Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1552
Moderne editie
K. Iwema (ed.), "Cornelis van Ghistele, 'Van Eneas en Dido' - Twee amoureuze spelen uit de zestiende eeuw, uitgegeven met inleiding en aantekeningen", in: Jaarboek De Fonteine, XXXIII, Tweede reeks nr. 25 (1982/83), pp. 103-242
Taal
Middelnederlands

Van Eneas en Dido (Cornelis van Ghistele) 1552

[Teksteditie: K. Iwema (ed.), “Cornelis van Ghistele, ‘Van Eneas en Dido’ – Twee amoureuze spelen uit de zestiende eeuw, uitgegeven met inleiding en aantekeningen”, in: Jaarboek De Fonteine, XXXIII, Tweede reeks nr. 25 (1982/83), pp. 103-242 = Eneas en Dido ed. 1982/83]

[Hummelen 1 D 12]

 

Auteur

 

Cornelis van Ghistele werd geboren circa 1510 te Antwerpen en stierf in dezelfde stad, hoogstwaarschijnlijk in 1573. Als zoon van een kuiper-brouwer was hij zelf ook kuiper en daarnaast vooral handelsman en speculant. Van ongeveer 1550 tot 1565/70 was hij factor van de Antwerpse rederijkerskamer De Goudbloem. Van Ghistele was een typische voor-renaissancistische figuur: hij vertaalde een aantal Latijnse schrijvers en had heel wat interesse voor de klassieke stof (getuige onderhavige twee spelen). Aan hem worden nog toegeschreven het spel Van Leander en Hero en een vertaling van A. de Ulloa’s Leven van Karel V (1570). Voor verdere biografische en bibliografische gegevens, zie het artikel ‘Ghistele’ van de hand van M. Vinck-Van Caekenberghe in Nationaal Biografisch Woordenboek (Brussel, 1981), pp. 276-287 (een samenvatting van haar Gentse dissertatie) en de handelseditie van deze dissertatie: Mireille Vinck-Van Caekenberghe, Een onderzoek naar het leven, het werk en de literaire opvattingen van Cornelis van Ghistele (1510/11-1573), rederijker en humanist, Gent, 1996.

 

Genre

 

Het dubbelspel Van Eneas en Dido is een amoureus meispel (een toneelgenre van de rederijkers). Van Ghistele haalde zijn stof uit de boeken I en IV van Vergilius’ Aeneis, waarvan hij overigens in 1554-56 een vertaling in druk liet verschijnen.

 

Situering / datering

 

Het betreft hier twee inhoudelijk op elkaar aansluitende amoureuze rederijkersspelen (volgens de nummering van Iwema 2435 versregels lang), die in mei 1552 te Antwerpen werden opgevoerd. De tekst van de twee toneelwerkjes bleef bewaard in een handschrift uit 1553 dat gekopieerd werd door de Amsterdamse rederijker Reyer Gheurtz (wellicht ten behoeve van zijn rederijkerskamer De Eglentier). Dit handschrift berust sinds 1879 in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel (II.369). In Den Handel der Amoureusheit, een Rotterdamse druk uit 1621, komt eveneens een spel over Aeneas en Dido voor, waarvan de tekst grotendeels overeenstemt met die van Gheurtz’ handschrift. Het stuk wordt daar verkeerdelijk toegeschreven aan J.B. Houwaert.

 

Inhoud

 

De stof is bekend (vergelijk Aeneis, boeken I en IV). Na de verwoesting van Troje komt Eneas tijdens zijn zwerftocht naar Rome terecht in Carthago bij koningin Dido, die verliefd op hem wordt (mede door toedoen van de sinnekes). Eneas beantwoordt aanvankelijk haar avances (alweer onder invloed van de sinnekes), maar wordt door de goden (Venus, Jupiter en Mercurius) gewezen op zijn verantwoordelijkheid (Rome stichten). Hij verlaat Carthago en de wanhopige Dido pleegt zelfmoord. Zie voor een meer gedetailleerde samenvatting van de inhoud ed. 1982/83: 127-135.

 

Thematiek

 

Twee thema’s worden aangebracht door het motto dat elk spel telkens begeleidt. Het ene thema is politiek-religieus (het Romeinse/Roomse rijk is verheven boven alle andere, toegespitst op Karel V die in de proloog overigens flink bewierookt wordt), het andere is amoureus en wordt op het einde duidelijk geëxpliciteerd door de sinnekes: het dubbelspel is bedoeld als ‘spiegel’ voor de jeugd waaruit deze kan leren dat men maat moet houden in de liefde. Kleine oorzaken kunnen immers grote gevolgen hebben en alles uit de hand doen lopen. Het sinneke Jonstich Herte vat de moraal kort samen, in de verzen 2242-2243: Ja, en mindt bij maeten; / Tsij van wat staeten, wij werpendt over al! Vergelijk ook de epiloog (verzen 2331-2342): uit de onbeteugelde liefde komen àlle ondeugden voort.

 

Receptie

 

Dit dubbelspel behoort overduidelijk tot de zestiende-eeuwse stadsliteratuur: het werd geschreven door de factor van de Antwerpse rederijkerskamer De Goudbloem en in 1552 in Antwerpen opgevoerd. Het dubbelspel richtte zich dus expliciet op een stedelijk-burgerlijk publiek. Ten overvloede wordt dit aangetoond door de moraal van de tekst die typisch burgerlijk is: enerzijds het gunstig trachten te stemmen van de landvorst (Karel V), anderzijds het beklemtonen van de gulden middelmaat op het terrein van de liefde. In de epiloog wijst het personage De Man erop dat de tekst bestemd is voor de elite en niet voor het onwetende gewone volk, dat het werk van de rederijkers toch maar beschimpt (verzen 2345-2350).

 

Profaan / religieus?

 

Het profane karakter van de tekst staat buiten kijf. De stof is ontleend aan de klassieken, de moraal draait rond de wereldse liefde en er treedt geen enkel christelijk personage op (maar wel antieke goden). In de proloog wordt bovendien gesteld dat het te riskant is om een schriftuurlijk onderwerp te behandelen (Reformatie!), daarom wordt gekozen voor (veilige) klassieke stof, die aangenaam en stichtelijk is [ed. 1982/83: 109]. Iwema wijst verder nog op de burgermoraal en het volkse taalgebruik van de sinnekes [ed. 1982/83: 144].

 

[explicit 9 juni 1992]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram