Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1408
Moderne editie
D.C. Tinbergen, "Des coninx summe", Leiden, 1907
Taal
Middelnederlands

Des Coninx Summe ed. 1907

 

 

Des Coninx Summe

(Jan van Brederode) 1408

 

[Kritische teksteditie: D.C. Tinbergen (ed.), Des coninx summe. Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde, A.W. Sijthoff’s Uitg.-Mij., Leiden, z.j. (1907)]

 

 

Auteur

 

De Hollandse edelman Jan van Brederode (circa 1372-1415), de 7de heer van Brederode. Hij schreef de tekst tussen 1401 en 1408, toen hij convers (lekenbroeder) was in de kartuis Sint-Jansberg te Zelem (bij Diest). Over het leven van Jan van Brederode zijn we sinds Van Oostrom 2017 bijzonder goed geïnformeerd (zie aldaar). Van Oostrom noteert: ‘Er is geen tweede Middelnederlandse schrijver van wie we biografisch zoveel weten’ [Van Oostrom 2017: 285]. Zie echter ook bij ‘Inhoud’.

 

Genre

 

Een stichtelijk prozatraktaat.

 

Situering / datering

 

‘In 1279 had de dominicaan Laurent d’Orléans, biechtvader van koning Filips de Stoute van Frankrijk, voor zijn vorstelijke pupil een boek geschreven dat op hoofdlijnen uiteenzette wat de kerkleer was omtrent de tien geboden, de twaalf artikelen des geloofs, de gebeden van het Onzevader en het Credo, en de zonden en deugden van de mens. Deze Somme le roi (‘Summa [= encyclopedie] voor de koning’) was een pedagogisch werk aan de hand waarvan men aan gewetensonderzoek kon doen ter voorbereiding van de biecht, maar ook een vademecum voor het leven als geheel. Speciaal voor leken geschreven, helder van opzet en stijl en met het koninklijke zegel bevestigd, viel Somme le roi brede verspreiding ten deel. Vandaag de dag resteren van de tekst nog altijd tachtig middeleeuwse handschriften. Daarnaast zijn er vertalingen bekend in Italiaans en Engels, in laatstgenoemde taal zelfs meerdere’ [Van Oostrom 2017: 142-143]. De Brusselse KBR bezit vijf Franse handschriften. De tekst werd ook vertaald in het Provençaals en Catalaans.

 

Een (gedeeltelijke, zie infra) Middelnederlandse vertaling werd in 1408 afgerond door Jan van Brederode. In 1907 kende Tinbergen tien handschriften van deze tekst…

 

  • A (Den Haag, KB, K 18). Deze kopie werd voltooid in 1437.
  • B (Den Haag, KB, V 53). Onderdeel van een convoluut en voltooid in 1455. Interessant is dat dit convoluut toebehoorde aan graaf Jan IV van Nassau en zijn vrouw Maria van Loon. Het boek zal dus ooit ook bezit geweest zijn van Engelbrecht II van Nassau en Hendrik III van Nassau (kandidaat-opdrachtgevers van Bosch’ Tuin der Lusten).
  • H (Hamburg, Stadtbibliothek, Ms. theol. 1001). Onderdeel van een codex, de kopie van Des Coninx Summe te dateren: XVB.
  • M (Den Haag, Museum Meermanno-Westhreenianum, 56). Onderdeel van een codex, XVd.
  • G (Brussel, KBR, 2883). Onderdeel van een codex die toebehoorde aan het klooster Groenendaal bij Brussel, XV.
  • K (Brussel, KBR, 2079). Onderdeel van een codex, XVd.
  • P (Parijs, BN). Onderdeel van een codex.
  • Q (Parijs, BN). XV.
  • I (Brussel, KBR, 19549). XVa.
  • U (Den Haag, KB, 36 M). Onderdeel van een codex, XV.

 

Eén van deze handschriften is ondertussen verloren gegaan (waarschijnlijk het Hamburgse). Het volgende handschrift was aan Tinbergen niet bekend…

 

  • Particulier bezit (?). Een handschrift dat voltooid werd in 1487 in de buurt van Utrecht door Jan Symoensz, een monnik uit de kartuis Nieuwlicht (bij Utrecht).

 

Van Oostrom [2017: 354] spreekt overigens over twaalf handschriften. Tinbergen signaleert ook de volgende drukken…

 

  • Delft, Jacob Jacobszoon van der Meer, 1478 (Ca 1627).
  • Hasselt, (?), 1481 (Ca 1628).
  • Delft, Jacob Jacobszoon van der Meer, 1482 (Ca 1629).
  • Haarlem, Jacob Bellaert, 1484 (Ca 1630).
  • Antwerpen, Gheraert Leeu, 1485 (Ca 1631). Volgens Campbell heeft deze druk nooit bestaan.
  • Leiden, Jan Severtzoon, 1504.
  • Antwerpen, Henrick Eckert 1519.
  • Hasselt, circa 1488 (Ca 446).
  • Parijs, Bibliothèque Mazarine. Wellicht een herdruk van Ca 446, zonder plaats, drukker of jaar van uitgave.

 

Inhoud

 

Des Coninx Summe vormt in feite een compilatie van zes catechetische traktaten…

 

  • Een traktaat over de Tien Geboden.
  • Een traktaat over de Twaalf Artikelen des Geloofs.
  • Een traktaat over de Zeven Hoofdzonden en de deugden.
  • Een Ars Moriendi.
  • Een traktaat over het Pater Noster.
  • Een traktaat over de Zeven Gaven van de H. Geest.

 

De eerste vier onderdelen werden vertaald door Jan van Brederode. Toen deze vertaling in 1478 gedrukt werd, zorgde een anonieme auteur voor de vertaling van de laatste twee traktaten. De volledige tekst wordt dus alleen aangetroffen in de rond 1500 gedrukte versies. In de proloog laten de drukken de auteur verklaren (nadat hij de eerste vier traktaten heeft opgesomd): Ende dus veel heb ict overgheset in duitsche. Ende datter dan na volget heeft een ander overgheset [ed. 1907: 220]. Van Oostrom [2017: 355] over de vertaling van de laatste twee onderdelen: ‘De vertaling is zeer competent gedaan, en doet de Franse voorbeeldtekst nauwkeurig recht – waarmee dit tweede deel neutraler maar ook vlakker is dan het gedeelte waarvoor Jan van Brederode tekende.

 

Thematiek

 

Van Oostrom [2017: 152 / 154] signaleert dat Jan van Brederodes vertaling allerminst optimisme uitstraalt: ‘Zijn somberheid loopt als een rode draad door heel Des coninx summe wanneer men deze met zijn Franse voorbeeld vergelijkt. (…) Het komt er in de kern op neer dat Jan gemeenlijk getrouw volgt wanneer de Somme het goede in de mens behandelt, maar duchtig extra uitpakt ten aanzien van diens kwade kanten.’ Gezien Jans levensloop voorafgaande aan de periode van zijn vertaalwerk (1401-1408) hoeft dat nauwelijks te verwonderen:

 

"Maar zonder twijfel zat de antistemming jegens de wereld ook diep in Jan zelf, zo mogen we gerust veronderstellen, zijn levensloop tot Zelem kennende. Mislukt als heer van Brederode; teruggetreden voor een broer die meteen gevangen raakte; als gevolg daarvan de familie nog voor tijden zuchtend onder financiële zorgen; vooralsnog geen uitzicht op doorgroei van de stamboom. Jan schreef Des coninx summe ‘de profundis’, en kon de kartuizers alleen maar gelijk geven in hun wereldverachting." [Van Oostrom 2017: 156].

 

Van Oostrom merkt ook op dat Jan bijzonder gefascineerd blijkt door de duivel en de hel [Van Oostrom 2017: 157 / 166]. Hij spreekt van een ‘virulent duivelsgeloof’, meent dat Des Coninx Summe onmiskenbaar getuigt van diepe devotie en concludeert in verband met de gemoedsgesteltenis van de auteur tijdens zijn vertaalwerk [Van Oostrom 2017: 301-302]:

 

"In het hiernamaals zou het neerkomen op hemel of hel, met voor wie hier op aarde had geleefd in weelde en geweld veruit de grootste kans op het tweede – eens te meer omdat de duivel altijd op de loer lag om de mensen in zijn netten te verstrikken. Er was geen Parijse doctor in de theologie noch lang gewetensonderzoek voor nodig om Jan te doen beseffen dat de hel zijn meest waarschijnlijke bestemming was. In zijn geval was het geloof misschien maar zeer ten dele hoop, en heel veel angst. Zijn gang naar de grot van Sint Patricius zal deze vrees alleen maar hebben versterkt. Misschien was dit de spil van Jans geloof: de overtuiging dat God en de duivel permanent in en om hem strijd leverden. Waarbij de duivel hem het dichtste op de hielen zat, misschien al in zijn klauwen had, om hem voor eeuwig krijgsgevangen af te voeren."

 

Onmiskenbaar doet wat Van Oostrom hier schrijft over Jan van Brederode, denken aan de sfeer die de werken van Jheronimus Bosch ademen.

 

Receptie

 

Primair dient Des Coninx Summe zich aan als kloosterliteratuur (ofschoon het Franse origineel zich aan het hof situeerde). Gaandeweg heeft de tekst echter een breder publiek bereikt: daarvan getuigen niet alleen het handschrift dat in het bezit was van de Nassau’s, maar ook de drukken rond 1500, waarbij de status van de tekst zich uitbreidde tot stadsliteratuur.

 

Profaan / religieus?

 

Manifest stichtelijk-religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

       Men notere eerst: het handschrift in het bezit van de Nassau’s en de (post)incunabelen maken van Des Coninx Summe een tekst die zeer wel bereikbaar was voor Jheronimus Bosch. Verder heeft Van Oostrom [2017: 147 / 149] gewezen op het zeldzaam rijke taalgebruik van Jan van Brederode, met ondermeer talrijke spreekwoorden en zegswijzen: ‘Ze maken Des coninx summe tot een goudmijn voor het onderzoek naar staande uitdrukkingen in het Middelnederlands. Soms zijn het Nederlandse equivalenten voor verwante frases in Somme le roi; soms zijn het vrije variaties op die laatste; soms schijnbaar spontane invallen van de vertaler. Vele ervan zijn hapaxen.’ Van Oostrom noemt Jans stijl ook ‘ronduit poëtisch’, onder meer omdat de tekst wemelt van vergelijkingen, metaforen en analogieën (veelal toevoegingen aan het Franse origineel) [Van Oostrom 2017: 150].

 

Wat was het oordeel van onze Belgische en Nederlandse literatuurgeschiedenisschrijvers over Des Coninx Summe? Te Winkel [II 1922: 194-195] besteedt aan Des Coninx Summe nauwelijks één pagina, heeft er weinig over te vertellen en ontkent dat Jan van Brederode de auteur was. Van Mierlo [II 1940: 157-158] erkent Jan van Brederode wel als de vertaler en is erg positief: ‘De vertaler heeft zich voortreffelijk van zijn taak gekweten. Hij heeft zich inderdaad “niet een luttel arbeyts laten verdrieten” die nogmaals bewijst tot welke hoogte het Dietsche proza toen gestegen was. Hij heeft terecht gemeend dat dit door hem vertaalde werk een zeer nuttig boek voor den leek zou zijn.’ Vreemd genoeg beperkt Knuvelder [I 1970: 248] zich tot een loutere vermelding van de titel onder die zedenkundige werken die ‘over het algemeen niet uitnodigen tot uitvoeriger behandeling’. Meest recent heeft Pleij [2007: 78 / 180-181] het echter over ‘dit attractieve zonde- en biechtboek in proza, opgesierd met sprekende voorbeelden’. Hij noemt de vertaler (naar verluidt niet Jan van Brederode maar een zekere Jan van Rode, foutje) ‘een rasschrijver (…) die de volkstaal geheel naar zijn hand weet te zetten en tot onvermoede hoogten durft te brengen.’

 

Laat ons daaraan toevoegen dat wie Des Coninx Summe leest met in het achterhoofd het oeuvre van Bosch, geen verloren werk zal verrichten. Het is een boek niet alleen nuttig voor den leek, maar ook voor de Bosch-expert.

 

Geraadpleegde lectuur

 

  • Van Oostrom 2017: Frits van Oostrom, Nobel streven – Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode. Prometheus, Amsterdam, 2017.

 

[explicit 24 juni 2022 – Eric De Bruyn]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram