving waarin het ontstond?). Op dit vlak scoort Chaucers meesterwerk heel wat hoger dan 50%, want het brengt ons een flink stuk dichter bij de middeleeuwen, en vooral dan bij het veertiende-eeuwse Engeland. Bovendien blijkt dat één van de thema’s die in heel wat van de verhalen weerkeren, dat van de liefde, de erotiek en het huwelijk te zijn: niet alleen krijgen we bij Chaucer op die manier als het ware een encyclopedisch overzicht van wat de middeleeuwers over deze interessante aangelegenheden dachten, maar daarnaast blijkt wat gezegd wordt, vaak ook nog relevant te zijn voor de relatieproblematiek anno nu. De proloog van de vrouw van Bath en vooral ook haar fraaie verhaal (draaiend rond de kernvraag: What thyng is it that wommen moost desiren? – antwoord: de baas spelen over hun partner) zijn hier de duidelijkste voorbeelden van.

 

Conclusie. De verzuchting van Larry D. Benson in The Riverside Chaucer [p. 22]: ‘One wonders if a more finished, more nearly perfect version could have been any more satisfying’, is wellicht een klein beetje overdreven, maar dan ook slechts een klein beetje.

 

Esthetische quotering: ***½

Cultuurhistorische quotering: ****½

Algemene quotering: ****

 

[explicit 5 mei 2001]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram