Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1513-14
Moderne editie
Harm-Jan van Dam (vert.), "Desiderius Erasmus - Lof en blaam", Verzameld werk - deel 2, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2004, pp. 193-238
Taal
Latijn

Dialogus, Iulius exclusus e coelis (Erasmus?) 1513-14

[Nederlandse vertaling: Harm-Jan van Dam (vert.), Desiderius Erasmus: Lof en blaam. Lof van het huwelijk – Lof van de geneeskunde – Lof der Zotheid – Brief aan Maarten van Dorp – Julius buiten de hemelpoort. Verzameld werk – deel 2, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2004, pp. 193-238 = Iulius exclusus e coelis ed. 2004]

 

Auteur

 

Hoogstwaarschijnlijk Desiderius Erasmus (ca. 1469-1536). Erasmus heeft zijn hele leven lang ontkend dat hij de auteur was van deze tekst, ofschoon de stijl en de inhoud ervan duidelijk in zijn richting wijzen. Waarom loog Erasmus? Misschien hierom: na de dood van paus Julius II (in 1513) probeerde Erasmus uit alle macht om door diens opvolger Leo X ontslagen te worden van zijn kloostergeloften (wat in 1517 ook daadwerkelijk gebeurde). Het zou voor Erasmus niet gunstig geweest zijn als hij de auteur bleek van tirades tegen Julius’ geldverspilling die met nog meer recht tegen Leo gericht hadden kunnen zijn …

 

Genre

 

Een in het Latijn geschreven satirische dialoog. De keuze voor dit genre is beïnvloed door Erasmus’ favoriete Griekse auteur Loekianos.

 

Situering/datering

 

In maart 1518 werd de tekst anoniem uitgegeven in Keulen. De tekst circuleerde echter al vroeger: in een brief uit 1514 gaf Erasmus toe dat hij ‘een vluchtige blik’ op de Julius had geworpen [ed. 2004: 259]. In Bazel wordt nu nog een manuscript van de Julius bewaard dat al in augustus 1516 (over)geschreven is door twee vrienden van Erasmus, Bruno en Bonifacius Amersbach, die nauwe contacten onderhielden met Erasmus’ vaste Bazelse drukker Froben.

Van Dam noteert: Waarschijnlijk schreef Erasmus zijn satire kort na Julius’ dood in februari 1513, wellicht ook als vermaak voor zijn vrienden, net als de ‘Lof der Zotheid’ [ed. 2004: 262].

 

Inhoud/thematiek

 

Julius II was paus van 1503 tot 1513. In deze satirische dialoog biedt hij zich na zijn dood samen met Genius (een soort alter ego, maar eerlijker dan zijn baas) aan bij de hemelpoort, alwaar hem de toegang wordt geweigerd door Petrus. Er ontspint zich tussen Julius en Petrus (de allereerste paus!) een gesprek waarin Julius als een soort zestiende-eeuwse Silvio Berlusconi botweg al zijn zondigheden, wreedheden en dwaasheden opsomt en er nog trots op is ook. Arrogant, inhalig, oorlogszuchtig, machiavellistisch, wellustig, belust op macht en ongevoelig voor de ware leer van Christus: dat is het beeld dat hier van paus Julius II wordt geschetst. Tegelijk leren we uit deze tekst wat een paus wél zou moeten zijn: namelijk in alles het tegendeel van deze Julius.

 

Receptie

 

Manifest gericht op een humanistisch lezerspubliek.

 

Persoonlijk oordeel

 

Om te beginnen: een bijzonder vlot leesbare en geestige dialoog is dit, we hebben er tien keer meer leesplezier aan beleefd dan aan de Lof der Zotheid. Tegelijk is de ongelooflijk scherpe, satirische toon een blikopener van jewelste. Die paus Julius II was natuurlijk een onvoorstelbare klootzak (hij was trouwens niet de enige rond 1500: Alexander VI en Leo X, zijn voorganger en opvolger, waren geen haar beter), maar dat de paus in een geschrift uit het begin van de zestiende eeuw zó door de modder gehaald kon worden, is toch wel enigszins flabbergasting. Na lezing van deze tekst begrijpt men veel beter dat het protestantisme (met Luther, Calvijn en in Engeland Hendrik VIII) niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Afgaande op een tekst als deze kan men zeggen: het klimaat was er méér dan rijp voor.

 

Bovendien is deze keiharde satire voor ons en onze Bosch-studie in twee opzichten interessant. Ten eerste verwijst Petrus in het begin van de tekst naar Simon de tovenaar (vergelijk Handelingen 8: 9-24) met de woorden ‘die marskramer, die bedrieger’ [ed. 2004: 196]. Nogmaals een bewijsplaats voor het feit dat marskramers rond 1500 (onder meer) geconnoteerd werden aan bedrog, maar dat wisten we natuurlijk al langer (wel nog even checken welk woord er in het Latijnse origineel voor ‘marskramer’ wordt gebruikt … ).

 

Merkwaardiger is het volgende. Op het middenpaneel van Bosch’ Hooiwagen-drieluik loopt achter de hooiwagen een paus: zéér negatief voorgesteld dus, want die hooiwagen wordt door duivels recht de hel ingetrokken. Vroeger ging men ervan uit dat de versie van de Hooiwagen die in het Prado hangt, moet dateren uit de jaren negentig van de vijftiende eeuw en men stelde inderdaad enige gelijkenis vast met Alexander VI, die toen paus was (de paus op de Hooiwagen-versie in het Escorial is meer anoniem weergegeven). Na dendrochronologisch onderzoek (naar aanleiding van de grote Bosch-tentoonstelling in Rotterdam, 2001) bleek echter dat de Prado-Hooiwagen later moet geschilderd zijn, in de jaren 1510-1516, door Bosch zelf of eventueel door zijn atelier. Alexander VI was toen echter al minstens 7 jaar overleden (in 1503), dus dat plaatje klopte niet helemaal meer …

 

Nu schreven wij in ons proefschrift (in 2000): Voor een gelijkenis met Alexander VI valt inderdaad iets te zeggen (…), maar zodra men vaststelt dat deze figuur ook gelijkenis vertoont met paus Julius II (1503-1513) wordt duidelijk dat het identificeren van de ruiters achter de hooiwagen met historische personages een hachelijke zaak is [proefschrifteditie 2001, p. 101]. Als de Prado-Hooiwagen inderdaad in 1510-16 werd geschilderd, zou het logischer zijn dat de afgebeelde paus de beruchte Julius II is, die toen nog leefde of net overleden was, en dan is er een duidelijke parallel met de tekst Julius buiten de hemelpoort, die ontstond in 1513-14! De afbeeldingen van een bebaarde Julius II die men op Internet vindt via Google, kloppen overigens helemaal niet met de afbeelding uit 1511 van Julius II die wij in een tentoonstellingscatalogus vonden.

 

Het blijft een boeiende, maar tegelijk ook lastige denkpiste, want persoonlijk blijven wij vinden dat de op de Prado-Hooiwagen afgebeelde paus toch méér wegheeft van Alexander VI dan van Julius II. Onze strikt persoonlijke visie (zonder harde argumenten echter) is dat Bosch wel degelijk vóór 1500 een Hooiwagen schilderde (wellicht dus refererend aan Alexander VI, die qua slechte reputatie zeker niet moest onderdoen voor Julius II), en dat zijn atelier hiervan in de jaren 1510-16 een getrouwe kopie maakte. Als je namelijk de Hel (op het rechterzijluik) van de Hooiwagen vergelijkt met de Hel van de Tuin der Lusten, dan kan de Hooiwagen volgens ons onmogelijk een laat werk zijn (Bosch overleed in 1516). Dat rond 1500 in een (waarschijnlijk door Erasmus geschreven) tekst de paus zó ontzettend te kakken wordt gezet, past echter wel volledig bij het gegeven dat een paus van Bosch een one way ticket richting hel krijgt …

 

[explicit 24 november 2010]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram