Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1472
Moderne editie
Helmut Weinacht (ed.), "Ob einem manne sey zunemen ein eelichs weyb oder nicht", Darmstadt, 1982
Taal
Middelhoogduits

Ehebüchlein ed. 1982

 

 

EHEBÜCHLEIN

Ob einem manne sey zunemen ein eelichs weyb oder nicht

(Albrecht von Eyb) 1472

 

[Facsimile-teksteditie: Helmut Weinacht (ed.), Ob einem manne sey zunemen ein eelichs weyb oder nicht – Mit einer Einführung zum Neudruck. Texte zur Forschung – Band 36, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 1982]

 

 

Auteur

 

Albrecht von Eyb werd in 1420 geboren op Schloss Sommersdorf, in de buurt van Ansbach (Beieren). Na een zestienjarige studie aan Italiaanse universiteiten werd hij in 1459 Doctor in de Beide Rechten. Albrecht was kanunnik (Domherr) in Bamberg, Eichstätt en Würzburg, aartsdiaken van Iphofen, en cubicularius (kamerheer) van paus Pius II. Daarnaast was hij juridisch adviseur voor Würzburg en Neurenberg en politiek agent van markgraaf Albrecht Achilles. Zijn Latijnse en Duitse geschriften ademen een vroeghumanistische geest. Hij overleed in 1475.

 

Genre

 

Een in Middelhoogduits geschreven moraliserend prozatraktaat over het huwelijk en aanverwante zaken.

 

Situering / datering

 

De editio princeps van deze tekst, waarnaar gemeenlijk verwezen wordt als het Ehebüchlein, werd gedrukt door Anton Koberger te Neurenberg in 1472. Albrecht was toen dus 52 jaar oud. De tekst bleef bewaard in twaalf 15de- en 16de-eeuwse drukken en in vijf handschriften [zie voor een volledig overzicht ed. 1982: XXVII-XXVIII]. De jongste druk dateert van 1540.

 

Inhoud

 

Het Ehebüchlein omvat drie delen, zo kondigt de tekst op het eerste blad zelf aan. Het eerste deel bestaat uit zes hoofdstukken. Eerst worden een aantal auctoritates geciteerd, die zich stuk voor stuk negatief uitlaten over het huwelijk en de vrouwen. Zo horen we bijvoorbeeld uit de hystorien der Römer het verhaal van een man die zijn (mooie) vrouw verstoten had en daarop aangesproken werd door vrienden. Deze ‘wijze’ man steekt zijn voet naar voren en antwoordt: lieve vrienden, deze schoen ziet er mooi uit, maar niemand anders dan ikzelf weet waar hij knelt. Do durch gab er zuverstien das er sein weyb nicht an ursach von im gethan hett (daarmee gaf hij te verstaan dat hij zijn vrouw niet zonder oorzaak verstoten had). Het tweede hoofdstuk geeft een hele reeks voorbeelden van goede, kuise vrouwen (onder meer Lucretia en Dido), maar waarschuwt daarnaast ook voor de vrouwelijke geneigdheid tot wellust en geeft adviezen bij het opvoeden van dochters (kort houden, niet laten dansen, niet laten gaan waar veel volk is, matig eten en drinken, sobere kledij, eenvoudige huisarbeid zoals spinnen laten verrichten).

 

Het derde hoofdstuk gaat over mooie en lelijke vrouwen. Heeft men een mooie vrouw, dan wordt zij door anderen begeerd, heeft men een lelijke vrouw, dan wordt men door anderen misprezen. Mooie vrouwen zijn ijdel en hun schoonheid vergaat na een tijd. Is een vrouw deugdzaam, dan overtreft zij de schoonheid van Venus. Een vrouw moet zich mooi opmaken en kleden om haar man te behagen, zodat hij niet naar andere vrouwen kijkt. Lelijke en oude vrouwen die zich te veel opsieren, zijn bespottelijk. Vruchtbare vrouwen brengen met de talrijke kinderen die zij baren, veel zorgen in huis en willen de baas spelen, terwijl onvruchtbare vrouwen stil, droevig en onderdanig zijn.

 

Het vierde hoofdstuk besteedt uitgebreid aandacht aan de innige band tussen ouders en kinderen, vooral tussen vader en zoon. Met onder meer het aan Valerius Maximus ontleende verhaal van een jongen die ziek van verlangen werd naar zijn stiefmoeder. Toen de vader dit te weten kwam, liet hij zijn zoon met zijn vrouw seks hebben. De moeder-dochter-relatie komt slechts even aan bod met het aan dezelfde bron ontleende verhaal van een dochter die haar gevangen zittende moeder voedde met melk uit haar borsten. Als de ouders sterven, dan zal God wel voor de kinderen zorgen. Men moet trouwens altijd klaar zijn voor het stervensuur, want het leven is maar een tijdelijke ellende. Het vijfde hoofdstuk zet zich af tegen kijvende en babbelzuchtige vrouwen en geeft enkele voorbeelden van hoe vrouwen hun wangedrag altijd goed weten te praten. Ook enkele voorbeelden van wijze dingen die vrouwen ooit gezegd hebben. Vrouwen worden ook gemakkelijk kwaad en willen vaak andere dingen dan hun man. In het zesde hoofdstuk van deel I gaat het over de bruidsschat. Vrouwen met een grote bruidsschat gedragen zich hooghartig en onhebbelijk, vrouwen met een kleine bruidsschat zijn nederig en volgzaam. Hier worden enkele bladzijden over rijkdom en armoede aan vastgeknoopt. Gierige en rijke mensen zijn nooit gelukkig of tevreden. Deugdzame armoede, in lijdzaamheid gedragen, is veel beter.

 

Het tweede deel van het boek omvat zeven hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk verhaalt, daarbij Lactantius volgend, hoe God hemel en aarde schiep, de hemellichamen, de dieren, de vogels en de vissen, en daarna Adam en Eva. De mens is gemaakt van aarde, water, lucht en vuur. Vervolgens worden een aantal uitwendige en inwendige delen van het mensenlichaam overlopen, met wat uitleg over hun functie (dit alles heel basaal). De mens is gemaakt om God te eren en te danken. In het tweede hoofdstuk wordt dan (eindelijk) een antwoord gegeven op de vraag uit de titel: ja! God heeft de wereld geschapen voor de mens, de mens is geschapen om God te aanbidden en om zo het eeuwige leven te verwerven, en daarom moet het menselijk geslacht aangroeien dankzij de ‘vermenging’ van man en vrouw:

 

"Die selben vermischung hat got gesaczt in dem paradeis in gestalt der heyligen ee. Darumb ist einn manne zu nemen ein weyb auch durch vrsachen das die welt mit menschen erfüllet die menscheit geewigt ein geschlecht vnd name gemert vnd die sünde der vnkeuscheit vermiden werde."

 

[Deze zelfde vermenging heeft God ingesteld in het Aards Paradijs onder de vorm van het heilig huwelijk. Daarom moet een man een vrouw nemen, en verder ook opdat de wereld met mensen gevuld zou worden, opdat de mensheid eeuwig zou worden, opdat geslachten en hun naam zouden vermeerderen, en opdat de zonde van de onkuisheid zou vermeden worden.]

 

Verder is het beter een maagd te huwen dan een weduwe, want maagden kan men beter naar zijn hand zetten. Als de gehuwden uiteenlopende karakters hebben (bijvoorbeeld stil en heftig), dan is dat geen probleem, want het kind zal een gemiddelde van de twee zijn (en dus matig). Het is ook beter voor de vrouw een brave arme man te nemen, dan een rijke die dwaas is. Verder vooral geen onwillige, eigenzinnige vrouw nemen, want eenmaal getrouwd kan men haar karakter niet veranderen. Paarden, ezels en ossen onderzoekt en evalueert men voor men ze koopt, maar dat gebeurt niet met een vrouw: men neemt haar zoals ze is.

 

Het derde hoofdstuk stelt dat, wanneer er onenigheid is in het huwelijk, men dit geduldig moet verdragen, zoals Sokrates deed met zijn twee vrouwen. Andere toonbeelden van geduldigheid waren Diogenes en de christelijke martelaren. Het vierde hoofdstuk wil aantonen dat men jonkvrouwen en vrouwen een man moet geven als zij er rijp voor zijn. Het enige wat Von Eyb echter doet, is bladzijdenlang het eerste verhaal van de vierde dag uit Boccaccio’s Decamerone navertellen: de lokale heer Tancredus wil zijn enige dochter Sigismunda niet meer uithuwelijken nadat haar eerste man al snel overleden is, en laat haar geheime minnaar Gwiscardus doden, waarna Sigismunda zelfmoord pleegt.

 

Ook het vierde hoofdstuk brengt weer een vrij bekend verhaaltje, dit keer rond de vraag ‘wat moet een vrouw doen als haar man lange tijd afwezig is’. Het betreft het ten onrechte aan Petrarca (niet door Von Eyb nochtans) toegeschreven Latijnse verhaal Historia de Arono et Marina, waarvan tussen 1480 en 1485 ook een Middelnederlandse versie gedrukt werd onder de titel Teghen die strael der minnen [zie Teghen die strael der minnen ed. 1965]. Hoofdpersoon is Marina, het piepjonge vrouwtje (15 jaar!) van een al wat oudere koopman die voor jaren op reis vertrekt en zijn echtgenote toestaat een minnaar te nemen als de vleselijke lusten te erg worden, zolang het maar een wijze en discrete jongeman betreft. Marina papt dan na lange tijd aan met een jonge dokter, die haar wijsmaakt dat hij omwille van een belofte aan God een jaar lang op water en brood moet leven. Er is nog één maand te gaan, en hij nodigt Marina uit om mee te doen. Na die maand is Marina echter zo uitgeteerd, dat ze geen zin meer heeft in seks en zo beseft ze dat die dokter haar gered heeft van de onkuisheid. De moraal is dat veel eten en drinken aanzet tot seks: vrouwen wier man lange tijd afwezig is, doen dat dus best niet.

 

Het tweede deel wordt dan afgesloten met twee kortere hoofdstukken. Het vijfde hoofdstuk is een lof op het huwelijk. God heeft het huwelijk ingesteld in het Aards Paradijs, Christus heeft het goedgekeurd op de Bruiloft te Kana, het huwelijk beschermt tegen onkuise excessen en het garandeert een aangenaam samenleven in vriendschap en liefde. Het zesde hoofdstuk is een lof op de vrouw en somt een heleboel vrouwen op die het schrift hebben uitgevonden (Isis, Nicostrata) of die uitgeblonken hebben in kunsten en letteren: Sappho, Cornelia, Aspasia, Centona, Amesia, Gaia Afrania Calphurnia, Tanaquill, Augeriona, Ceres, Minerva, de twaalf Sybillen en in ‘onze’ tijd Barbara, markgravin van Montua en afkomstig uit Brandenburg. Vrouwen hebben zich in het verleden kuis, trouw en grootmoedig getoond en bezaten ook nog andere deugden.

 

Het derde en laatste deel omvat drie hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk geeft adviezen bij het bruiloftsfeest. Eten, drinken en met vrouwen verkeren is aangenaam, maar alles moet met mate geschieden. Men moet alleen goede bekenden uitnodigen en het is ook leuk om mensen te laten speechen, liefst over iets dat zij goed kennen. Gezeur over het eten en drinken is af te raden. Er worden ook enkele onaangename gevolgen van het te veel wijn drinken opgesomd, waarbij onder meer verwezen wordt naar Noach en Lot. Het tweede hoofdstuk is plots niets anders dan een bladzijden- en bladzijdenlange klaagzang over de zwakheid en zondigheid van de mens en over wat een ellendig en onzeker bestaan deze mens leidt, met veel citaten uit klassieke auteurs en uit de Bijbel. Alles is hooi en vergankelijk.

 

Het derde en laatste hoofdstuk wil ten slotte aantonen dat elke zondaar op vergeving kan rekenen, door het uit het Latijn vertaalde verhaal van Sint-Albanus te vertellen. Albanus werd geboren uit de incestueuze relatie van een keizer en diens dochter. De keizer wilde het kind doden om schande te vermijden, maar de dochter legt het zoontje te vondeling, samen met een manteltje, een gouden ring en een beurs met geld. Het ventje komt terecht bij de koning van Hongarije, die het adopteert als zijn eigen kind. Als hij volwassen is, wordt Albanus uitgehuwelijkt aan de dochter van de keizer, zijn eigen moeder en zuster dus. Als de koning van Hongarije op sterven ligt, vertelt hij Albanus dat hij een vondeling is en geeft hij hem de mantel, de ring en de beurs. Albanus is bedroefd, maar als zijn vrouw hem om de reden vraagt, verzwijgt hij eerst de waarheid, uit schrik dat zij hem zal minachten. Zij blijft echter vragen en ten slotte vertelt Albanus dat hij een vondeling is en toont hij de drie voorwerpen, waardoor zijn vrouw onmiddellijk beseft dat zij zijn moeder is. Zij trekken naar de keizer om hem met deze kwestie te confronteren. De keizer is berouwvol, en met hun drieën gaan ze naar een bisschop om raad te vragen. De bisschop stuurt hen echter naar een kluizenaar, die hen opdraagt zeven jaar lang boete te doen in de wildernis. De bisschop zal ondertussen het keizerrijk en Hongarije besturen.

 

Na zeven jaar keren ze terug naar de kluizenaar. Eerst zijn ze een nacht te gast bij een ridder, maar de volgende dag reizen ze verder en lopen ze verloren in een bos. Albanus maakt een bed van bladeren voor zijn vader en moeder/zuster/vrouw en overnacht zelf in een boom. Tijdens de nacht plegen de vader en zijn dochter echter nogmaals incest, en Albanus doodt hen. De kluizenaar gebiedt hem vervolgens weer zeven jaren boete te doen in de wildernis, nadat Albanus hem en de bisschop gevraagd heeft zijn levensgeschiedenis in een boekje op te schrijven. Albanus wordt in de wildernis vermoord en zijn in een stroom geworpen lijk belandt dichtbij een molen. De dochter van een ridder die vuil werk heeft verricht, gaat in het water baden en wordt meteen helemaal proper. Ook andere vuile personen worden zuiver als zij het water betreden. Men haalt er een bisschop bij. Die ontdekt onder de waterspiegel het lijk en het boekje en begrijpt na lezing van dit boekje dat het hier een heilige en een mirakel betreft. De bisschop en de samengestroomde menigte danken God.

 

Thematiek

 

Onder meer in dit werkje is het blijkbaar Von Eybs grote bekommernis om zoveel mogelijk citaten uit klassieke en Italiaans-renaissancistische auteurs beschikbaar te stellen in een Duits dat voor een groot publiek toegankelijk is. Over het algemeen geldt Von Eyb als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Duitse vroeghumanisme, als de voornaamste vroege receptor van de Oudheid en de Italiaanse Renaissance in Duitsland, en als een uitstekende prozaschrijver uit de pre-reformatorische periode. Sommigen hebben er echter op gewezen dat hij daarnaast grotendeels ook een laatmiddeleeuwse moralist is gebleven (wat zeker niet onwaar is voor het Ehebüchlein).

 

Receptie

 

De Latijnse publicaties van Von Eyb waren uiteraard gericht op een eigentijds intellectueel publiek van gelijkgestemden. Het Ehebüchlein , geschreven in de volkstaal, mikt op een breder publiek en onder meer de bewaarde drukken en handschriften (alle uit de periode 1472-1540) wijzen erop dat de tekst rond 1500 op de nodige belangstelling kon rekenen. Na 1540 dooft het enthousiasme voor het Ehebüchlein echter snel uit, waarschijnlijk mede onder invloed van de Reformatie.

 

Profaan / religieus?

 

Manifest stichtelijk-religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Deze facsimile-uitgave is al zo’n dertig jaren grotendeels ongelezen in mijn bezit. In de jaren 1980 had Luk Wenseleers mij aangeraden om lid te worden van de Wissenschaftliche Buchgesellschaft in Darmstadt, en dit was één van de door mij aldaar aangekochte werkjes. In de loop der jaren ben ik verscheidene malen aan de lezing ervan begonnen, maar de lectuurpogingen strandden telkens weer. De oorzaken daarvan waren niet zozeer het gebruikte laat-vijftiende-eeuwse lettertype, dat vrij goed leesbaar is, maar wel het Middelhoogduits, dat voor een Nederlandstalige toch nog iets anders is dan het Middelnederduits, ofschoon na enige gewenning de lectuur ervan heel goed mogelijk is (zie het citaatje hierboven bij ‘Inhoud’), en vooral de voortdurend optredende afkortingen. Dat de woordjes püchlein en vngern ‘boekje’ en ‘Hongarije’ betekenen, heeft men al snel door, maar het duurt even wat langer om bestymet (met streepje boven de m) te ontcijferen als ‘bestymmet’ (bestimmt, vastgelegd). Deze keer echter doorgezet, met succes.

 

Tekstbezorger Weinacht vat de drie delen van het Ehebüchlein kort door de bocht samen als volgt: Frage: Soll ein Mann heiraten? – Antwort: Ja, und warum – Sonstige Querelen (kwesties) bei der Sache. Zoals men uit de omvangrijke samenvatting hierboven kan afleiden, geeft Von Eyb wel eens de indruk zichzelf tegen te spreken (beginnen met alle negatieve kanten van de vrouw en het huwelijk op te sommen, en dan uiteindelijk toch huwen en zelfs een lof der vrouwen) en af en toe zijn publiek te willen plezieren met het invoegen van verhaaltjes. Het eerste kan wellicht verklaard worden doordat Von Eybs tekst nog sterk de middeleeuwse, meer bepaald scholastieke geest ademt, waarbij een probleem eerst van alle kanten bekeken wordt, alvorens tot een conclusie te komen. Wat uit de samenvatting hierboven niet kan afgeleid worden, is dat Von Eyb vaak bijzonder wijdlopig en zelfs langdradig overkomt. Nochtans geeft zijn boekje een interessant beeld van hoe men in onze streken rond 1500 over vrouwen en trouwen dacht. Het citaatje uit het tweede deel (zie bij ‘Inhoud’) kan zó fungeren als onderschrift bij de groep Adam-Christus-Eva op het linkerbinnenluik van Bosch’ Tuin der Lusten. En voor de liefhebbers: hier en daar valt ook nog wat te sprokkelen in verband met topische beeldspraak.

 

Trouwens, over verhaaltjes gesproken. Het verhaal over de (onbekende?) heilige Albanus waar het boek mee afsluit, behandelt dus dubbele incest en oudermoord. Nou. Waarschijnlijk zit het niet voor niets weggestopt helemaal achteraan in de tekst. Weinacht deelt mee dat een aantal uitgevers van latere drukken dit verhaal hebben weggelaten of vervangen door iets anders.

 

[explicit 24 juli 2022 – Eric De Bruyn]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram