Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
412-426
Moderne editie
Gerard Wijdeveld (vert.), "Aurelius Augustinus - De stad van God - Vertaald en ingeleid", Amsterdam, 2014 (8)
Taal
Latijn

De civitate Dei ed. 2014

De civitate Dei ed. 1981

 

 

De civitate Dei [De Stad van God] (Aurelius Augustinus) 412-426

 

[Nederlandse vertaling: Gerard Wijdeveld (vert.), Aurelius Augustinus – De stad van God – Vertaald en ingeleid. Ambo/Anthos, Amsterdam, 2014 (8)]

[Engelse vertaling: Henry Bettenson (vert.), Augustine – Concerning The City of God against the Pagans – A New Translation by Henry Bettenson with an introduction by David Knowles. Penguin Books, Harmondsworth (Middlesex, England), 1981]

 

 

Auteur

 

De kerkvader Aurelius Augustinus (354-430).

 

Genre

 

Een in Latijns proza geschreven, omvangrijk theologisch traktaat. De tekst omvat 22 boekdelen.

 

Situering / datering

 

Augustinus begon aan de tekst in 412 en voltooide hem in 426. Het werk werd stapsgewijs (telkens enkele boekdelen) gepubliceerd. De eerste drie boeken waren voltooid in 414, het vierde eind 415, boeken 6-11 waren waarschijnlijk afgerond in 416, boeken 12-14 tegen 420, en boeken 15-22 werden geschreven tussen 420 en de lente van 426 [ed. 2014: 16, ed. 1981: xvi].

 

Inhoud

 

Boek I

 

Augustinus geeft in dit boek uitvoerig antwoord op de bewering dat de plundering van Rome door Alarik en zijn Goten in augustus 410 zou te wijten zijn aan het feit dat de Romeinen hun oude goden niet meer vereren. Hij wijst erop dat de ‘barbaren’ de levens spaarden van wie een onderkomen had gezocht in de christelijke kerken (niet zo verwonderlijk overigens, daar Alarik zelf een christen was). Vrij veel aandacht wordt besteed aan christelijke vrouwen die verkracht werden: zij begingen geen zonde, zolang alleen hun lichaam werd bevlekt terwijl hun geest niet toegaf aan de wellust. Na de verkrachting en zelfmoord van Lucretia besproken te hebben, concludeert Augustinus dat verkrachte vrouwen geen zelfmoord mogen plegen, want zelfmoord is een zondige daad en nooit goed te praten. Opvallend is verder dat Augustinus fel afgeeft op theatervoorstellingen die volgens hem een teken van zedeloosheid zijn. Waarom dat zo is, wordt niet geheel duidelijk, want er worden geen details gegeven. De toenemende zedeloosheid was de eigenlijke oorzaak van de val van Rome. Een christen mens doorstaat tegenslagen gelovig en geduldig, net als Job, en hij wordt er niet slechter maar net (geestelijk en zedelijk) beter van.

 

Boek II

 

Augustinus toont hier aan dat Rome al zedelijk aan het vervallen was in de tijd vóór Christus en dat de Romeinse goden nooit hebben getracht het zedelijk peil van de Romeinen te verheffen, integendeel. De toneelspelen en feesten die zij voor zich lieten opvoeren en houden, waren schunnig en onzedig. Niet verwonderlijk daar iedereen weet dat die zogenaamde goden eigenlijk demonen zijn die de mensheid willen verderven. De Romeinen beseften dat zelf ook wel, want toneelspelers beschouwden zij als een verwerpelijk ras dat eigenlijk geen burgerrechten verdiende. Conclusie: de Romeinse goden hebben het zedelijke en morele verval van de Romeinen danig in de hand gewerkt.

 

Boek III

 

Een overzicht van de Romeinse geschiedenis vóór het christendom de officiële godsdienst werd. Deze geschiedenis was een haast constante aaneenschakeling van rampen, verschrikkingen, oorlogsgeweld en zedelijk verval en de Romeinse goden hebben niets gedaan om dat te verhinderen. Dat is begrijpelijk als men weet dat die goden in feite (vanuit christelijk perspectief) bedrieglijke duivels waren. De eerste drie boeken werden in 413-414 voor het eerst samen gepubliceerd en vormen zo een samenhangend geheel, met als rode draad een apologie van het christendom en een ontmaskering van de heidense (Romeinse) goden.

 

Boek IV

 

De uitbreiding van het Romeinse rijk werd door de Romeinen ten onrechte toegeschreven aan hun goden, die in werkelijkheid bedrieglijke demonen (duivels) waren. Alleen God is in staat een volk te begunstigen, zoals aangetoond wordt door de geschiedenis van de Joden. In dit hoofdstuk veegt Augustinus vooral de vloer aan met de oneindige reeks goden die de Romeinen hebben verzonnen en die elk zogenaamd verantwoordelijk zijn voor een bepaalde handeling of een bepaalde zaak.

 

Boek V

 

In dit boek (dat overigens plots een stuk ‘taaier’ is dan de vorige boeken) gaat het over de vraag wat de oorzaak is geweest van de grootheid van het Romeinse rijk. Dit lag niet aan het Toeval (fatum) en ook niet aan astrologische aspecten. Augustinus weidt lang uit over de goddelijke voorzienigheid en de vrije wil, om te besluiten dat de mens wel degelijk een vrije wil heeft maar dat God op voorhand weet wat de mens zal willen. God heeft de Romeinen begunstigd door hun rijk hier op aarde groot te maken. Het rijk van de christenen is echter van een heel andere aard: het is niet van deze wereld maar van de eeuwigheid.

 

Boek VI

 

Beantwoordt de vraag of het vereren van heidense goden de mens na zijn dood van nut kan zijn negatief, want die goden kunnen het leven vóór de dood niet eens sturen, laat staan dat van na de dood. Augustinus gaat dan een hele tijd in op het mythologisch godengeloof, de officiële staatscultus en de theologie der filosofen, die allemaal worden afgedaan als weinig waardevol. Een minder interessant boek, voor de moderne lezer althans.

 

Boek VII

 

Augustinus neemt al spottend een loopje met de reeks ‘belangrijke goden’ van de Romeinen, aan de hand van wat Marcus Varro daarover schreef. Aan bod komen onder meer Janus, Jupiter, Mercurius, Mars, Apollo, Diana, Vulcanus, Dispater, Neptunus, Minerva, Ceres, Liber, Tellus en Attis. Die zogenaamde goden waren ofwel gewone mensen waarvan men goden heeft gemaakt, ofwel waren het vermomde demonen. Helaas zijn de geschriften van de Romeinse koning Numa Pompilius over de goden op bevel van de Senaat ooit verbrand. Het ware heil vindt de mens enkel bij God.

 

Boek VIII

 

In dit boek behandelt Augustinus uitgebreid wat de filosofen over God en de goden hebben gezegd. Aan bod komen daarbij vooral Plato en zijn navolgers, de Platonici. Plato’s opvatting van God komt dicht bij het christelijk geloof, maar de Platonici hebben toch bedenkelijke dingen beweerd over het bestaan van meerdere goden en over in de lucht levende demonen die als bemiddelaars tussen de goden en de mensen zouden fungeren. Ook teksten van onder meer Apuleius en Hermes Trismegistus passeren daarbij de revue. Weer een eerder ‘taai’ boek, dit achtste.

 

Boek IX

 

De behandeling van de demonen gaat verder. Er zijn goede en slechte demonen. Augustinus heeft vervolgens een lang en omslachtig betoog nodig om te stellen dat ‘goede demonen’ een af te keuren term is voor engelen, dat de slechte demonen duivels zijn, en dat de enige ware middelaar tussen God en de mensen de godmens Jezus Christus is. De engelen zijn onsterfelijk en gelukzalig, de mensen zijn sterfelijk en ongelukzalig, de duivels zijn onsterfelijk en ongelukzalig, en Christus was tijdelijk sterfelijk en blijvend gelukzalig.

 

Boek X

 

Ook dit boek zet de discussie over demonen en goede engelen nog verder. In tegenstelling tot de demonen wensen de goede engelen niet dat zij vereerd worden met offers: alleen God dient vereerd te worden. Alleen de christelijke godsdienst is in staat de menselijke ziel te bevrijden, de leer der Platonici en het vereren van vele goden kunnen dat niet. De eerste tien boeken waren naar verluidt bedoeld om de ongelovigen te weerleggen die hun eigen goden stellen boven de ene ware God. Ook van dit tiende boek kan overigens gezegd worden dat het niet echt boeiend is.

 

Boek XI

 

Met het elfde boek begint het tweede grote deel van De civitate Dei. Volgens Augustinus zijn er twee steden: de Stad van God die alles omvat wat te maken heeft met het geloof in de ene ware God, en een andere stad die betrekking heeft op de verering van het aardse en van valse goden. In dit en de volgende boeken zal de geschiedenis van deze twee steden verhaald worden. Zij hebben beide hun begin gekend toen de engelen ‘uit elkaar gingen’. Augustinus (die zich vooral baseert op de tekst van Genesis) is van mening dat de engelen werden geschapen op de eerste dag van de Schepping, toen God het licht schiep. Toen God het licht van de duisternis scheidde, werden de goede engelen van de slechte, opstandige engelen (de duivels dus) gescheiden. Dit boek bevat weer een aantal langdradige uitweidingen, onder meer over de kwestie waarom het getal 6 (de zes dagen van de Schepping!) een volmaakt getal is.

 

Boek XII

 

Er zijn dus twee ‘steden’: die van de goede engelen en goede mensen die God dienen, en die van de slechte engelen en slechte mensen. De opvatting dat de tijd in cyclische kringen verloopt waarbij dezelfde dingen zich na een zekere periode herhalen, is onjuist. Adam was dus wel degelijk de eerste mens, vóór hem zijn er geen andere mensen geweest. God is de Schepper van het heelal en van alle levende wezens, en onder deze levende wezens is de mens op aarde het voornaamste. Met Adam, de eerste mens, zijn de twee gemeenschappen of steden begonnen.

 

Boek XIII

 

De zondeval van de eerste mensen werd bestraft met de dood. Bij de eerste dood wordt het lichaam gescheiden van de ziel, bij de tweede dood (naar aanleiding van het Laatste Oordeel) worden ziel en lichaam weer verenigd. Dit boek bevat weer lange, weinig interessante uitweidingen, onder meer over de ziel, het lichaam en de geest van de mensen.

 

Boek XIV

 

Er zijn twee ‘steden’: in de ene leven de mensen volgens het vlees, dat wil zeggen: volgens de mens, in de andere leven de mensen volgens de geest, dat wil zeggen: volgens God. Zonder Zondeval zouden alle mensen volgens de geest hebben geleefd, niet geplaagd door gemoedsstoornissen of lichamelijke ongemakken. De Zondeval werd veroorzaakt door hoogmoed. Als er geen Zondeval was geweest, dan zouden in Eden kinderen verwekt zijn zonder beschamende lust: de geslachtsdelen zouden aan de wil van de mens gehoorzaamd hebben, zoals dat nu nog altijd het geval is met andere lichaamsdelen.

 

Boek XV

 

Met Caïn en Abel begint het onderscheid tussen de stad van deze wereld en de stad van God. Veel aandacht wordt besteed aan de hoge leeftijden van de mensen vóór de Zondvloed en aan de geslachtslijsten in Genesis. Abel is als stamvader van de stad van God vervangen door Seth. Wat het huwelijk bij de kinderen van Adam en Eva betreft: broeders en zusters moesten toen noodgedwongen met elkaar huwen, er was niemand anders. De leden van de twee steden hebben zich later met elkaar vermengd waardoor de zondigheid ontstond die tot de Zondvloed leidde. De zonen van God die tot de dochters der mensen ingingen (Genesis 6,1) waren de mannelijke nakomelingen van Seth en de vrouwelijke nakomelingen van Caïn. De ark van Noë verwijst allegorisch naar Christus en de Kerk.

 

Boek XVI

 

In dit boek gaat Augustinus na hoe na de Zondvloed de Stad van God en de Stad van de Wereld zijn blijven voortbestaan. Het tweede en het derde tijdperk (respectievelijk van Noë tot Abraham en van Abraham tot David) worden hier behandeld, aan de hand van bijbelexegetisch commentaar. Uit het nageslacht van Sem is de Stad van God voortgekomen, uit Cham is de Stad van de Wereld voortgekomen. Opvallend is hoe de figuur van Mozes in de laatste hoofdstukken slechts erg oppervlakkig aan bod komt. De periode van Noë tot Abraham was als het ware de kindertijd van Gods volk, de periode van Abraham tot David was als het ware de jongelingentijd. Met David breekt een nieuw tijdsgewricht aan: nu beginnen de mannenjaren van Gods volk.

 

Boek XVII

 

Dit boek behandelt de profeten van Samuel tot de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap. Veel aandacht wordt besteed aan de profetische vooruitwijzingen naar Christus in de psalmen van David. Ook de boeken van Salomon komen aan bod, maar minder uitvoerig dan bij David het geval was. Bij de koningen na Salomon vallen naar verluidt nauwelijks profetieën in verband met Christus en de Kerk te vinden.

 

Boek XVIII

 

Augustinus bespreekt nu de geschiedenis van die andere stad, de Stad van de Wereld en het Vlees, vanaf de tijd van Abraham. Twee volken speelden in die tijden een grote rol: eerst de Assyriërs in het oosten, daarna de Romeinen in het westen. Aan bod komen ook de volkeren van het oude Griekenland en Egypte. Vervolgens besteedt Augustinus uitgebreid aandacht aan de voorspellingen over Christus en de Kerk zoals die kunnen afgeleid worden uit de profetische boeken in de Bijbel. Aan bod komen daarna de heidense filosofen. Deze spraken soms de waarheid, maar vaak spraken ze elkaar onderling tegen, wat aantoont dat zij veel minder betrouwbaar zijn dan de bijbelse profeten. De bijbelse profetieën (zoals die van Enoch en Noë) zijn trouwens veel ouder dan de heidense filosofie. De goddelijke wijsheid van patriarchen en profeten overtreft verre de wijsheid van om het even welk aards volk. Niet voor niets wordt de aardse stad (die geregeerd wordt door de duivel) symbolisch ‘Babylon’ (= verwarring) genoemd.

 

Augustinus gaat dan nader in op de verschillende versies en vertalingen van de Bijbel. Meest gezaghebbend is volgens hem de Septuaginta (ooit door 70 geleerden vanuit het Hebreeuws naar het Grieks vertaald). Wanneer andere vertalingen (zoals de Vulgaat) afwijken van de Septuaginta, kunnen die afwijkingen echter ook een diepere, door God geïnspireerde betekenis hebben. Na de verrijzenis van Christus verspreidde de Kerk zich via prediking over de wereld en toen de duivel dat merkte, bracht hij de ketters op de been, om de Kerk tegen te werken. De Kerk heeft voortdurend te lijden onder vervolgingen en tegenwerking en dat zal waarschijnlijk zo blijven tot de allerlaatste vervolging, die van de Antichrist. Augustinus is zo met de geschiedenis van de twee steden (de aardse en de hemelse) aanbeland in zijn eigen tijd. De volgende boeken zullen het einde van deze beide steden bespreken.

 

Boek XIX

 

In dit boek gaat het over het eindpunt van de beide steden, de hemelse en de aardse, en die eindpunten zijn het Opperste Goed en het Opperste Kwaad. Het Opperste Goed is het eeuwige leven in de vrede, en het Opperste Kwaad is de eeuwige dood. Lang wordt er uitgeweid over de hemelse en de aardse vrede. Deze laatste is zowel belangrijk voor hen die niet geloven (de aardse stad) als voor hen die wel geloven (de hemelse stad), maar de gelovigen weten dat vergeleken met de hemelse vrede, het aardse leven niets dan ellende is, zelfs al heerst er aardse vrede. Boek XIX is overigens één van de wolligste en taaiste van de hele De civitate Dei.

 

Boek XX

 

In dit boek komen de getuigenissen rond het Laatste Oordeel uit de Bijbel aan bod. Eerst die uit het Nieuwe Testament (Apocalyps, de apostel Petrus, de apostel Paulus). Ook de ‘vermoedens van anderen’ komen even aan bod. Vervolgens worden de getuigenissen uit het Oude Testament behandeld (Isaias, Daniël, de Psalmen, Malachias). Dat Christus bij het Laatste Oordeel als rechter zal zetelen, komt duidelijker tot uitdrukking in het Nieuwe Testament dan in het Oude Testament. Uit de getuigenissen worden de volgende zaken duidelijk in verband met de Jongste Dag: Elias zal komen, de Joden zullen geloven, de antichrist zal de Kerk vervolgen, Christus zal recht spreken, de doden zullen verrijzen, goeden en kwaden zullen gescheiden worden, de wereld zal verbranden en dan vernieuwd worden.

 

Boek XXI

 

Dit boek behandelt de bestraffingen van de zondaars en de duivels na het Laatste Oordeel. Er wordt uitgebreid aandacht besteed aan de verdediging van de idee dat de zielen na het Laatste Oordeel lichamen zullen hebben en dat die eeuwig zullen branden. Het argument dat dit ongeloofwaardig is, wordt weerlegd door te wijzen op het feit dat wij hier op aarde ook al een aantal verbazingwekkende feiten zien die eigenlijk ongeloofwaardig zijn en toch gebeuren. Vervolgens wordt uitgebreid ingegaan tegen de idee dat de zondaars na het Laatste Oordeel op barmhartigheid zouden kunnen rekenen. In wezen is dit een weinig interessant en veel te wijdlopig boek.

 

Boek XXII

 

In dit laatste boek wordt de eeuwige gelukzaligheid van de goede christenen na het Laatste Oordeel besproken. God verricht vandaag nog steeds vele wonderen. De niet-christenen zeggen dat ook hun goden wonderbaarlijke dingen hebben gedaan, maar dat is het werk van demonen. God is in staat de menselijke lichamen zo te maken dat zij ook in de hemel kunnen wonen. Augustinus behandelt dan de vragen hoe kinderen en misgeboorten zullen verrijzen, of vrouwen als vrouwen zullen verrijzen, wat er zal gebeuren met de haren en de nagels en met het vlees van dode mensen die gegeten zijn door andere mensen. De eindconclusie is dat bij de verrijzenis de lichamen de vorm zullen hebben die ze zouden moeten gehad hebben of effectief gehad hebben bij de bloei der volwassenheid. Het aardse leven van de mens wordt geteisterd door allerhande wandaden die de mens verlagen tot het niveau van beesten. Toch is in de mens, die geschapen is naar Gods beeld, de vonk van het verstand niet geheel en al uitgedoofd. De zaligen zullen eeuwig gelukkig zijn terwijl ze God aanschouwen en loven.

 

Thematiek

 

‘Het is niet gemakkelijk de bedoelingen, de opzet en de inhoud van zo’n groot en veelomvattend werk als De stad van God in het kort te beschrijven,’ noteert Gerard Wijdeveld terecht in de inleiding bij zijn vertaling [ed. 2014: 16-17]. In het hoofdstuk over Augustinus in zijn Legenda aurea (circa 1260) geeft Jacobus de Voragine zulk een korte beschrijving: ‘It was at that time that the Goths sacked Rome, and Christians suffered much at the hands of these idolators and infidels. This prompted Augustine to write the The City of God. In it he showed that the just are bound to be oppressed in this life while the impious flourish. The book treats of the two cities, Jerusalem and Babylon, and their kings, the king of Jerusalem being Christ, the king of Babylon, the devil. Two loves, he says, build the two cities: the city of the devil is built by love of self growing into contempt of God, and the city of God by love of God growing into contempt of self’ [Legenda aurea II ed. 1993: 126].

 

Een moderne ‘korte beschrijving’ treffen we aan in The Reader’s Companion to World Literature [1973: 45]: ‘Augustine wrote the City of God as a direct result of the sack of Rome by the Goths, A.D. 410, a disaster which spread consternation throughout the world and revived the age-old pagan lamentation that nothing had gone well since the Christians came. In the first 10 of its 22 books he upholds the thesis that the gods are of no avail either in this life or in any other. In the last 12 he develops the concept that every man owes allegiance to  one or the other of two cities, the city of God or the city of this world; he describes the origin, progress, and destiny of these two cities; and in so doing, he finds an adequate means of explaining the whole spiritual experience of mankind’.

 

In het eerste hoofdstuk van boek XV geeft Augustinus zelf een duidelijke omschrijving van wat hij bedoelt met de ‘twee steden’: ‘Wij hebben het menselijk geslacht ingedeeld in twee geslachten, dat van degenen die volgens de mens en dat van degenen die volgens God leven. Allegorisch duiden we ze ook wel aan als twee steden ofwel mensengemeenschappen, de ene voorbestemd om met God in eeuwigheid te heersen, de andere om met de duivel een eeuwige bestraffing te ondergaan’ [ed. 2014: 673]. In zijn Geschiedenis van de Latijnse letterkunde [De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, 1949] vat P. Romuald Banz de structuur van De civitate Dei als volgt samen: ‘Aan de weerlegging van die beschuldiging [dat de christenen de schuld zijn van de plundering van Rome door Alarik]  wijdt Augustinus de eerste vijf boeken van zijn geschrift: aan de hand van Rome’s geschiedenis bewijzen ze dat de veelgoderij geen invloed heeft op aards geluk of ongeluk. Van het zesde tot het tiende boek toont de auteur aan dat de godenkultus ook voor het leven der toekomst zonder belang is. Daarop verruimt hij de loutere weerlegging tot een grootscheepse theologie der wereldgeschiedenis (boeken 11 tot 22)’. In dat tweede deel ‘schildert Augustinus in een diepzinnig betoog de oorsprong (boeken 11 tot 14), de ontwikkeling (15-18) en het einde (19-22) der beide “Staten”. Hij begint bij Abel en Kaïn, in wie de strijd tussen de beide “Staten” op aarde voor de eerste maal zichtbaar werd, vervolgt dan de gehele geschiedenis van heidendom en Jodendom tot bij Christus, en “ziet” ten slotte, in het licht der Bijbelse profetieën, de strijd van de Kerk tegen het “antichristendom” tot aan het Laatste Oordeel en de glorierijke triomf van de “Civitas Dei”’ [Banz 1949: 164-165].

 

In zijn Retractationes uit 427 schreef Augustinus zelf het volgende over zijn in 426 voltooide De civitate Dei:

 

'Intussen kreeg Rome een zware ramp te verduren: het werd bij een inval van de Goten, die onder aanvoering van hun koning Alarik stonden, verwoest. De vereerders van de vele, valse goden, voor wie wij het woord pagani plegen te gebruiken, probeerden de christelijke godsdienst voor die verwoesting verantwoordelijk te stellen en begonnen de ware God feller en verbitterder dan ze doorgaans deden te lasteren. Daardoor ontvlamde ik in ijver voor het huis van God en besloot ik tegen hun godslasteringen of dwalingen de boeken over de stad van God te schrijven. Dit werk hield mij heel wat jaren bezig: er kwamen namelijk veel andere dingen tussenbeide die geen uitstel duldden en met wier oplossing ik mij eerst moest bezighouden; maar dat werk over de stad van God, een omvangrijk werk, kreeg tenslotte in tweeëntwintig boeken zijn beslag.

De eerste vijf weerleggen degenen naar wier mening de eredienst der vele, door de heidenen vereerde goden noodzakelijk is voor het welvaren van het mensdom, en naar wier beweren het verbod van deze eredienst die rampspoed had veroorzaakt en verergerd. De volgende vijf zijn tegen hen gericht, die wel erkennen dat zulke ongelukkige gebeurtenissen in het leven der stervelingen nooit hebben ontbroken en ook nooit zullen ontbreken en zich, nu eens erger dan weer minder erg, verschillend naar plaats, tijd en personen blijven voordoen, maar die de stelling verdedigen dat de eredienst waarin aan de vele goden wordt geofferd, van nut is voor het leven na de dood. In deze tien boeken worden dus die twee ongegronde, tegen de christelijke godsdienst gerichte meningen weerlegd.

Men mocht ons echter niet kunnen verwijten dat wij alleen de meningen van anderen hadden weerlegd, maar de onze niet hadden uiteengezet. Dat laatste betoogt dus het tweede deel van dit werk, dat twaalf boeken beslaat. Ook in de eerste tien worden overigens, waar dat nodig is, onze eigen meningen uiteengezet en ook in de laatste twaalf weerleggen wij wel de daarmee strijdige opinies. Van die twaalf dan volgende boeken behandelen de eerste vier het ontstaan van de twee steden, die van God en die van deze wereld; de volgende vier beschrijven hun verdere loop of ontwikkeling; het derde en laatste viertal gaat over de hun toekomende eindbestemming. Zo heeft het geheel van de tweeëntwintig boeken, hoewel ze over de beide steden gaan, zijn titel van de beste der twee gekregen en heet het toch maar De stad van God' [ed. 2014: 18-19].

 

Receptie

 

‘De “schone letteren” verrijkt hij met zijn Confessiones, De civitate Dei en De doctrina christiana. De eerste twee werken behoren tot de rijkste schatten der wereldliteratuur’, noteert Branz [1949: 163], en ook, over De civitate Dei in het bijzonder: ‘In de hoofideeën van dit werk zijn haast al de enigszins belangrijke vragen van filosofie en theologie ingeschakeld, zodat we hier in zekere zin beschikken over een “summa” van het hele toenmalige denken, “een der indrukwekkendste scheppingen van alle tijden; ze veronderstelt een kapaciteit en originaliteit van geest zoals die toen en gedurende meer dan een millennium later niemand heeft bezeten” (Norden)’ [Banz 1949: 165]. En Bettenson schrijft in de inleiding bij zijn Engelse vertaling: ‘There is much deep thought in the City of God that has been absorbed wholly or in part by Christian tradition’ [ed. 1981: xxvi].

 

In de late Middeleeuwen was De civitate Dei zeer bekend en invloedrijk: ‘De geleerde benedictijn A. Wilmart kon in 1931 over 376 handschriften van De civitate Dei berichten; de inleider van de uitgave in het Corpus christianorum wist er in 1955 nog 22 aan toe te voegen. Merkwaardig zijn de vele met miniaturen verluchte manuscripten. In de vijftiende eeuw is het aantal gedrukte uitgaven van De civitate Dei opvallend groot geweest: tussen 1467 en 1470 verschenen er al vier. Vertalingen waren er ook al vóór de boekdrukkunst vervaardigd: de Franse van Raoul de Presles uit 1375 en de Spaanse van Gómez García del Castillo uit 1434 schijnen de oudste te zijn geweest. Naarmate de gedrukte boeken talrijker werden, vond ook een steeds groeiend aantal vertalingen hun weg naar lezers, die met Augustinus’ niet zo gemakkelijk leesbare tekst minder goed overweg konden’ [ed. 2014: 34].

 

Profaan / religieus?

 

Manifest religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

In een korte recensie van Wijdevelds Nederlandse vertaling in: Hermeneus schrijft G.J.M. Bartelink: ‘Hoevelen zouden de volledige tekst van Augustinus’ De civitate Dei – toch één van de bekendste werken uit de wereldliteratuur en invloedrijk als weinig andere – gelezen hebben? Het zal menigeen vergaan zijn als mijzelf. Bij gelegenheid neemt men het werk ter hand, maar het lukt nooit het in één adem te lezen en men is telkens weer gestrand, lang voor de haven bereikt is. Een verklaring is niet moeilijk te geven. Bij alle bewondering voor de grootse conceptie van het werk en de boeiende visie op de geschiedenis van de mensheid, voelt men zich toch herhaaldelijk geremd door de vele tijdgebonden elementen, zoals de getallensymboliek en de etymologiseringen, en met name door de brede historische en archeologisch-religieuze excursen. Zelfs nu Wijdeveld de moed heeft gehad de hele Stad Gods in het Nederlands te vertalen, is het geen geringe opgave dit ondanks alle uitweidingen strak geconcipieerde werk in zijn geheel te lezen’. Uitermate herkenbaar is deze eerlijke bekentenis van Bartelink. Ik had zelf ook jaren nodig om de ganse tekst te ‘verteren’ en ben het volledig eens met de gerenommeerde classicus.

 

Wijdeveld (die inderdaad álle lof verdient voor dit gigantische vertaalwerk) schrijft in zijn inleiding dat ‘men moeilijk kan beweren dat de polemiek tegen de heidense godsdienst in zijn grote werk altijd even boeiende lectuur is. Het verlangen om grondig en volledig te zijn, heeft de bisschop nogal eens in een wat drukkende wijdlopigheid doen vervallen. In de oudheid – trouwens ook lang daarna – kende men nog niet de huidige haast om conclusies te presenteren en definitieve meningen uit te spreken. Niettemin loont het vaak de moeite om in deze polemieken de wijdlopigheid met enige volharding te doorstaan’. Wijdeveld heeft op vele plaatsen de ciceroniaanse volzinnen van Augustinus’ Latijn aangepast en toegankelijker gemaakt, maar: ‘Ook in die “gemakkelijker” aandoende zetting zullen overigens Augustinus’ gedachten nog heel wat van de lezer eisen’ [ed. 2014: 36-37].

 

De heilige kerkvader heeft natuurlijk zelf ook wel beseft dat hij veel van zijn lezers eiste. In hoofdstuk 31 van boek XI noteert hij: ‘Dit boek is echter toch al vrij lang geworden en ik ben bang de indruk te maken van iemand die, als hij daartoe de gelegenheid krijgt, zijn wetentje meer speels dan nuttig probeert te etaleren’ [ed. 2014: 535]. En op het einde van het laatste hoofdstuk van het laatste boek luidt het: ‘Wie het te kort of te lang vinden, mogen het mij vergeven’ [ed. 2014: 1201]. Zou er inderdaad – in alle eerbied gezegd – ooit één lezer geweest zijn die het te kort vond?

 

Recensies van de editie-1984

 

  • J.M. Bartelink, in: Hermeneus, jg. 56, nr. 4 (oktober 1984), pp. 281-282.
  • Guido Maertens, “Jeruzalem en Babylon – De Civitate Dei voor het eerst vertaald”, in: De Standaard der Letteren, nr. 1691, 6 oktober 1984.
  • Johan Verstraeten, in: Boekengids, jg. 63, nr. 3 (april 1985), pp. 201-202.

 

[explicit 9 juli 2019]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram