Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
Circa 1270
Moderne editie
Eelco Verwijs (ed.), "Jacob van Maerlants Naturen Bloeme", Arnhem, 1980
Taal
Middelnederlands

Der Naturen Bloeme I/II ed. 1980

Der Naturen Bloeme I ed. 1857

 

 

Der Naturen Bloeme

(Jacob van Maerlant) circa 1270

 

[Kritische teksteditie: Eelco Verwijs (ed.), Jacob van Maerlants Naturen Bloeme. Twee delen, Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde, Gijsbers & van Loon, Arnhem, 1980 (ongewijzigde herdruk der uitgave in twee delen van 1872/1878)]

 

[Kritische teksteditie: J.-H. Bormans (ed.), Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant, met inleiding, varianten van hss., aenteekeningen en glossarium, op gezag van het gouvernement en in naem der Koninklijke Academie van Wetenschappen, Letteren en Fraye Kunsten, voor de eerste maal uitgegeven. Eerste deel, M. Hayez, Brussel, 1857]

 

[Diplomatische teksteditie: Maurits Gysseling m.m.v. Willy Pijnenburg (eds.), Corpus van Middelnederlandse Teksten (tot en met het jaar 1300) – Reeks II: Literaire Handschriften – Deel 2: Der Naturen Bloeme, Martinus Nijhoff, ’s-Gravenhage, 1981]

 

 

Auteur

 

Jacob van Maerlant.

 

Genre

 

Der Naturen Bloeme is een natuurkundig traktaat, geschreven in Middelnederlandse verzen, en bevat het oudste, bewaard gebleven Middelnederlandse bestiarium. Een bestiarium bestaat uit een reeks beschrijvingen van dieren, waarbij twee componenten een belangrijke rol spelen: een ‘wetenschappelijke’ (men krijgt informatie over uiterlijk en gedragswijze van dieren) en een moralistisch-symbolische (gedrag en uiterlijk van dieren dienen als vertrekpunt om belerende en vermanende parallellen te trekken met godsdienstige kwesties en met de mensenwereld). Dit laatste sluit aan bij de typisch middeleeuwse gedachte dat al het bestaande een gelijkenis is en dat de aardse realiteit verwijst naar de hogere, metafysische werkelijkheid.

 

Der Naturen Bloeme is echter ruimer opgevat dan enkel als bestiarium. De boeken II tot en met VII behandelen weliswaar de viervoetige dieren, de vogels, de watermonsters, de vissen, de slangen en de insecten, maar daarnaast vindt men in boek I beschrijvingen van allerhande wonderbaarlijke mensenrassen, terwijl de boeken VIII tot en met XIII handelen over gewone bomen, specerijbomen, geneeskrachtige kruiden en planten (een herbarium), bronnen en waterlopen, (edel)stenen (een lapidarium), en de zeven metalen die uit de aarde gedolven worden. De titel van het werk kan vertaald worden als Het beste uit de natuur, zoals Van Oostrom [1996: 218] voorstelt.

 

Situering / datering

 

De 11 bewaarde, (min of meer) volledige handschriften met tussen vierkante haken de dateringen zijn (bronnen: Deschamps 1970: 78-79, Westgeest 1993: 150, Jansen-Sieben 1989, Van der Voort 2001: 54-55):

 

  • A : Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, KAW XVI, in bruikleen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen [circa 1350-75].
  • Al : Münster, Universitätsbibliothek, N.R. 381 (het ‘Dyckse handschrift’) [XIVc].
  • B : Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19.546 [kort na 1300, 1314-1322].
  • Br : Bremen, Stadtbibliothek, Ms. 39 [1453].
  • D : Detmold, Lippische Landesbibliothek, Ms. 70 [1287-1319].
  • H : Hamburg, Staats- und Universitätsbibliothek, Ms. Phil. germ. 19 [1345].
  • L : Leiden, Universiteitsbibliotheek, BPL 14A [XIV].
  • Lo : Londen, British Museum, British Library, Add. Ms. 11.390 [XIVA].
  • T: Trier, Stadtbibliothek, Deutsche Fragmente, Mappe IV, nr. 6 [circa 1300].
  • V : Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 76 E 4 [XV].
  • Wo : Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek, Ms. 2607 (58. 7 Aug. fol.) [XIV].

 

Fragmenten (bronnen: Westgeest 1993: 151, Goossens 1984: 201, Jansen-Sieben 1989):

 

  • E : Leiden, Universiteitsbibliotheek, Ltk. 1527, 9-12 en a-e [circa 1400].
  • G : Brugge, Stadsarchief, Oud Archief, reeks nr. 538 [1463].
  • I : Leiden, Universiteitsbibliotheek, Ltk. 2158 [circa 1350].
  • M : München, Bayerische Staatsbibliothek, Cgm 5249/79 [XIIId].
  • N : Nijmegen, Stadsarchief, 11 [geen datering].
  • Aberdeen, King’s College, University Library, II 0919 Fra 56. Het betreft vier strookjes [XIVd].
  • Antwerpen, Stadsarchief [XIVA].
  • Aschaffenburg, Hofbibliothek und Stiftsbibliothek Schloss Johannisburg. Waarschijnlijk verloren gegaan in Wereldoorlog II.
  • Berlijn, Staatsbibliothek Preussischer Kulturbezitz, mgf 52 [circa 1350].
  • Berlijn, Staatsbibliothek Preussischer Kulturbesitz, mgf 751 [circa 1380].
  • Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.624-41 [1351].
  • Brussel, Koninklijke Bibliotheek, IV 209 [geen datering].
  • Brussel, Koninklijke Bibliotheek, IV 398 [XIV].
  • Brussel Koninklijke Bibliotheek, IV 1235 [circa 1360-1440].
  • Chicago, University Library, Ms. 686, frgm. 68 [XIV].
  • Düsseldorf, Universitätsbibliothek, K2 [geen datering].
  • Gent, Universiteitsbibliotheek, 1457 [XVB].
  • Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 71 H 45 [XIV].
  • Leiden, Universiteitsbibliotheek, Ltk. 179 [XIV].
  • Leuven, Universiteitsbibliotheek [geen datering, in brand vernietigd].
  • Londen, British Library, Loan 29/332 [circa 1390].
  • Mechelen, Stadsarchief [geen datering].
  • Middelburg, Zeeuwse Bibliotheek, 6353 [circa 1500].
  • Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 13.440 (Suppl. 2544) [circa 1350].

 

De editie-Verwijs (die ik raadpleegde) betreft L, A, B en V. De editie-Gijsseling betreft D (dat soms beschouwd wordt als het beste handschrift). Volgens Matla [1990: 113] en Van der Voort [2001] is echter Lo het handschrift dat tekstueel het beste uit de bus komt en bovendien een hecht geheel met de illustraties vormt.

 

Maerlant bewerkte zijn Der Naturen Bloeme naar een Latijns voorbeeld: De natura rerum (ook wel De naturis rerum) van Thomas van Cantimpré (al dacht Maerlant zelf dat deze tekst geschreven werd door Albertus Magnus). Thomas Cantimprensis was een Leuvense professor en een leerling van Albertus Magnus. De natura rerum had echter als geïntendeerd publiek de intellectuele geestelijkheid, terwijl Maerlant zijn werk meer toespitste op een adellijk lekenpubliek. Maerlants bewerking van de inhoud van zijn bron bestond dan ook vooral uit selecteren en vereenvoudigen. Hij laat de hoofdstukken over de ziel, de menselijke anatomie, meteorologie en astronomie weg, net als subtiele biologische onderverdelingen, fijne kneepjes van de anatomie, de meeste Bijbelcitaten en bijna alle etymologieën. Wat Maerlant echter aan inhoud van Cantimpré overneemt, volgt hij redelijk getrouw. Wat de bewerking van de moraal betreft, wijkt Maerlant veel meer af van zijn bron, hetzij door de oorspronkelijke moraal weg te laten, hetzij door hem te veranderen en meer toe te spitsen op zijn adellijke leespubliek. Maerlants boek bevat naar verhouding meer moraal dan informatieve inhoud in vergelijking met het werk van Cantimpré, wat Der Naturen Bloeme ondanks zijn pionierspositie binnen het Middelnederlands toch iets ‘ouderwetser’ maakt (geplaatst tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de biologie. [Voor deze alinea: Burger 1990.]

 

Inhoud

 

In de prologhe (158 verzen) stelt Maerlant zijn (talrijke) bronnen voor, waarbij hij zijn belangrijkste bron (De natura rerum, niet letterlijk vernoemd) toeschrijft aan van Coelne broeder Alebrecht (Albertus Magnus dus) en het bestiarium dat eerder geschreven werd door ene heer Willem Uten Hove uit Aardenburg afkeurt, omdat het vertaald is uit het Frans en onbetrouwbaar. Vervolgens geeft Maerlant een overzicht van de dertien hoofdstukken die zullen volgen en draagt hij zijn tekst op aan heer Nicolaas van Cats.

 

In Boek I (496 verzen) bespreekt Maerlant eerst de vijf levensperioden van de mens. Vervolgens gaat het over wonderlijke mensenrassen in verre streken (voornamelijk in of in de buurt van Indië). Aan bod komen onder meer de kentaur die Sint-Antonius ontmoette (volgens Sint-Hiëronymus’ Vita Pauli), amazones, Naecte Vroede, Braghmanne, mensen die hun ouders opeten als ze oud geworden zijn, reuzen, lilliputters, vrouwen wier kinderen grijs geboren worden, mensen die in plaats van voeten handen hebben, menseneters, cyclopen, mensen met maar één voet die hen beschermt tegen de zon, mensen met hun gezicht op hun borst, mensen die van de geur van appels leven, vrouwen met baarden, mensen die ruw behaard zijn, mooie vrouwen met een hondengebit, pygmeeën (die vechten tegen de kraanvogels), en mensen wier ogen ’s nachts oplichten. Dichter bij huis, in Europa, zijn er onder meer vrouwen bij wie er, wanneer zij baren, eerst een pad tevoorschijn komt, mensen met een grote krop onder de keel, en mensen met zowel mannelijke als vrouwelijke genitaliën. Vermeld worden ook de reus Hercules en reuzen in Duitsland. Geloof het of niet, zegt Maerlant, het kan mij niet schelen, maar ik vertel wat in de boeken vond.

 

Boek II (4032 verzen) behandelt de zoogdieren. Maerlant presenteert eerst enkele algemene weetjes over zoogdieren en slaat daarbij regelmatig aan het moraliseren. In de verzen 181-186 veroordeelt hij bijvoorbeeld masturberen, want mannen zijn de enige dieren die hun zaad (soms) buiten het wijfje storten. Vervolgens krijgen we een alfabetische opsomming van 108 zoogdieren, waarbij Maerlant zich baseert op de Latijnse namen, omdat hij van sommige van die namen de Middelnederlandse vertaling niet kent (zie verzen 223-226). Ik geef hieronder de Latijnse termen en tussen haakjes de Middelnederlandse vertaling van Maerlant en de modern-Nederlandse benaming.

 

Aan bod komen dan: asinus (esel = ezel) / aper silvestris (everswijn = everzwijn) /  aper domesticus (tam everswijn, beer = varken) / aloy (? = lijkt op kameel maar zonder knieën) / anabula (? = hoofd van kameel, hals van paard, sterk behaard, leeft in Ethiopië) / alches (? = dier met lange bovenlip) / achune (? = dier met zijn gal in het oor) / ana (? = een wreed dier) / bubalus of bisontes (bufel = buffel) / bonacus (? = hoofd van een stier, lijf van een paard) / camelus (cameel = kameel) / canis (hont = hond) / castor (bever = bever) / chama (? = hyena?) / calopus (? = dier met lange, zaagvormige horens) / camelus pardalis (? = hoofd van kameel, hals van paard, poten van hert) / capra (gheet = geit) / capreola (ree = ree) / cathus (? = soort zwijn waarvan de buik vuur uitstoot) / ceffusa (? = dier met menselijke handen en voeten) / cervus (heert = hert) / cymera (? = ?) / cyrogrillus (? = egel) / cuniculus (conijn = konijn) / crisetecus (? = ?) / corocrotes (? = bastaard van wolf en teef) / cathepleba (? = catoblepas, fabeldier met zwaar hoofd dat in de Nijl leeft)) / damma (? = damhert) / dammula (danwilt = damhertje, ree) / duram (? = ?) / daxus (das = das) / elephas (olifant, elpendier = olifant) / equus (paert = paard) / equicervus (? = een soort paardhert) / eale (? = paard met lange hoorn, gestaart als olifant, met kin als everzwijn) / henichyres (? = paard-stier met lange kromme hoornen) / henitra (? = ?) / erinacius (hetzelfde als cyrogrillus, eghel, heerts = egel) / erminius (hermelijn = hermelijn) /falena (? = ?) / furunculus (foret = fret) / furions (? = ?) / feles (? = ?) / finges (? = ?) / glis (slaepmuse = slaapmuis?) / gali (? = ?) / geneta (? = ?) / guessules (? = ?) / ibex (? = ?) / ibrida (? = bastaard van everzwijn en varken) / istrix (portaspijn, de bron heeft ‘porcus aspinus’ = stekelvarken) / hyena (? = hyena) / leo (lewe, liebaert = leeuw) / leopardus (lupaert = luipaard) / lamia (? = ?) / lausani (? = ?) / linx (? = linx) / lichaon (? = ?) / lupus (wolf = wolf) / linciscus (? = bastaard van hond en wolvin) / lentrocotha (? = ?) / leoncophona (? = ?) / lacta (? = ?) / lepus (hase = haas) / luter (otter = otter) / locusta (? = sprinkhaan?) / mulus (? = muilezel) / monocheros (eenhoorn, maar niet de eenhoorn die door een maagd gevangen wordt = neushoorn?) / molosus (? = ?) / mauricomorion (? = ?) / mancicora (? = ?) / musquelibet (? = ?) / mamonetus (? = een soort aap) / migale (? = ?) / musio (cat = kat) / mustela (mushont = wezel) / mus (muus = muis, ratten zijn overigens naar verluidt een andere soort muizen) / neomon (? = ?) / onager (wilt esel = wilde ezel) / onocentaurus (? = hippokentaur, naar verluidt ontmoette Sint-Antonius er ooit een) / orix (? = oryx) / oralfus (? = giraf) / ovis (scaep = schaap) / pardus (? = paart met de leeuwin) / panthera (? = panter) / pirander (? = ?) / pilosus (wiltman = ?) / papilio (? = ?) / pathio (? = ?) / putorius (tfitsau, bonigher = bunzing) / pirolus (eencorin = eekhoorn) / rangium (? = rendier?) / symea (symminkel = aap) / tygris (? = tijger) / taurus (stier, verring, verre = stier) / tranes (? = ?) / tragotide (? = ?) / talpa (mol = mol) / unicornus (eenhoeren, espentijn, rinocheros = eenhoorn) / ursus (baer = beer, er zijn ook ijsberen) / veson (wesende = ?) / uryn (? = ?) / vulpes (vos = vos) / varius (? = een soort eekhoorn) / zubro (? = een soort wilde stier) / zubo (? = een soort hyena).

 

Boek III (3674 verzen) begint met enkele algemene weetjes over vogels, waarna elke vogel apart (114 in totaal) besproken wordt. Aquila (aren = arend) / arpia (aerpie = harpij) / agotile (? = blijkbaar de nachtzwaluw) / ardea (reygher = reiger – lepelaers zijn een soort reiger) / ancer (gans = gans) / anas (aent = eend) / accipiter (havec = havik) / amraham (? = ?) / achantis (? = distelvink) / asalon (? = ?) / alauda (lewerke = leeuwerik) / alcioen (? = ijsvogel) / aeriophelon (? = ?) / aves paradysi (? = paradijsvogels) / bubo (ule, schuvut = oehoe) / buteus (? = ?) / butorius (butor = roerdomp) / bistarda (? = watergier) / bonosa (? = ?) / barliaces (boemganse = boomgans) /caladrius (? = ?) / cynamologos (? = ?) / cignus (swane = zwaan) / cariste (? = ?) / cyconia (odevare = ooievaar) / choretes (? = ?) / calandris (calander = leeuwerik) / corvus (raven = raaf) / cornix (craie = kraai) / cornica (? = ?) / cuculus (kukuut = koekoek) / coredulus (? = ?) / columba (duve = duif) / carchates (? = ?) / coturnix (quackel = kwakkel) / carduelis (distelvinc = distelvink) / crothiles (? = winterkoninkje) / dyomedice (? = ?) / dariaca (? = ?) / erodius (gheervalke = giervalk) / fenix (? = feniks) / fulica (? = waterhoen) / fatator (? = ?) / fetix (? = ?) / ficedula (? = ?) / falco (valke = valk) / grifis (? = griffioen) / gracocendrioen (? = ?) / gusturde aves (? = ?) / grus (crane = kraanvogel) / glutis (? = ?) / gallus (haen = haan) / gallina (henne = kip) / gallinacius (capoen = kapoen) / gallus silvester (fasaen, buschhaen = fazant) / garrulus (gai = [Vlaamse] gaai) / graculus (roec = roek) / ibis (? = ibis) / ybor (? = ?) / incendula (? = ?) / irundo (swalew = zwaluw) / isida (ijsvoghel = ijsvogel) / isopigis (? = ?) / kiliodromos (? = ?) / kim (? = ?) / karbola (? = ?) / komor (? = ?) / kices (? = ?) / larus (? = meeuw) / lucidius (? = ?) / lucinia (? = ?) / linachas (? = ?) / lagepus (hasenvoet, scuvut = ransuil?) / milvus (wuwe = wouw) / magnales (? = ?) / melanchoriphus (? = koolmees) / morplex (scholfaren = soort arend) / mennones (? = ?) / meauca (mewe = meeuw?) / merulus (marel = merel) / muscicapa (vlieghenvangher = ?) / merops (? = ?) / merula (maerle = merel) / monedula (cauwe = kauw) / mergus (duker = duiker) / nisus (spareware = sperwer) / nocticorax (nachtraven, uweraen, buschule = bosuil) / nepa (snippe = snep) / onocratullus (? = kropgans) / osma (? = ?) / oriolus (wedewale = wielewaal) / pellicanus (? = pelikaan) / porphirius (broecaren = bonte arend) / pavo (paeu = pauw) / perdix (pertrise = patrijs) / platea (? = ?) / pluviales (pluvier = pluvier) / pica (aexstren = ekster) / picus (specht = specht) / passer (musche = mus) / passer arundineus (reitmusche, meetmussche = bastaard van mus en nachtegaal) / philomena (nachtegale = nachtegaal) / pitacus (papegay = papegaai) / strucio (? = struisvogel) / strix (? = kerkuil) / sturnus (sprewe = spreeuw) / turtur (tortelduve = tortelduif) / trogophales (? = ?) / turdus (? = ?) / vespertilio (vledermuus = vleermuis) / vanellus (vaneel, kivit = kievit) / upupa (linghenvoghel = hop) / vultur (gier = gier) / zelentes aves (? = ?).

 

In Boek IV (1098 verzen) gaat het over de zee- en waterwonderen. In de inleiding schrijft Maerlant: Ende om te cortene die woert / En segghic op elc gheen bispel, / Want ic en quaems niet ten ende wel: / Die redene soude sijn te lanc. Volgen dan 52 ‘monstra’ van de zee, rivieren en andere wateren. Abides (? = ?) / achime (? = ?) / belua (? = walvis?) / barcora (? = ?) / cocodrillus (? = krokodil) / cervus marinus (heert van der zee = zeehert) / caab (? = ?) / cricos (? = ?) / celethi (? = ?) / chilon (? = ?) / canis marinus (zehont = zeehond) / ceruleus (? = ?) / draco (? = haai?) / delfin (delfijn = dolfijn) / equus marinus (paert van der zee = zeepaard, niét het zeepaardje) / equonilus (? = nijlpaard) / equus fluminis (waterpaerd = waterpaard) / exposita (? = ?) / eleus (zecalf = zeekalf) / foca (stier van der zee = zeestier) / fastaleon (? = ?) / galatha (? = ?) / grammenez (? = ?) / gladius maris (zeeswaert = zwaardvis) / iphotamus (? = nijlpaard) / koli (? = ?) / kilion (? = ?) / karabo (? = ?) / luligo (? = ?) / monocheros (? = narwal?) / monachus marinus (in die zee een monec = zeemonnik) / nereides (? = nereïden?) / nitulus (? = ?) / orcha (? = orka) / onos (esel van der zee = zee-ezel) / perna (? = ?) / pister (? = ?) / platanista (? = ?) / polipus (? = ?) / serra (? = vliegende vis) / syrena (maerminne = zeemeermin) / silla (? = ?) / synacus (? = ?) / testudo (slecke = zeeschildpad!) / tignus (? = ?) / tunio (? = ?) / tortuca (tortuwe = zeeschildpad) / vacca marina (zeecoe = zeekoe) / zedrosi (? = ?) / zidrac (? = ?) / zitiron (riddere van der zee = zeeridder) / zyfixis (? = ?).

 

In Boek V (1136 verzen) vormen vissen het onderwerp. Na een korte algemene inleiding volgen besprekingen van de volgende 60 vissen: anguilla (paeldinc = paling) / alforas (? = ?) / astaras (? = ?) / allec (harinc = haring) / albires (? = ?) / aries (zeram = zeeram?) / aureum vellus (goudin vlies = ?) / accipender (? = ?) / bote (butte = bot) / borbacha (lompe ?) / babilonici pisces (? = ?) / cethe (walvisch = walvis) / cancer (creeft, crevit = kreeft) / congrus (? = ?) / carpo, carpa (carper = karper) / capitacus (caboetse = ?) / capitonius (zeehase, robaert = ?) / coclea (slecke vander zee = zeeslak) / dies (? = ?) / delfine (? = dolfijn) / echinus (? = ?) / esox (hues, huse = ?) / fundibula (loke = ?) / gobio (gobion = grondeling) / granus (? = ?) / irondo (zeeswalewe = zeezwaluw?) / kalaos (? = ?) / kilox (? = ?) / lolligo (? = ?) / locusta (? = ?) / lepus marinus (hase van der zee = zeehaas?) / lucius (waterwolf, snoec = snoek) / murena (lampreide = lamprei) / mugilus (? = ?) / margareta (? = soort oester?) / megaris (makereel = makreel) / multipes (? = ?) / murices (? = soort schelpdier) / mulus (barbele = barbeel) / milagor (? = ?) / ostrea (oester = oester) / purpuree (? = ?) / pina (? = ?) / pungicius (scotenisse, stekelinghe = stekeling?) / pecten (pladijs = pladijs) / porcus marinus (maerzwijn = zeezwijn?) / rana marina (zepuut = zeekikker?) / rumbus (? = ?) / rais (rochghe = rog) / salmo (? = zalm) / sturio (stuere = steur) / spongia (? = zeespons) / squatina (? = zee-engel) / salpa (? = ?) / sepia (? = inktvis?) / scourus (? = ?) / torpede (? = ?) / trebius (? = ?) / tymallus (spiring = spiering) / vipera (? = soort waterslang).

 

Slangen komen aan bod in Boek VI (878 verzen). Na een algemene inleiding worden 35 serpenten behandeld: aspis (? = ureusslang) / ansibena (? = wormhagedis?) / basiliscus (kueninxkijn = basilisk, koningscobra?) / boa (? = boa, python?) / berus (? = gifslang?) / cornuti (? = bitis?) / camaleon (? = kameleon) / cerastes (? = cerastes cerastes) / celidrus (? = ?) / dipsas (? = Avicenna-adder?) / draco (? = tijgerpython?) / draconcopes (? = de slang uit het Aards Paradijs) / emorrois (? = ?) / jaculum (? = een vliegende slang) / ipnale (? = soort cobra) / idrus (? = ?)) / idros (? = ?) / lacerta (? = ?)) / natrix (? = ?) / nadera (? = addersoort) / pester (? = addersoort) / pareas (? = ?) / rutela (? = ?) / salamandra (? = salamander) / stellio (? = gekko?, watersalamander?) / scaura (? = een hagedissoort?) / situla (? = addersoort) / syrene (? = sirene, soort vliegende slang?) / scorpio (scorpioen = schorpioen) / tortuca (tortuwe = schildpad) / tharans (? = tarantula) / tisus (? = ?) / tirus (? = ?) / tiliacus (lentwoerme = lintworm) / vipera (? = adder).

 

Boek VII (1053 verzen) behandelt de ‘wormen’. Met ‘wormen’ bedoelt men in de Middeleeuwen insekten (vergelijk MNHW 1981), maar dan in heel brede zin: padden worden bijvoorbeeld ook als ‘worm’ beschouwd, en soms ook slangen. Na een korte algemene karakteristiek van de wormen behandelt Maerlant 32 aparte gevallen: apis (bie = bij) /aranea (spinne = spin) / bufo (padde = pad) / bombax (? = ?) / brucus adlacta (crekel = krekel) / cycendula (? = glimworm) / cinomia (honts vlieghe = hondsvlieg) / cinifes (mesie = mug) / culex (? = mug) / cancarides (? = een soort mot?) / crabo (adel bie = soort wesp?) / cycada (crekele = krekel) / eruca (rupseme = rups van vlinder?) / formica (miere = mier) / limax (een manier van slecken = naaktslak) / locusta (een crekel van ere manieren = sprinkhaan) / lanificus (? = zijdeworm) / multipes (? = duizendpoot) / musca (vlieghe = vlieg) / papilio (? = vlinder) / pulex (vlo = vlo) / pediculus (? = luis) / rana (vorsch, puut = kikker) / stella (? = ?) / spoliator colubri (? = ?) / sanguisuga (? = bloedzuiger) / tamur (Salomoens woerm = ?) / tappula (? = ?) / testudo (slecke = huisjesslak) / teredinis (? = houtworm) / vespa (huersele = wesp, horzel) / vermis (woerm = worm, pier).

 

Bomen vormen het onderwerp van Boek VIII (964 verzen). Komen hier aan bod: arbores Eden (? = twee bijzondere bomen in het Aards Paradijs) / arbores solis et lune (? = zonboom, maanboom) / agnus castus (? = ?) / abies (abeel = abeel) / amigdala (damander boem = ?) / ariana (? = ?) / arbor ade (adaems boom = soort appelboom) / bdellium (? = ?) / buxus (busboem = buxus) / cedrus (ceder = ceder) / cypressus (? = cypres) / cerasus (kerseboem = kerselaar) / castanea (castanien = kastanjeboom) / ebenus (? = ?) / esculus (mespelare = ?) / ficus (boem die vighen draghet = vijgenboom) / fagus (boeke = beuk) / fraxinus (essche = es) / juniperus (jenewerboem = jeneverstruik) / laurus (? = laurierboom) / lentiscus (? = ?) / medica (? = ?) / morus, rubius (moerboem = moerbeiboom) / malum punicum (poeme gaernate = granaatappel, granaatboom) / mirtus (gaghel? = gagel?) / nux (boem die noete draghet = notenboom) / olea (boem die vrucht draghet daer of coemt olie van oliven = olijfboom) / palma (hare vrucht so heetmen daden = dadelpalm) / platanus (? = plataan) / pinus (pijnboem = pijnboom) / populus (popeliere = populier) / quercus (eike = eik) / rubus, rannus (? = ?) / rosa (? = rozenstruik) / setim (? = ?) / salix (wilghe = wilg) / thimus (? = ?) / therebintinus (? = ?) / taxus (? = taxus) / tilia (lende = linde) / vitis (wijngaert = wijnranken).

 

Boek IX (644 verzen) gaat meer bepaald over exotische bomen die specerijen of geneeskrachtige kruiden dragen. Aloes (? = aloë) / amonium (? = amoom) / borax (? = ?) / balsamus (balsame = balsem) / cynamomum (caneel = kaneel) / cassia lignea (? = ?) / cassiana (? = ?) / cassia fistula (? = ?) / calamus aromaticus (? = ?) / colloquintida (? = ?) / capparis (? = ?) / cubebe (? = ?) / draguncium (dragante = ?) / galbanum (? = ?) / gariofilon (gharioffel naghel = ?) / galanga (? = ?) / gummi arabicum (ene gomme in Arabia = Arabische gom) / mirra (? = myrrhe) / macis (mastyx, notemusschaten = nootmuskaat?) / muscata (noete muscate = nootmuskaat) / piper (peper = peper) / storax (? = ?) / sandali (? = ?) / thus (? = ?).

 

Allerhande soorten kruiden komen aan bod in Boek X (708 verzen). Aloe (aloe = aloë) / absinthium (alsene = alsem) / anetum (anijs = anijs) / apium (? = ?) / crocus (saffraen = saffraan) / cucurbita (cauworde = pompoenzaad) / coriander (? = koriander) / canfora (? = ?) / ciminum (comijn = komijn) / centaurea (? = ?) / dyptamus (? = ?) / feniculus (? = ?) / jusquiami (beelde = bilze) / mandragora (? = alruin) / menta (mente = munt) / marrubeum (? = ?) / nardus (? = nardus) / orpinum, crassula (radele, wriesewonde = ?) / petrocilinum (? = peterselie?) / papaver (mecopijn = papaver) / pionia (pionie = ?) / primula (? = ?) / pesullium (? = ?) / ruta (rute = klimop) / staphisagria (? = ?) / sponsa solis (goudbloeme = zonnebloem?) / saxifraga (? = ?) / saliva (? = ?) / viola (violette = viooltje) / zinziber (gingebare = gember?) / zeduare (? = ?) / zucara (zuker = suiker).

 

Boek XI is erg kort (slechts 192 verzen) en behandelt bronnen en waterlopen, maar alleen die waar iets bijzonders mee aan de hand is. Het begint met de vier stromen van het Aards Paradijs, en dan volgt een snelle opeenvolging van allerlei rariteiten. Twee bronnen op Sicilië waarvan de ene vrouwen zwanger helpt worden, terwijl de andere zwangerschap net tegengaat. Twee rivieren in Tessalië, drinken schapen van de ene dan worden ze zwart, drinken ze van de andere dan worden ze wit. De Dode Zee waarin niets kan zinken. Een rivier in Libanon waardoor alleen op zaterdagen water stroomt. Enzovoort.

 

Boek XII (1478 verzen) is een lapidarium en gaat dus over (edel)stenen. Worden hier behandeld: ametistus (? = amethist) / achates (? = agaat) / alabaustus (? = albast) / adamas (dyamant = diamant) / abeston (? = asbest) / amantos (? = asbest?) / allectorius (capoensteen = kapoensteen) / absinctus (? = ?) / alabandina (? = almandien) / andromanda (? = ?) / berillus (? = beril) / borax (padden steen = paddensteen) / carbunculus (? = karbonkel) / calcedonius (? = chalcedoon) / corallus (? = koraal) / crisoprassus (? = chrysopraas) / celidonius (? = ?) / calcapharus (? = ?) / corneolus (corangeline = carneool) / crisolitus (? = chrysoliet) / cristallus (cristalle = kristal) / crisolicus, crisolectrus (? = ?) / ceranimus (donresteen = donderkei, pijlsteen) / dracondides (? = drakensteen) / dyonisys (? = ?) / dyadocos (? = ?) / emathytes (? = ?) / echites (? = arendsteen) / elitropia (? = ?) / elydros (? = wateragaat) / gerarchites (? = ?) / granatus (? = granaat) / gagates (? = git, zwarte barnsteen) / gelasia (? = chabasiet) / gecolicus (? = ?) / galaritides (? = ?) / garotreme (seghesteen = zegesteen) / jena (? = ?) / jaspis (? = jaspis) / jacinthus (? = hyacint) / icitos (? = ?) / iris (? = iris) / lipparia (? = ?) / ligurius (? = largier) / margarita (perle = parel) / magnes (magnet = magneet) / menfites (? = ?) / melonites (? = malachiet?) / medus (? = ?) / onichinus (? = ?) / onix (? = onyx) / ostolanius (? = ?) / orites (? = ?) / pirites, peridonius (? = vuursteen) / panthera (? = ?) / prassius (? = ?) / pirofilus (? = pyrofylliet?) / saphirus (? = saffier) / smaragdus (miraude = smaragd) / sardonix (? = sardonyx) / sardius (? = sardis) / samius (? = ?) / siries (? = ?) / succinus (dammersteen = amber) / solonices (? = ?) / topasius (? = topaas). De rest van dit boek gaat over de wonderkracht van stenen die een bepaalde afbeelding vertonen. Vertoont een steen bijvoorbeeld de afbeelding van een tak en van een zeemeermin met een spiegel, dan wordt de drager van die steen onzichtbaar. Een steen die een vogel toont met een bloem in zijn bek verschaft eer. Een steen met een man en een ramshoofd erop maakt zijn drager bij iedereen geliefd. Enzovoort. Maerlant schrijft zelf dat men niet alles moet geloven en dat de stenen sinds de Zondeval veel van hun krachten verloren hebben.

 

Boek XIII (weer erg kort: 162 verzen) ten slotte behandelt de zeven (edel)metalen: aurum (gout = goud) / argentum (selver = zilver) / electrum (? = electron) / es (coper = koper) / stannum (tin = tin) / plumbum (bli, loet = lood) / ferrum (iser = ijzer). In de laatste zestien verzen neemt Maerlant afscheid van de lezer en vraagt hij deze om te bidden voor zijn opdrachtgever en voor hemzelf.

 

Thematiek

 

Maerlants bedoelingen worden onder meer samengevat in de verzen 4027-4028 van Boek II: hij schrijft een tekst daer spel an es ende dachcortinghe, / medicine ende leringhe. Tot de ‘lering’ behoort de informatie over het uiterlijk en het gedrag van dieren en over andere natuurfenomenen, soms (maar globaal genomen eigenlijk opvallend weinig) gekoppeld aan moraliserende en stichtelijke lessen en wijsheden. Veel vaker (en ook dat is onderdeel van de lering) worden de medische toepassingen van dieren, vogels, vissen, planten, kruiden, stenen enzovoort vermeld. En uiteraard moest dit alles aangename en tijdverdrijvende lectuur vormen voor Maerlants geïntendeerde publiek.

 

Receptie

 

Maerlant heeft zijn Der Naturen Bloeme opgedragen aan Nicolaes van Cats, heer van Noord-Beveland, een van de aanzienlijkste Hollands-Zeeuwse edelen en naaste vertrouweling van Floris V. Maerlant heeft zijn Latijnse brontekst aangepast aan een wereldlijk, meer bepaald adellijk publiek, niet alleen door de geboden informatie te beperken, maar ook door het accent van de moralisaties, die zich bij Cantimpré toespitsen op het klerikale milieu, te verleggen naar wereldse kringen, wat soms van de auteur een groot creatief associatievermorgen zal gevergd hebben. Maerlant voegt ook moralisaties toe ten overstaande van zijn bron, en deze zijn veelal kritisch van toon. Naast wellust en pluimstrijkerij, nemen deze moralisaties vooral machtsmisbruik (niet zelden vanwege de adel) op de korrel. Uit deze kritiek op de adel afleiden dat Der Naturen Bloeme op de burgerij gericht zou zijn, is ongegrond. Het primaire geïntendeerde publiek van de tekst is de aristocratie. Van Oostrom stelt: ‘Veeleer lijkt het zo te zijn dat Maerlant zijn publiek willens en wetens extra heeft gekapitteld. (…) Wel neemt Maerlant de grenzen der wellevenheid in acht, in zoverre hij zijn kritiek nooit ad hominem formuleert, doch algemene bewoordingen kiest’ [Van Oostrom 1992: 82-87].

 

In verband met de receptie van Maerlant door stad en burgerij schrijft Van Oostrom elders: ‘In de dertiende eeuw (dus tijdens Maerlants leven) zal het werk slechts tamelijk incidenteel bij de burgerij beland zijn: want ofschoon geworteld in een wereld waarin ook de stad een prominente factor was, had Maerlants literatuur de (noordelijke) aristocratie als eerste klankbord. Ook in de vijftiende eeuw vindt Maerlants werk bij stad en burgerij slechts vrij gering onthaal: het blijft beperkt tot de Martijns en Spiegel Historiael, en ook die teksten staan bepaald niet in het brandpunt van het literaire leven. Het relatieve hoogtepunt van de stadsburgerlijke Maerlantreceptie valt in de veertiende eeuw, en zo te zien juist in de periode en de kringen die tot de vroegstgeprofileerde van de literaire burgeremancipatie behoren. Cruciaal moet hierbij zijn geweest dat Maerlant door de voortrekkers van die beweging, auteurs als Jan van Boendale en Jan de Weert, bewonderd werd’ [Van Oostrom 1992: 232].

 

De bewaarde volledige en gedeeltelijke handschriften van Der Naturen Bloeme dateren voornamelijk uit de dertiende en veertiende eeuw. Opmerkelijk is toch dat ook uit de vijftiende eeuw twee volledige handschriften bewaard bleven (Bremen en Den Haag).

 

Profaan/religieus?

 

Overwegend profaan, met sporadisch stichtelijk-religieuze accenten.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

In haar recensie van Burger 1989 (een hertaalde bloemlezing uit Der Naturen Bloeme) schreef Matla:

 

"Der naturen bloeme was hard aan een nieuwe uitgave toe. Vanwege het inzicht in middeleeuwse encyclopedische kennis is het een van de leukere teksten uit de Middelnederlandse literatuur. Bovendien heeft het een rijke handschriftelijke traditie. Desalniettemin was Der naturen bloeme tot nog toe alleen beschikbaar in de uitgave van Eelco Verwijs (Leiden, 1872-1878) en in het Corpus Gysseling (’s-Gravenhage, 1981). Beide uitgaven zijn voor de geïnteresseerde leek niet echt toegankelijk, omdat aantekeningen en dergelijke ontbreken. Bovendien zijn deze edities niet gebaseerd op de ‘beste’ bewaarde tekst."

 

Die beste bewaarde tekst is volgens Matla (en anderen) het handschrift dat bewaard wordt in de British Library (Lo dus). Zij vergeet overigens de gedeeltelijke editie (boeken I tot en met IV) van Bormans uit 1857 te vermelden, maar die is met dat vervelende gotische schrift nog ontoegankelijker voor de leek. En laat ons toe tevens op te merken dat voor de wél geïnteresseerde medioneerlandicus geen van de drie edities qua layout en presentatie prettige lectuur vormen. In 2001 werd Boek VI (over slangen) wel ronduit voorbeeldig (her)uitgegeven door Marcel Van der Voort (in de handelseditie van zijn proefschrift). Hij bezorgt de lezer niet alleen een kritische editie en een diplomatische editie van álle varianten uit alle handschriften (vers per vers!), maar ook nog eens een uitgebreide commentaar én een editie van het originele Latijnse boek over slangen mét Nederlandse vertaling uit Maerlants brontekst (De natura rerum). Zoals Willem Kuiper [1994] in zijn recensie van Van der Voort 1993 terecht schrijft: ‘Kon er maar voor elk van de dertien boeken die Der natueren bloeme telt een Van der Voort gevonden worden’.

 

Het is overigens nog maar de vraag of een nieuwe, state-of-the-art editie van de volledige Der Naturen Bloeme, die ook de talloze afbeeldingen uit de verschillende handschriften mobiliseert, Maerlants dertiende-eeuwse natuurencyclopedie populairder zal maken bij de moderne lezer. Hoe oordeelden de literatuurgeschiedenissen? ‘Het is eenvoudig een handboek der natuurlijke historie op rijm,’ stelde Te Winkel [1922: 474] nuchter vast, en meer moet men er dan ook niet in zoeken, ‘vooral niets dichterlijks’. Naar aanleiding van Maerlants vergelijking van de gaai met minnestrelen schreef Van Mierlo [I 1939: 291]: ‘Niet onaardig, en zoo elders meer; maar dit gebeurt toch te zelden.’ Ofschoon hij de cultuurhistorische waarde van het werk erkende, was Knuvelder [I 1970: 212] even streng: ‘Het is dor en droog met alleen hier en daar iets aardig beeldends.’ Van Oostrom [2006: 512], die zich uitgebreid met het oeuvre van Maerlant heeft beziggehouden, blijft op het eerste gezicht eerder neutraal (‘Der naturen bloeme was een reuzenwerk, en volkomen terecht stelt Maerlant dat nooit eerder in het Nederlands zoveel over de natuur te lezen viel’), maar tussen de regels druipt de bewondering eraf.

 

In het verleden had ik grote gedeelten van Der Naturen Bloeme al gelezen. In juni 2021 heb ik de hele tekst van A tot Z (gedeeltelijk opnieuw) doorgenomen. En dat is werkelijk geen sinecure, met al die Latijnse benamingen waarvan je vaak niet weet naar welke dieren of dingen ze verwijzen, met die voortdurende stoplappen en dat constante gerijmel, met de vele onduidelijke passages (half te wijten aan Maerlants eigen geklungel, half aan het geknoei van de kopiisten) en met al die medische toepassingen waar je anno nu nog weinig aan hebt. Het interessantste onderdeel van Der Naturen Bloeme zijn de moralisaties en stichtelijke commentaren, maar die zijn nu net verre in de minderheid. De illustraties in de handschriften, die tot vandaag (te) weinig aandacht hebben gekregen, zijn soms wel ‘aardig’ en zelfs eigenaardig, maar lijken mij anderzijds toch zelden of nooit boven de middelmaat uit te steken. En opvallend: ofschoon Van Oostrom bij de aan Der Naturen Bloeme gewijde bladzijden in zijn voorbeeldig-vlot geschreven Maerlant-boek uit 1996 werkelijk alle zeilen bijzet om de moderne lezer warm te maken voor Maerlants natuurboek, gaat het na enkele pagina’s al een beetje vervelen.

 

Het cultuurhistorische belang van de tekst staat uiteraard buiten kijf: wie wil weten hoe men in de dertiende-eeuwse Lage Landen aankeek tegen dieren en andere dingen uit de natuur, moet Maerlant gelezen hebben. Veel leesplezier mag echter niet tot de verwachtingen behoren. Der Naturen Bloeme (een van de leukere teksten uit de Middelnederlandse literatuur?) blijkt eerder een naslagwerk dat met mondjesmaat te raadplegen valt, maar een literair hoogtepunt kan het echt niet genoemd worden. Voor de Bosch-studie is Maerlants natuurencyclopedie overigens van zeer beperkt belang.

 

Geraadpleegde literatuur (chronologisch)

 

  • Te Winkel 1922: Jan te Winkel, De Ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde – deel I: Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd – deel I, De Erven F. Bohn, Haarlem, 1922, pp. 471-474.
  • Van Mierlo I 1939: J. Van Mierlo, Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden – Deel I: De Letterkunde van de Middeleeuwen tot omstreeks 1300, N.V. Standaard Boekhandel-Teulings’ Uitgevers-mij., Antwerpen-Brussel-’s-Hertogenbosch, 1939, pp. 290-291.
  • Deschamps 1970: J. Deschamps, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken. Tentoonstellingscatalogus (Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I, 24 oktober – 24 december 1970), Brussel, 1970, pp. 78-81 (nr. 22).
  • Knuvelder I 1970: G.P.M. Knuvelder, Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde – deel I, L.C.G. Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1970 (5de geheel herziene druk), pp. 211-212.
  • Goossens 1984: J. Goossens, “‘Der Naturen Bloeme’ in het corpus-Gysseling”, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, jg. 100 (1984), nr. 3, pp. 201-209.
  • Matla 1986: Jet Matla, “Het bouwen van boeken – Over de lay-out van ‘Der naturen bloeme’”, in: Literatuur, jg. 3, nr. 2 (maart-april 1986), pp. 84-92.
  • Burger 1989: Peter Burger (samenstelling en vertaling), Jacob van Maerlant – Het boek der natuur, Griffioen-reeks 196, Querido, Amsterdam, 1989.
  • Jansen-Sieben 1989: Ria Jansen-Sieben, Repertorium van de Middelnederlandse artes-literatuur, HES Uitgevers, Utrecht, 1989.
  • Nischik 1989: T.-M. Nischik, “’Nutscap ende waer’ – Zu Übertragungstechnik und Belehrungintention in Maerlants Der Naturen Bloeme”, in: De nieuwe taalgids, jg. 82, nr. 3 (mei 1989), pp. 226-338.
  • Burger 1990: Peter Burger, “Katholieke dieren – De schepping voor leken verklaard door Jacob van Maerlant”, in: Literatuur, jg. 7, nr. 2 (maart-april 1990), pp. 66-73.
  • Matla 1990: Jet Matla, “Het boek der natuur”, in: Madoc, jg. 4, nr. 2 (juni 1990), pp. 111-114 [recensie van Burger 1989].
  • Bastings 1991: A.M. Bastings, “Maerlants Der Naturen Bloeme als bron voor Ruusbroecs Van den Geesteliken Tabernakel”, in: Ons Geestelijk Erf, deel 65, afl. 1 (maart 1991), pp. 31-38.
  • Van Oostrom 1992: Frits van Oostrom, Aanvaard dit werk – Over Middelnederlandse auteurs en hun publiek, Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen – VI, Prometheus, Amsterdam, 1992.
  • Van der Voort 1993: Marcel Van der Voort, Van serpenten met venine – Jacob van Maerlant’s boek over slangen hertaald en van herpetologisch commentaar voorzien, Middeleeuwse studies en bronnen – XXXIV, Verloren, Hilversum, 1993.
  • Westgeest 1993: J.P. Westgeest, “Tegenstrijdigheden: toeval of verwantschap? Over de handschriftenfiliatie van Der naturen bloeme”, in: De nieuwe taalgids, jg. 86, nr. 1 (januari 1993), pp. 149-169.
  • Kuiper 1994: Willem Kuiper, [recensie van Van der Voort 1993], in: Spektator, jg. 23 (1994), afl. 1, pp. 81-82.
  • Van Elmbt 1994: Fr. van Elmbt, [recensie van Van der Voort 1993], in: Spiegel der Letteren, jg. 36 (1994), nr. 2-3, pp. 221-222.
  • Westgeest 1995: J.P. Westgeest, [recensie van Van der Voort 1993], in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, jg. 111 (1995), afl. 3, pp. 255-257.
  • Jansen-Sieben 1996: Ria Jansen-Sieben, “Maerlants zintuig-kampioenen”, in: Queeste – Tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden, jg. 3 (1996), nr. 2, pp. 151-161.
  • Van Oostrom 1996: Frits van Oostrom, Maerlants wereld, Prometheus, Amsterdam, 1996, pp. 184-224.
  • De Bruyn 2001: Eric De Bruyn, [recensie van Van der Voort 2001], in: Leesidee, jg. 7, nr. 8 (november 2001), pp. 686-687.
  • Van Oostrom 2006: Frits van Oostrom, Stemmen op schrift – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2006, pp. 502-512.
  • Van Haaren 2020: Suzette van Haaren, “Door een nieuwe lens – De reproductiegeschiedenis van een Der naturen bloeme-handschrift”, in: Madoc – Tijdschrift over de Middeleeuwen, jg. 34, nr. 2 (zomer 2020), pp. 77-90.

 

[explicit 29 juni 2021]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram