Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1564 / XVIB
Moderne editie
C. Kruyskamp (ed.), "Dichten en spelen van Jan van den Berghe", Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage, 1950, pp. 1-36 / 37-45
Taal
Middelnederlands

Het Leenhof der Ghilden (Jan van den Berghe) 1564

[Teksteditie: C. Kruyskamp (ed.), Dichten en spelen van Jan van den Berghe. Martinus Nijhoff, ’s-Gravenhage, 1950, pp. 1-36 = Leenhof der Ghilden ed. 1950]

 

Parafrase van Het Leenhof der Ghilden (naar het hs.-Van Henis)

(anoniem) XVIB

[Teksteditie: C. Kruyskamp (ed.), Dichten en spelen van Jan van den Berghe. Martinus Nijhoff, ’s-Gravenhage, 1950, pp. 37-45 = Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950]

 

Auteur

 

De rederijker Jan van den Berghe, alias Jan van Diest (+1559). Hij was onder meer factor van de Antwerpse rederijkerskamer De Violieren en van de Brusselse rederijkerskamer Het Boek [ed. 1950: XI-XII]. De auteur van de parafrase was een anonieme jurist uit het Luikse [ed. 1950: XVIII].

 

Genre

 

Een satirisch-allegorisch strofisch gedicht [ed. 1950: XV].

 

Situering / datering

 

Het Leenhof der Ghilden (885 verzen + een voor- en nawoord van de drukker) werd geschreven na 1531 [zie ed. 1950: XVII] en vóór 1559 (sterfjaar van de auteur). De tekst werd ter perse bezorgd door Jan Fruytiers (tevens de drukker?) en gedrukt in 1564, dus nà de dood van de auteur. Twee exemplaren bleven bewaard (’s-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek en Leiden, Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde – sig. 1497 G 3). In 1615 verscheen een herdruk, eveneens zonder plaats of drukkersnaam (één bewaard exemplaar: ’s-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek) [ed. 1950: XVIII / XXXI].

 

Waarschijnlijk niet lang na 1564 (het verschijnen van de eerste druk) vervaardigde een jurist uit het Luikse een prozaparafrase van de tekst (342 regels in de ed. 1950). Deze bleef bewaard in handschriftvorm (handschrift-Van Henis). Het handschrift was zoek in 1950 [ed. 1950: XVIII-XIX / XXXI].

 

Inhoud

 

Het Leenhof der Ghilden hekelt op allegorische wijze de menselijke ondeugden en gebreken. De tekst kan opgesplits worden in drie delen. In het eerste deel worden de menselijke ondeugden ondergebracht in categorieën en voorgesteld als feodale bezittingen die samen een ‘machtig keizerrijk’ vormen. Het tweede deel is gewijd aan de ondeugden van de vrouwen. Het laatste deel laat de allegorische vorm varen en is een hekeling van de praktijken aan de werkelijke ‘leenhoven’ (de belangrijkste administratieve en justitiële organen van de feodaliteit). Zie voor een vollediger inhoudsoverizcht ed. 1950: XIV-XV / XVII.

In de parafrase is de volgorde anders: eerst komt het gedeelte over de vrouwen, met nogal wat toevoegingen. Dan komt het eerste deel, met veel weglatingen, en ten slotte het derde deel, dat vrijwil letterlijk gekopieerd werd [ed. 1950: XIX].

 

Thematiek

 

Satirisch-allegorisch: allerlei menselijke karakters worden uitgebeeld via een ‘rijk’ met zijn complete indeling in landen en lenen, met hekelende opzet [ed. 1950: XV]. Jan van den Berghe was overigens blijkbaar zelf houder van een leen en bovendien stadhouder van de lenen voor het kwartier van Mechelen. Als hoge ambtenaar was hij dus goed geplaatst om een satire te schrijven op de wereld van de leenhoven [ed. 1950: XVI]. Het betreft hier overigens een tekst met nogal wat dubbelzinnig-erotische inslag, maar waarvan de metaforiek niet altijd even gemakkelijk toegankelijk is.

 

Receptie

 

Stadsliteratuur. Het betreft hier een tekst van een rederijker die nauw verbonden was met rederijkerskamers te Antwerpen en te Brussel. Werd de tekst ook in Antwerpen gedrukt? Verband met Antwerpen en Brussel.

 

Profaan / religieus?

 

In essentie profaan, maar met hier en daar religieuze tintjes.

 

[explicit 2 april 1997]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram