Jheronimus Bosch Art Center
Datering
XVI
Moderne editie
Bart Ramakers en Karel Eykman (ed./vert.), "List en bedrog - Drie rederijkerskluchten", Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2009
Taal
Middelnederlands

Jan Fijnart (anoniem) XVI

[Diplomatische teksteditie: W.N.M. Hüsken, B.A.M. Ramakers en F.A.M. Schaars m.m.v. M.R. Hagendoorn en J.P.G. Heersche (eds.), Trou Moet Blijcken. Deel 8: De Boeken I, N, M en R. Bronnenuitgave van de boeken der Haarlemse rederijkerskamer ‘de Pellicanisten’. Uitgeverij Quarto, Slingenberg, 1998, fol. 1v-14v (Boek M) = Jan Fijnart ed. 1998]

[Kritische teksteditie: Bart Ramakers en Karel Eykman (ed./vert.), List en bedrog. Drie rederijkerskluchten. Bezorgd en vertaald. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2009, pp. 139-203 = Jan Fijnart ed. 2009] [Hummelen 1 OM 1] [Pikhaus 51]

 

Genre

 

In het handschrift wordt de tekst een tafelspel genoemd, maar het gaat veeleer om een rederijkersklucht.

 

Auteur

 

Een anonieme rederijker uit Middelburg (Zeeland), die lid was van de plaatselijke rederijkerskamer Het Bloemken Jesse [ed. 2009: 32]. Het devies van deze kamer (In minnen groijende) wordt immers vermeld in het laatste vers.

 

Situering / datering

 

Van dit spel (640 verzen in de ed. 2009) bleef een afschrift bewaard in boek M uit het archief van de Haarlemse rederijkerskamer De Pellicanisten. Dit boek werd rond 1600 vervaardigd door Goossen Ten Berch. Over de ontstaansdatum van het (oorspronkelijk in Middelburg geschreven spel) tasten we in het duister. Het dateert hoogstwaarschijnlijk uit (het einde van?) de zestiende eeuw.

 

Inhoud

 

De boer Jan Fijnart, die in Zoutelande (in de buurt van Middelburg) woont, verkoopt zijn vet kalf drie keer aan voorbijkomende slachters en slacht het vervolgens zelf om met de buren een feestelijke kermismaaltijd te houden. Een drietal weken later beseffen de drie Middelburgse slachters dat ze bedrogen werden. Ze beloven een plaatselijke schoenmaker een kan wijn als hij hen verwittigt wanneer Jan in de stad komt. Korte tijd later komt Jan vermomd naar de stad maar de schoenmaker herkent hem aan zijn hond. De slachters dagen Jan voor het gerecht maar op aanraden van een advocaat beantwoordt Jan alle vragen slechts met gefluit. Hij wordt vrijgesproken omdat men meent dat hij een dwaas is en met een dwaas moet men geen handel drijven. Als de advocaat om zijn loon komt vragen, doet Jan ook niets anders dan fluiten. Tegen zijn vrouw zegt hij dat sluwheid de wereld regeert en dat iedereen op zijn eigen voordeel uit is.

 

Thematiek

 

Profaan-moraliserende zelfdefiniëring bedoeld voor een stedelijk-burgerlijk publiek. Negatieve zelfbeelden zijn vooral de sluwe, bedrieglijke boer en ook wel de advocaat die het recht krom trekt. De thematiek draait rond oneerlijkheid en onbetrouwbaarheid in handel en rechtspraak. Volgens Ramakers [ed. 2009: 27] wordt de hoofdpersoon Jan Fijnart voorgesteld als een sympathieke oplichter en had het spel een dubbele boodschap: ‘Een waarschuwing zich voor boeren (of lieden) zoals Jan te hoeden en een aanmoediging zich in de strijd om het bestaan zoals hij te gedragen’. Dit laatste lijkt toch minder waarschijnlijk: volgens ons ziet Ramakers de hoofdpersoon hier te positief.

 

Receptie

 

Stadsliteratuur, gericht op een burgerlijk publiek. Het betreft hier een rederijkersstuk dat ontstond en bewaard bleef in een rederijkerscontext (verbanden met Middelburg en Haarlem). Middelburg wordt letterlijk genoemd in de verzen 254, 301 en 326 [ed. 2009]. In vers 369 wordt gezegd dat Jan in Zoetelande (Zoutelande, in de buurt van Middelburg) woont. Verder is er sprake van de Vlissingse Poort (vers 242) en van de herberg De Florentijnse Lelie (vers 482), twee Middelburgse locaties.

 

Profaan / religieus?

 

Manifest profaan.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Jan Fijnart (een noodtitel) is een rederijkersklucht van bijzonder middelmatig niveau die vooral opvalt door de rijmelarij (meer bepaald een overdaad aan dubbelrijmen en binnenrijmen), iets wat zowel door Eyckman als door Ramakers [ed. 2009: 11 / 45] expliciet gesignaleerd wordt. Karel Eyckmans hertaling van de tekst is overigens compleet onbetrouwbaar voor wie wil weten wat er in het originele Middelnederlands staat: in de inleiding waarschuwt hij de lezer dan ook dat hij geen getrouwe vertaling op het oog had, maar wel een gemoderniseerde versie van de tekst [ed. 2009: 11].

 

Bedenkelijker is echter dat op sommige plaatsen de woordverklaringen van Bart Ramakers te wensen over laten. In vers 144 (Om een haer soudick u slaen op u mulle // trompe) vertaalt hij ‘mulle’ door muil en ‘trompe’ door ‘bedrieger’, alsof dit laatste een aanspreking is. Uit vers 348 (Ick sloege hem so dapperlijck op zijn mulle // trompen) blijkt echter dat we ‘mulle’ en ‘trompe’ als één woord moeten lezen: het is met andere woorden een hendiadys die gewoon ‘smoel, bakkes’ betekent. In vers 368 staat in het origineel trouwens ook een dubbele streep (door Ramakers in zijn editie weergegeven als een komma) tussen ‘zoete’ en ‘lande’ en dit moeten we eveneens lezen als één geheel: Zoetelande.

 

In vers 231 vraagt de derde slachter aan Jan om het kalf de volgende donderdag bij hem thuis te komen afleveren: Brenges donderdage thuijs fraij. Als de coene spoort. De laatste vier woorden worden door Ramakers vertaald als: ‘Het (kalf) verzet (zich) hevig’. Dit is niet correct. Het volledige vers betekent: breng het (kalf) donderdag netjes bij mij thuis en haast u (daarbij) dapper! In vers 389 vraagt de derde slager aan de anderen waarom ze zo bedrukt kijken: Segt die secreeten // gaij. Ramakers vertaalt gaij (weliswaar met een vraagteken) als ‘gij’. Het zinnetje betekent echter: vertel mij welgezind wat jullie op het hart ligt. In de inleiding staat op bladzijde 42 dat Jan Fijnart bewaard bleef in boek R van de Pellicanisten. Dit is natuurlijk een vergissing voor M.

 

Interessant is wel dat Ramakers in de inleiding signaleert dat fluiten in het Middelnederlands ook ‘bedriegen’ kon betekenen (zie Jan die telkens fluit als antwoord) [ed. 2009: 35] en dat Jan Fijnart verwantschap vertoont met de Franse klucht La farce de Maître Pathelin (circa 1460-70). Inderdaad: in deze klucht verdedigt een advocaat een herder die door een lakenkoopman beschuldigd wordt van diefstal. De advocaat raadt de herder aan alleen te antwoorden met bééé, bééé. De herder wordt vrijgesproken en als de advocaat om zijn loon komt, antwoordt de herder weer met bééé, bééé (zie over deze klucht Nowé 2000: 226-231).

 

[explicit 5 januari 2000 / 4 september 2013]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram