Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
Kort voor 1343
Moderne editie
J.B. Poukens S.J. en L. Reypens S.J. (eds.), "Jan van Ruusbroec - Werken naar het standaardhandschrift van Groenendaal uitgegeven door het Ruusbroec-genootschap te Antwerpen", deel I, Het kompas-De Spieghel, Mechelen-Amsterdam, 1932, pp. 101-249
Taal
Middelnederlands

Die Chierheit der Gheesteliker Brulocht

(Jan van Ruusbroec) kort vóór 1343

[Teksteditie: J.B. Poukens S.J. en L. Reypens S.J. (eds.), Jan van Ruusbroec. I. Het Rijcke der Ghelieven / II. De Gheestelike Brulocht. Jan van Ruusbroec: Werken naar het standaardhandschrift van Groenendaal uitgegeven door het Ruusbroec-genootschap te Antwerpen, deel I, Het Kompas-De Spieghel, Mechelen-Amsterdam, 1932, pp. 101-249 = Die Gheestelike Brulocht ed. 1932]

[Andere teksteditie: Lod. Moereels S.J. (ed.), Jan van Ruusbroec. De Verhevenheid van de Geestelijke Bruiloft of De Innige Ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands. Ruusbroec hertaald – deel 5, Lannoo, Tielt-Amsterdam, 1977 = Die Gheestelike Brulocht ed. 1977]

 

Genre

 

Een geestelijk, meer bepaald mystiek traktaat in Middelnederlands proza.

 

Auteur

 

De veertiende-eeuwse Brabantse mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381).

 

Situering / datering

 

De editie-1932 is gebaseerd op twee handschriften: handschrift A (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19.295-19.297), een kopie die waarschijnlijk kort na Ruusbroecs dood (omstreeks 1381) in het Groenendaalklooster zelf ontstond, en handschrift F (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1165-1167), een kopie afkomstig uit Brussel (tweede helft vijftiende eeuw) [ed. 1932: XX]. Voor het op punt stellen van de tekst werd ook nog gebruik gemaakt van andere handschriften en van Latijnse vertalingen [zie hiervoor ed. 1932: XXXIX].

Die Gheestelike Brulocht was Ruusbroecs tweede werk, waarschijnlijk ontstaan kort vóór 1350 [ed. 1932: XXXIX]. Volgens Warnar [2003: 86] schreef hij het toen hij nog verbonden was aan het kapittel van Sint-Goedele te Brussel, dus kort vóór 1343.

 

Inhoud

 

Ruusbroec presenteert heel de verhandeling als een commentaar op één enkele zin uit het Mattheusevangelie: ‘Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit om Hem te ontmoeten’ (Mt. 25:6), een citaat uit Jezus’ parabel over de domme en de verstandige bruidsmeisjes. Aan dit citaat wordt de hele ontwikkeling van het geestelijk leven opgehangen, de menselijke groei naar een persoonlijke godsontmoeting. Ruusbroec onderscheidt in deze groei drie stadia of etappes, die klassiek zijn geworden in alle handboeken over spiritualiteit: het werkend leven, het innig leven en het godschouwend leven. Hij beschrijft eerst uitvoerig de morele groei van de mensenziel dankzij de inspanning van het werkend leven. De tweede etappe noemt hij het innig of godbegerend leven. Op dit niveau ontdekt de mens dat zijn eigen inspanning geenszins volstaat om God te vinden. Dan moet hij het roer in handen geven van de goddelijke stuurman, die voortaan zelf de koers wil bepalen. Ruusbroec toont nauwkeurig het verschil aan tussen het werkende en het godbegerend leven. In het eerste leven probeert de mens deugden te verzamelen, maar wie zich te exclusief wijdt aan deze werken van volmaaktheid, wordt slaaf van zijn streven naar werkheiligheid. Hij dreigt daarbij meer aandacht te besteden aan zijn dienst dan aan Hem die hij dient. In het godbegerend leven wordt de aandacht volledig geconcentreerd op Christus’ komst in de mensenziel. In het derde deel behandelt Ruusbroec het godschouwend leven van de volmaakte contemplatief. Hij was er zich goed van bewust dat slechts weinig mensen op aarde die hoge en intieme vereniging met het goddelijk mysterie kunnen bereiken. [Naar Verdeyen 1996: 26-27. Een uitgebreidere samenvatting in ed. 1977: 31-51.]

 

Thematiek

 

De mystieke opgang van de deugdzame mens naar de vereniging met God.

 

Receptie

 

‘In het verleden zijn diverse groeperingen naar voren geschoven als het beoogd publiek van de Brulocht. De meeste voorkeur ging uit naar kloosterlingen omdat zij feitelijk als enigen Ruusbroecs hoge leer konden volgen, of anders vrome vrouwen omdat zij over het geheel genomen het voornaamste publiek van mystieke teksten in de volkstaal waren. Beide opvattingen lijken niet bestand tegen het idee dat Ruusbroec bij zijn werk aan de Brulocht rekening hield met een sociaal moeilijk af te bakenen groep gelovigen over wie we in algemene termen niet veel meer kunnen zeggen dan dat zij verenigd werden door een religieuze interesse’ [Warnar 2003: 133]. Primair betreft het hier in elk geval geestelijke literatuur in een stedelijke context. Nog vóór 1360 vertaalde de Groenendaler Willem Jordaens de tekst in het Latijn voor de monniken van abdij Ter Doest (die naar verluidt Ruusbroecs Brabants onvoldoende begrepen) en ook Geert Groote maakte een Latijnse vertaling. Zie voor een beknopt overzicht van de verdere verspreiding van Ruusbroecs werk onder meer Verdeyen 1996: 87-91.

 

Profaan / religieus?

 

Manifest stichtelijk-religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Dit traktaat wordt tegenwoordig, welk boek of welke tekst men ook opslaat, algemeen beschouwd als Ruusbroecs meesterwerk. Volgens broeder Gheraert, een tijdgenoot die ooit met Ruusbroec zelf heeft gesproken, beschouwde deze laatste de Brulocht als de volmaakste uitdrukking van zijn leer [ed. 1932: XLI]. Alom wordt ook de structuur van de Brulocht geprezen (pater Van Mierlo vergeleek het met een kathedraal), maar wij vinden het – afgezien dan van die indeling in drie grote fases – een regelrecht van de hak op de tak springend ratjetoe waarin een kat haar jongen niet kan terugvinden. Ruusbroec schrijft: Ende hieromme beghere ic van yeghewelcken mensce die des niet en versteet noch en ghevoelt in die ghebrukelijcke eenicheit sijns gheests, dat hij onghearghet blive, ende laet sijn dat es (daarom dan ook verlang ik van ieder mens, die dit alles niet verstaat noch gevoelt in de genietende eenheid van zijn geest, dat hij hierover niet geërgerd wordt en dat hij de zaken laat zijn wat zij zijn) [ed. 1932: 240, ed. 1977: 355]. Dit slaat dan wel alleen op het derde deel van het traktaat dat het mystieke hoogtepunt behandelt, maar wat ons persoonlijk betreft mag deze zin gelden voor de hele tekst. Bladzijden- en bladzijdenlang weten wij niet of nauwelijks waar de zalige Jan het precies over heeft, voortdurend stoten wij op zinnen of woorden die wij niet begrijpen. In het zonet gegeven citaat begrijpen wij bijvoorbeeld ‘in de genietende eenheid van zijn geest’ niet. Onnodig te zeggen dat het lezen van zulk een aaneenschakeling van wolligheden een zeer vermoeiende bezigheid is. Wij zouden onszelf dan ook in geen geval een Ruusbroec-kenner willen noemen (we zullen dat helaas nooit worden), maar een Bosch-kenner, dat mag zonder valse bescheidenheid misschien toch. En dit weten we dan wel zeker: de wereld van Jeroen Bosch heeft in de verste verte niets te maken met deze mystiekerige woordenbrij over het één worden met God.

 

Een stuk toegankelijker vinden wij Ruusbroec overigens op de bladzijden waar hij aan het schelden slaat tegen ketterse personen die volgens hem het goddelijke mysterie op een verkeerde wijze beleven en benaderen [ed. 1932: 228-237 , ed. 1977: 326-349]. Men heeft hierin een aanval willen zien tegen de Brusselse Heilwig Bloemaerts (Bloemardinne), tegen Hadewijch en tegen de begijnenmystiek als dusdanig [vergelijk onder meer Warnar 2003: 69-80], maar wat Ruusbroec schrijft, blijft zo algemeen en vaag, dat dit volgens ons grotendeels, indien al niet volledig, op hypothese berust.

 

We kunnen ook niet nalaten hier nog even terug te komen op de vraag waar Ruusbroec zijn mosterd vandaan haalde, met andere woorden: werd hij inderdaad geïnspireerd door de Heilige Geest en had hij contact met het Hogere? Iedereen moet Ruusbroec zelf maar lezen om hierop te kunnen antwoorden, maar wij denken er het volgende van. In het geval van Hadewijch vonden wij al dat haar visioenen veel te geconstrueerd en overdacht waren voor iemand die effectief een eenwording met God zou hebben ervaren en bij Ruusbroec geldt dat nog eens in het kwadraat. ‘Na de begeesterde vrouwen die hun gevoelens de vrije loop lieten, kwamen de clerici met hun geleerde beschouwingen’, en ‘na de extase volgde de (theologische) analyse’, noteert Warnar [2003: 80/95] in verband met de mystiek in de dertiende en veertiende eeuw. Als de H. Geest al bestaat, kunnen wij ons niet voorstellen dat hij zich zou verliezen in ‘geleerde beschouwingen’ of ‘theologische analyse’. Er is echter meer aan de hand.

 

Warnar [2003: 84] merkt op: ‘(Ruusbroec) was voldoende vertrouwd met theologische termen om bij te dragen aan een scholastieke schaduwtaal in het Middelnederlands, maar tegelijkertijd toonde hij zich afkerig van wijsgerige doordrijvers die “al te scherpzinnig” (herde subtijl) hun woorden kiezen en behendig zijn in het beredeneren van hoge zaken. Zij raken door hun hersenspinsels verstrikt in geestelijke hoogmoed’. En ook [Warnar 2003: 87-88]: ‘Als kapelaan behoorde hij tot de intellectuele middenklasse van clerici aan wie de bloei van de Middelnederlandse letterkunde destijds te danken was: kapelaans, kanunniken, juristen, ambtenaren, schoolmeesters en kloostergeleerden. Dit gevarieerd gezelschap van geletterden was door ambt en opleiding goed bekend met de toen voornamelijk Latijnse geleerdencultuur; tegelijkertijd bleven zij vanwege hun werkzaamheden in hofkanselarij, stadsecretarie, kapittel of kapel in contact met de lekenwereld en de volkstaal. Vanuit deze tussenpositie hadden zij een groot aandeel in de migratie van wetenschappelijke kennis naar milieus buiten de universiteiten’.

 

Zou het dan niet eerder zo zijn dat Ruusbroec zijn mosterd haalde bij die Latijnse geleerdencultuur en daar een halfslachtige, wollige versie van maakte in de volkstaal? De volgende passage uit Warnar [2003: 99, vergelijk ook p. 100] zet in dit verband aan het denken: ‘Al vrij lang wordt aangenomen dat Ruusbroecs fundamentele driedeling in werkend, begerend en godschouwend leven geïnspireerd is op De triplici via (Over de drievoudige weg naar volmaaktheid)’. Niks geen H. Geest dus, wel een Latijnse tekst van Bonaventura! Noteren we overigens dat Ruusbroec, net zomin als Hadewijch, ondanks het geaffirmeerde contact met het Goddelijke, nergens de ontsluiering van een of ander groot kosmisch geheim of ook maar om het even welke wereldschokkende mededeling in de aanbieding heeft. Volgens Warnar [2003: 114] gebruiken mystieke schrijvers ‘een taal vol tegenstellingen en paradoxen die doelbewust de betekenis van de woorden uitholt – niet om het raadsel van het godsbegrip te vergroten, maar omdat het Opperwezen zich in Zijn essentie onttrekt aan alle vormen van begrip’. Wij zouden zeggen: dat laatste is inderdaad waar als het om gewone mensen gaat, maar net niét als het gaat om personen die door de H. Geest geïnspireerd heten te zijn. Alsof de H. Geest zou afkomen met een halfslachtige, als een wankele kathedraal opgebouwde doctoraatsthesis!

 

Ruusbroec was niet universitair gevormd zoals sommige van zijn medebroeders en toch werd hij de centrale figuur van Groenendaal, volgens zijn tijdgenoten omdat de H. Geest hem inspireerde, en in tegenstelling tot andere mystici kende Ruusbroec in zijn omgeving geen tegenkanting. Zo lezen we bij Paul Verdeyen [1996: 41-42]. Tegenkanting misschien niet, maar onbegrip misschien wel? Zoals hierboven reeds vermeld, maakte meester Willem Jordaens voor de cisterciënsers van abdij Ter Doest een Latijnse vertaling van de Brulocht. Jordaens is het in een bewaard gebleven, begeleidende brief duidelijk niet helemaal eens met het enthousiasme van die monniken voor Ruusbroec. Uit de brief blijkt onder meer dat de monniken om een vertaling hadden gevraagd, omdat volgens hen de verschillen tussen hun Vlaams en het Brabants van Ruusbroec te groot waren, en daarom hadden zij de volle smaak van het werk niet kunnen vatten [Verdeyen 1996: 64-65]. Zou hier sprake zijn van veertiende-eeuws intellectueel snobisme? Met andere woorden: begrepen de paters in werkelijkheid (net als wij) ook maar nauwelijks waar Ruusbroec het over had, en staken zij het dan maar op diens gebruik van een ander dialect? Een al even merkwaardig snobisme vinden we naar onze persoonlijke mening ook terug bij broeder Gheraert, een kartuizer uit het Brusselse die een verzamelhandschrift afschreef van Ruusbroecs werken. Deze codex ging verloren, maar de proloog ervan bleef elders bewaard. Daarin geeft de broeder eerlijk toe: al staan er in deze boeken veel woorden en zinnen die mijn verstand te boven gaan, toch denk ik dat die boeken goed moeten zijn [Verdeyen 1996: 66]. Hij begreep ze maar half, maar hij was toch enthousiast! Merkwaardig snobisme. Tegenkanting ondervond Ruusbroec overigens wel degelijk, maar dat was pas later. Geert Grote bijvoorbeeld had – naast bewondering – ook kritiek op Ruusbroec [Verdeyen 1996: 75-76]. En op het einde van de veertiende eeuw had de Franse geleerde Jean Gerson zware kritiek op de Brulocht, maar dan alleen op het derde en laatste deel [Verdeyen 1996: 92].

 

Om te eindigen nog enkele kanttekeningen rond de moderne Ruusbroec-receptie. Theo Mertens [1994: 227-228] signaleerde dat Ruusbroec tegenwoordig vertaald wordt in het Amerikaans Engels, het Duits en het Frans en dat er (anno 1994) plannen waren voor vertalingen in het Catalaans, Japans, Fins en Hongaars. Hij voegt er echter aan toe dat dit meer ten gevolge van een cognitieve interesse in Ruusbroecs religieuze leer is, dan van een literair-esthetische. Met andere woorden: men wil wel eens weten wàt Ruusbroec nu precies schreef, maar over hoé hij het schreef, is men niet zo enthousiast. Guido De Baere (net als Mertens lid van het Ruusbroecgenootschap overigens) [De Baere 1996: 84-85] stelde de vraag of Ruusbroec wereldliteratuur geschreven heeft. Qua verspreiding in de twintigste eeuw wel, antwoordt hij, maar wat literaire kwaliteit betreft is er wel wat kritiek geuit. De Baere zelf vindt dat het Ruusbroec-proza nog steeds ten zeerste aanslaat. Na al het bovenstaande kunnen wij het dus wel vergeten om ooit nog lid te worden van het Antwerpse Ruusbroecgenootschap (als we dat al zouden willen).

 

Geraadpleegde literatuur

 

Theo Mertens, “The Modern Devotion and innovation in Middle Dutch litrature”, in: Erik Kooper e.a., Medieval Dutch Literature in its European Context. Cambridge Studies in Medieval Literature – 21, Cambridge University Press, Cambridge, 1994, pp. 226-241.

Guido De Baere, “’Cristus een ghieregh slockard’ of de wansmaak van Ruusbroec”, in: Karel Porteman, Werner Verbeke en Frank Willaert (eds.), Tegendraads Genot. Opstellen over de kwaliteit van middeleeuwse teksten. Peeters, Leuven, 1996, pp. 83-92.

Paul Verdeyen, Jan van Ruusbroec. Mystiek licht uit de Middeleeuwen. Davidsfonds, Leuven, 1996 (tweede, volledig herwerkte druk), pp. 23-28.

Geert Warnar, Ruusbroec. Literatuur en mystiek in de veertiende eeuw. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2003, pp. 67-141.

 

[explicit 20 juli 2012]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram