Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
XVIB?
Moderne editie
W.N.M. Hüsken e.a. (eds.), "Trou Moet Blijcken - Deel I: Boek A - Bronnenuitgave van de boeken der Haarlemse rederijkerskamer 'de Pellicanisten'", Uitgeverij Quarto, Assen, 1992, fol. 145r-154v
Taal
Middelnederlands

Die mane (anoniem) XVIB?

[Diplomatische teksteditie: W.N.M. Hüsken, B.A.M. Ramakers en F.A.M. Schaars (eds.), Trou Moet Blijcken. Deel I: Boek A. Bronnenuitgave van de boeken der Haarlemse rederijkerskamer ‘de Pellicanisten’. Uitgeverij Quarto, Assen, 1992, fol. 145r-154v = Die mane ed. 1992 (Hummelen 1 OA 10)]

 

Genre

 

Een ‘batement’ (rederijkersklucht), volgens het opschrift bij de tekst in het handschrift (dijt is een batement).

 

Auteur

 

Een anoniem gebleven, wellicht Brusselse (zie infra) rederijker.

 

Situering / datering

 

Het betreft hier een toneeltekst (1156 verzen naar de telling in ed. 1992) die bewaard bleef in Boek A van de Haarlemse rederijkerskamer ‘de Pellicanisten’. Die mane (een noodtitel die afkomstig is van Hummelen: in het handschrift wordt geen titel gegeven) is het tiende spel dat in het handschrift voorkomt. Boek A werd omstreeks 1600 vervaardigd. Verdere aanwijzingen in verband met de datering ontbreken, maar het spel werd in elk geval in de zestiende eeuw geschreven, misschien tussen 1550 en 1600.

 

Inhoud

 

Nout, de man van Baert, komt voortdurend dronken thuis. Op een keer besluiten Baert en haar vriendin Griet om Nout een lesje te leren: als hij weer dronken arriveert, slaan ze hem flink op zijn neus. De volgende dag verkleedt Griet zich als dokter. Zij maakt Nout wijs dat hij de maan in de neus heeft. Dat komt doordat hij bij het drinken zijn neus in de halflege kan steekt: op de bodem van de kan zit de maan en die springt dan in zijn neus. Vervolgens sturen de twee vrouwen Nout naar een waarzegster/heks. Deze is echter eveneens de verklede Griet. Nout wordt nu verplicht een tijd het paard van een weerwolf vast te houden, terwijl de ‘waarzegster’ op de Kattendries zijn neus gaat belezen. Nout staat duizend angsten uit, terwijl de vrouwen zich kapot lachen. Uiteindelijk vlucht Nout weg.

Hij komt dan Plonis tegen, de man van Griet. Plonis nodigt Nout mee uit naar de herberg, maar de schrik zit er bij deze laatste goed in. Als zij vervolgens de molenaar/herbergier tegenkomen (die zich al afvroeg waar zijn twee beste klanten bleven) doet Nout het hele verhaal. De molenaar ruikt lont en stelt Nout en Plonis voor om thuis dronkenschap te simuleren en dan eens te kijken wat er gebeurt. Zo worden Griet en Baert ontmaskerd. Zij krijgen beiden en flinke rammeling en moeten beloven niet meer boos te worden als Nout en Plonis dronken thuis komen.

 

Thematiek

 

Naast puur entertainment, ook negatieve zelfdefiniëring in een stedelijke context, hier meer bepaald gericht tegen de bazigheid en bemoeizucht van echtgenotes.

 

Receptie

 

Manifest stadsliteratuur. Het betreft hier een rederijkersklucht die bewaard bleef in het archief van een Haarlemse rederijkerskamer. Verband met Haarlem. In vers 1152 wordt verwezen naar Brussel: een aanduiding dat de klucht geschreven werd door een Brusselse rederijker? Vergelijk ook het motto helemaal achteraan: Bemijnt die waerheijt. Verband met Brussel?

 

Profaan / religieus?

 

Manifest profaan van aard.

 

Persoonlijke aantekeningen : de maan in de neus hebben

 

In deze klucht speelt ‘de maan in de neus hebben’ een rol. Het is een uitdrukking die ook elders in de zestiende-eeuwse literatuur én beelding voorkomt. Onder meer in een zot rederijkersrefrein over dronkaards (1524): Als die selcke die mane heeft inde nese / die sit al slapende op een banck en gryst [Stijevoort I ed. 1929: 116 (refrein 60, verzen 16-17)]. Verder wordt in een verslag over een Brussels sneeuwpoppenfestival uit 1511 één van de sneeuwpoppen als volgt beschreven: Bancbier sadt dwers teghen ouere / met eenen mouthoren aen een biervat; / hi dranck hem achter nat ende pouere, / dat hi die mane creech int snotghat [Dwonder van claren ijse en snee ed. 1946: 31 (verzen 289-292)]. In het Staatliche Kunstgewerbemuseum in Berlijn-Köpenick worden zes Zuid-Nederlandse beschilderde houten schotels bewaard die dateren van rond 1500. Op één van de schotels zien we een man die een kruik scheef houdt zodat ze overloopt: als snor heeft hij een maansikkel. Rond deze voorstelling lezen we het opschrift: Ic brueder lollaert helle den pot wat / Des crijge ic bollaert de mane int snotgat [De Coo 1975: 88-89 (afb. 5)]. Vermelden we ook dat men in de beelding vaak een maansikkel ziet afgebeeld op het uithangbord van herbergen.

 

Blijkbaar gaat het hier dus om een bekende laat-Middelnederlandse uitdrukking die wijst op dronkenschap. De maansikkel (de wassende of krimpende maan) was in de late Middeleeuwen een vaak voorkomend symbool van de wisselvalligheid en de onbetrouwbaarheid (te begrijpen vanuit de steeds wisselende gedaanten van de maan). ‘De maan in het hoofd hebben’ betekende dat men gek of dwaas was. In de uitdrukking waar het hier om gaat, bevindt de maan zich echter in de neus. Hiermee wordt bedoeld dat een dronkeman labiel is en onvast op zijn benen staat, maar welke gedachtegang er precies zit achter het zich in de neus bevinden van de maan in een geval van dronkenschap, is ons voorlopig niet helemaal duidelijk.

 

[explicit 31 oktober 1994 / 11 juli 2013]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram