Jheronimus Bosch Art Center
Datering
Circa 1408
Moderne editie
Herman Brinkman en Janny Schenkel (eds.), "Het handschrift-Van Hulthem - Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623", Band 2, Verloren, Hilversum, 1999, pp. 1136-1166
Taal
Middelnederlands

Een abel spel van Lanseloet van Denemerken

hoe hi wert minnende ene joncfrouwe die met sijnder moerder diende

(anoniem) circa 1408

[Kritische teksteditie: Rob Roemans en Hilda van Assche (eds.), Een abel spel van Lanseloet van Denemerken. Klassieke Galerij – nr. 123, De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, 1979 (7de, bijgewerkte druk) = Lanseloet van Denemerken ed. 1979]

[Diplomatische teksteditie: Herman Brinkman en Janny Schenkel (eds.), Het handschrift-Van Hulthem – Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623. Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden – Deel VII – Band 2, Verloren, Hilversum, 1999, pp. 1136-1166 = Lanseloet van Denemerken ed. 1999]

[Hummelen add. 0A5] [Debaene pp. 257-258] [CA 1486] [NK 1092] [NK 1093]

 

Auteur

 

Anoniem.

 

Genre

 

Lanseloet van Denemerken is één van de vier ernstige (en overwegend profane, zie infra) toneelteksten die in het handschrift-Van Hulthem bewaard bleven (de andere drie zijn Gloriant, Esmoreit en Vanden winter ende vanden somer (Winter ende somer). Deze vier spelen zijn geschreven in Middelnederlandse verzen. In het originele opschrift worden de vier teksten telkens een abel spel genoemd. Sommige auteurs zijn van mening dat dit een genreaanduiding is (men is dan ook gaan spreken van dé ‘abele spelen’), maar abel is gewoon een Middelnederlands woord dat ‘knap, kunstig, mooi, fraai’ betekent (vergelijk het Latijnse habilis). In de latere drukken (rond 1500) is het woord ‘abel’ overigens verdwenen. Vergelijk over de term ‘abel’ ed. 1979: 210 / 212 en Beckers 1993: 100.

 

Situering / datering

 

Lanseloet van Denemerken (952 verzen) bleef in zijn oudste vorm bewaard in het handschrift-Van Hulthem (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, hs. 15.589-623, nr. 206, ff. 223r-230v) (verder: H). Deze codex (verzamelhandschrift) wordt tegenwoordig ‘circa 1408’ gedateerd. De meeste auteurs dateren het ontstaan van Lanseloet van Denemerken zelf in de veertiende eeuw [ed. 1979: 18, Beckers 1993: 31]. In de periode rond 1500 kende dit spel nog een duidelijke populariteit want het is het enige ‘abele spel’ dat ook als incunabel en postincunabel bewaard is gebleven.

  • GL: Gouda, Govert van Ghemen, 1486-92 (CA 974). Het unieke exemplaar in de stadsbibliotheek van Lübeck verdween in de Tweede Wereldoorlog. In 1902 was gelukkig al een facsimile-editie gepubliceerd door Martinus Nijhoff [Beckers 1993: 8 / 75].
  • GDH: Eén blad uit een andere druk van Govert van Ghemen (?) (Kronenberg 974a). Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 151 D 11 [Beckers 1993: 10].
  • ABR: Antwerpen, Adriaen van Berghen, 1508 (fragmenten) (NK 1092). Brussel, Koninklijke Bibliotheek, A 1521 [Beckers 1993: 10].
  • AM: Antwerpen, Willem Vorsterman, 1518 of kort daarna (NK 1093). München, Bayerische Staatsbibliothek, Rar. 990 [Beckers 1993: 10-11].
  • KW, KG en KK: drie Keulse drukken, respectievelijk van circa 1500, circa 1500 en circa 1510 [Beckers 1993: 11].

De teksten van H, GL, GDH, AM en ABR werden in 1993 bezorgd door Beckers [Beckers 1993: 186-228].

 

Men gaat ervan uit dat aan H nog een oudere versie voorafging die echter verloren is gegaan. In het voormalig archief van de rederijkerskamer De Fiolieren uit ’s-Gravenpolder bleven twee toneelrollen bewaard met de rollen van Lanslot en Sandrijn uit een toneelbewerking (Sandrijn en Lanslot) van circa 1700 (tussen 1684 en 1720). Deze rollen werden in 1985 uitgegeven door Hüsken en Schaars. Zie voor de (latere) tekstoverlevering ook ed. 1979: 53-59.

 

Inhoud

 

De Deense prins Lanseloet is verliefd op de kamenier Sanderijn, dit tot groot ongenoegen van zijn moeder die Sanderijn te min vindt voor haar zoon. Door een valse list van de moeder is Lanseloet in staat om Sanderijn te misbruiken (verkrachten), waarna het meisje naar het buitenland vlucht. Zij huwt er met een ridder. Lanseloet laat haar opsporen door een bode, maar zij weigert terug te keren. De bode laat Lanseloet geloven dat Sanderijn dood is, waarna de prins sterft van liefdesverdriet.

 

Thematiek

 

De boodschap van H is in de eerste plaats profaan: in de epiloog [ed. 1979: 135 (verzen 944-949)] wordt benadrukt dat het belangrijk is om in de liefde hoveschelike te spreken en trouw te zijn. Het huwelijk wordt positief gewaardeerd. De bekende boom/bloem/valk-allegorie speelt bij dit laatste een signaalrol, waarbij Lanseloet het negatieve zelfbeeld vertegenwoordigt en de ridder het positieve zelfbeeld. Bij de middeleeuwse adel was de houding tegenover een verkracht (ontmaagd, onteerd) meisje normaal negatief: de eer was verloren. De ridder in H reageert echter erg pragmatisch: Sanderijn blijft mooi en kan nog steeds kinderen produceren. Dit zou een nieuwe mentaliteit aankondigen die eerder verwijst naar de burgermoraal van de stad dan naar de adellijke moraal aan de hoven. In deze zin fungeert H als een huwelijksspiegel.

 

In GL, bedoeld voor een (Hollands) burgerlijk publiek, was deze thematiek nog steeds actueel: ‘Een aantal wijzigingen was in de ogen van de drukker echter noodzakelijk om de tekst beter voor het beoogde publiek geschikt te maken. De religieuze dimensie van de tekst krijgt nu meer nadruk. Dit komt vooral tot uiting in de wijziging van de tweede helft van de epiloog, waar nu een expliciet godsdienstige les uit het verhaal getrokken wordt’ [Beckers 1993: 171]. Zie verder bij ‘receptie’.

 

Receptie

 

Alles wijst erop dat het handschrift-Van Hulthem gericht was op een publiek uit een laatmiddeleeuwse Brabantse stad (hoogstwaarschijnlijk Brussel). Ook H was naar alle waarschijnlijkheid gericht op een burgerlijk publiek. De vraag of deze tekst oorspronkelijk bedoeld was voor een adellijk publiek en later aangepast werd aan een stedelijk publiek valt door het ontbreken van oudere versies lastig te beantwoorden [Beckers 1993: 32 / 43 / 170]. Op 14 augustus 1412 hielden ‘gezellen’ uit Diest overigens een intocht te Aken bij welke gelegenheid zij het ‘spel van Lanseloet’ opvoerden [ed. 1979: 22].

 

Rond 1500 kende de tekst nog een duidelijke populariteit want Lanseloet van Denemerken is het enige abele spel dat als incunabel en postincunabel bewaard is gebleven. GL was naar alle waarschijnlijkheid bedoeld voor Hollandse burgers en geestelijken [Beckers 1993: 93]. In verband met de vraag of Lanseloet van Denemerken een tekst was voor het hof of voor de stad, is het interessant de epiloog wat nader te bekijken. In H weegt de ‘hoofse’ context zwaarder door. De aanspreking is: Ghi heren vrouwen (heren en dames, wat eerder wijst op een voornaam, adellijk publiek, het gewone woord voor ‘vrouw’ was in het Middelnederlands wijf), maar ook: wijf ende man [ed. 1979: 134 (vers 929)], dus gericht op gewone burgers. Daarnaast wordt hoofs gedrag tegenover vrouwen sterk beklemtoond. In GL [Beckers 1993: 226] is de aanspreking (ghi maechden knapen wijf ende man) alléén op gewone burgers gericht. Het hoofs zijn tegenover vrouwen wordt ook hier even aangeraakt, maar dan wordt de moraal omgebogen in een totaal andere richting: de aardse liefde is vergankelijk, alleen de goddelijke liefde is blijvend! De boodschap is dus niet langer louter moraliserend maar ook stichtelijk: gericht tegen de dwaze, aardse liefde die slechts tot problemen leidt.

 

Of zulk een boodschap kan beschouwd worden als exclusief ‘burgerlijk’, is nog maar de vraag. Men vergelijke Beatrijs, een veertiende-eeuwse hoftekst die precies dezelfde (stichtelijke) boodschap verkondigt. Verhelderend in dit verband zijn de ‘sotternieën’ (kluchten) die telkens op de abele spelen volgen. Het gaat daar iedere keer over mannen (boeren) die zich door hun vrouwen op de kop laten zitten. Deze boeren fungeren als negatieve zelfbeelden en laten zien hoe getrouwde mannen zich niet dienen te gedragen. Deze kluchten fungeren dus ook weer als huwelijksspiegels en bieden zelfdediniëring aan voor de stadsburger in verband met de burgerlijke huwelijksmoraal. Buskenblazer: oude mannen moeten niet trouwen met jonge vrouwen (hij is belust op seks, zij op geld). Rubben: mannen moeten zich niet door hun vrouw laten foppen. Playerwater: mannen moeten thuis de baas zijn, vrouwen mogen geen overspel plegen. Net als deze kluchten is Lanseloet van Denemerken een huwelijksspiegel, alleen betreft het deze keer geen laag register (boers milieu) maar een verheven register (adellijke context). De gepropageerde normen en waarden zijn hier: verkrachte meisjes kunnen gerehabiliteerd worden (eer is minder belangrijk), voorhuwelijksparen is niet goed (Lanseloet), seks hoort thuis binnen het huwelijk (de ridder) en opletten voor de zotte liefde (belangrijk is eervol en functioneel samenleven: procreatie). Vanwaar dan toch die overeenkomsten met de hofliteratuur (zie het adellijke milieu, de boodschap van ‘hoofsheid’, voor de ‘hoofse’ adel waren de dorpers / boeren trouwens ook al negatieve zelfbeelden)? Antwoord: de stadsliteratuur annexeert en adapteert in de late Middeleeuwen. De burgers namen dingen van de door hen bewonderde adel over en pasten die aan naar eigen behoefte…

 

Wat GL betreft: ‘De burgerlijke boodschap van het stuk bleef verder gelijk; ze lijkt op een tweetal punten zelfs nog te zijn aangescherpt. In GL krijgt de gehoorzaamheid en de onderdanigheid van de echtgenote meer de nadruk dan al in H het geval was. Bovendien wordt de moeder van Lanseloet nog boosaardiger afgeschilderd. De burgeridealen met betrekking tot de positie van de vrouw in het huwelijk en de plaats van oudere vrouwen in de samenleving zijn daarmee ten opzichte van H geradicaliseerd. Ook de status van Sanderijn is enigszins veranderd. De sociale afstand tussen haar en Lanseloet is in GL kleiner dan in H’ [Beckers 1993: 172]. In verband met de negatieve houding tegenover oudere vrouwen (de moeder van Lanseloet) in H is het overigens opmerkelijk dat de klucht die in het handschrift-Van Hulthem volgt op H (Die Hexe) ook draait rond het wantrouwen tegenover oudere vrouwen. Vergelijk over GL als stadsliteratuur en uiting van burgermoraal ook Beckers 1989 en Pleij e.a. 1991: 200-216.

 

De stadsburgerlijke context speelt in de vroeg-zestiende-eeuwse Antwerpse drukken een nog sterkere rol dan in GL: ‘De nog in GL resterende hoofse elementen in het decor van het verhaal zijn verder afgezwakt. Het woord “hoofs” is daarbij nagenoeg volledig uit de tekst verwijderd. Het hoofse kader was in Antwerpen in het begin van de zestiende eeuw blijkbaar niet meer erg bruikbaar om een burgerlijke moraal aan de man te brengen. Niet alleen in de verpakking, maar ook in de boodschap heeft een verandering plaatsgevonden. De Antwerpse ondernemers en kooplieden kochten deze drukken waarschijnlijk niet zo zeer voor zichzelf alswel voor lering en vermaak van hun kinderen. Ze waren daarbij vooral geïnteresseerd in teksten, waaruit jongeren konden leren hoe zij het gevaarlijke fenomeen van de liefde dienden te hanteren. Het verhaal van Lanseloet en Sanderijn lijkt nu vooral als een tragische liefdesgeschiedenis te zijn geïnterpreteerd’ [Beckers 1993: 173]. In de ‘epiloog’ van deze drukken blijft nochtans de religieuze interpretatie gehandhaafd.

 

Profaan / religieus?

 

Overwegend profaan met religieuze elementen. Voor de religieuze elementen in H, zie Beckers 1993: 60-74. Voor de religieuze elementen in GL, zie Beckers 1993: 139-147.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Verwijzingen naar het verhaal van Lanseloet en Sanderijn in Stijevoort I ed. 1929: 17 (refrein 5, verzen 41-43) / 200 (refrein 101, verzen 42-45), en in Doesborch II ed. 1940: 108 (refrein 56, verzen 40-42) / 126 (refrein 68 (vers 33).

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Wim N.M. Hüsken en Frans A.M. Schaars (eds.), Sandrijn en Lanslot – Diplomatische uitgave van twee toneelrollen uit het voormalig archief van de Rederijkerskamer De Fiolieren te ’s-Gravenpolder. Alfa, Nijmegen-Grave, 1985. [Recensies van deze editie: Guido Goedemé, in: Boekengids, jg. 63, nr. 8 (oktober 1985), p. 625 / W. Waterschoot, in: Spiegel der Letteren, jg. 28 (1986), nr. 3, pp. 199-200 / P.J.A. Franssen, in: Spektator, jg. 16, nr. 3 (januari 1987), pp. 231-232.]
  • Jo Beckers, “Van hoofse toneeltekst naar leestekst voor burgers? Enkele opmerkingen bij Een seer ghenoechlike ende amoroeze historie vanden eedelen Lantsloet ende die scone Sandrijn (ca. 1486)”, in: Literatuur, jg. 6, nr. 4 (juli-augustus 1989), pp. 222-228.
  • Orlanda S.H. Lie, “Het abel spel van Lanseloet van Denemerken in het handschrift-Van Hulthem: hoofse tekst of stadsliteratuur?”, in: Herman Pleij e.a., Op belofte van profijt – Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen. Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen – IV, Prometheus, Amsterdam, 1991, pp. 200-216.
  • Jeanette Koekman, “De stilte rond Sanderijn; over het abel spel Lanseloet van Denemerken”, in: Ernst van Alphen en Maaike Meijer (red.), De canon onder vuur – Nederlandse literatuur tegendraads gelezen. Van Gennep, Amsterdam, 1991, pp. 20-34. [Recensie: G.F.H. Raat, in: Spektator, jg. 22 (1993), afl. 2, pp. 157-159.]
  • Jozef Johan Maria Beckers, Een tekst voor alle tijden – Een onderzoek naar de receptiesituatie van de oudste overgeleverde versies van Lanseloet van Denemerken. Academisch proefschrift, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, 1993.
  • Willem Kuiper, “Van Averne naar Denemerken – Waarheen en hoe ver?”, in: Spiegel der Letteren, jg. 39 (1997), nr. 3-4, pp. 291-297.
  • Herman Pleij, Het gevleugelde woord – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560. Bert Bakker, Amsterdam, 2007, pp. 153-156.

 

[explicit 22 mei 1999 / 17 november 2016]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram