Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
Circa 1516
Moderne editie
L. Debaene en D. Coigneau (eds.), "Marieken van Nieumegen - Ingeleid en van aantekeningen voorzien", Den Haag, 1980 (5)
Taal
Middelnederlands

Mariken van Nieumeghen (anoniem) circa 1516

[Teksteditie: L. Debaene en D. Coigneau (eds.), Marieken van Nieumegen – Ingeleid en van aantekeningen voorzien. Nijhoffs Nederlandse Klassieken, Martinus Nijhoff, Den Haag, 1980 (5) = Mariken van Nieumeghen ed. 1980]

[Teksteditie: C. Kruyskamp (ed.), Mariken van Nieumeghen. Klassieke Galerij – nr. 66, DNB/Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 1986 (9) = Mariken van Nieumeghen ed. 1986]

[Teksteditie: Bart Ramakers en Willem Wilmink (ed./vert.), Mariken van Nieumeghen & Elckerlijc – Zonde, hoop en verlossing in de late Middeleeuwen. Nederlandse Klassieken, Prometheus-Bert Bakker, Amsterdam, 1998, pp. 45-149 = Mariken van Nieumeghen ed. 1998]

[Hummelen 4 03] [NK 1089] [Debaene pp. 259-260]

 

Auteur

 

Anoniem. Hoogstwaarschijnlijk een Antwerpse rederijker [ed. 1980: 25-29, Kuiper 1986: 250]. Eligh 1991: 22, noteert dat het auteurschap nog problematisch is. Men zal een diepgaander stilistisch onderzoek moeten doen, vergelijken met daarvoor in aanmerking komende contemporaine teksten en gebruik moeten maken van andere disciplines.

 

Genre

 

Een mirakelspel dat in de vorm van een zestiende-eeuwse druk (postincunabel) tot ons kwam. De oorspronkelijke titel spreekt van een ‘historie’: Die waerachtige ende / Een seer wonderlijcke historie van Mariken van / nieumeghen die meer dan seven iaren / metten duvel woende ende verkeerde. De tekst bestaat afwisselend uit prozagedeelten en versdialogen. Eligh 1991: 22, signaleert in verband met de vormproblematiek (proza of poëzie?) dat onder meer Coigneau zich afvraagt of het hier niet gaat om een schijnprobleem dat vooral voor de moderne lezer geldt. Als dat zo is, tekent zich een nieuw onderzoeksaspect af: nagaan hoe de prozagedeelten en de versdialogen binnen het geheel samenhangend dienen gelezen te worden. Nowé 2000: 192, noteert: ‘Als mooiste specimen van een mirakelspel uit de Nederlanden gold vroeger “Die waerachtige ende seer wonderlijcke historie van Mariken van Nieumeghen”, overgeleverd in een oude druk van omstreeks 1515. Tegenwoordig wordt dit werk niet als toneel beschouwd, maar als een verhalende tekst waarvan de dialogen achteraf in verzen omgezet zijn”.

 

Situering / datering

 

Mariken van Nieumeghen (1144 verzen/regels) kwam tot ons in de vorm van een postincunabel (A) en er is ook een zestiende-eeuwse Engelse vertaling/bewerking overgeleverd (D).

  • A : Antwerpen, Willem Vorsterman. Is niet gedateerd maar wordt over het algemeen gesitueerd rond 1516. Exemplaar: München, Bayerische Staatsbibliothek, Rar. 518. Eligh 1991: 16, merkt op dat het proza naar circa 1516 verwijst, de poëzie naar circa 1480 als vroegste datum en dat, zolang we niet meer gegevens hebben, hier geen nadere preciseringen zijn te verwachten.
  • D : Antwerpen, Jan van Doesborch. Niet gedateerd, maar wordt gesitueerd circa 1518. Exemplaar: San Marino (Californië), Henry E. Huntington Library and Art Gallery.

Men vermoedt dat er een oudere druk dan A moet bestaan hebben [ed. 1980: 5-6 / Eligh 1991: 224-226]. Verder zijn er nog drie zeventiende-eeuwse drukken, een lied uit de achttiende eeuw (2 drukken) en een Latijns prozaverhaal uit de zeventiende eeuw.

 

Inhoud

 

Zie voor een overzicht ed. 1980: 8-13. Mariken is een meisje dat omwille van een negatieve ervaring (met haar tante) een verbond met de duivel Moenen sluit. Als ‘heks’ verblijft ze zeven jaar lang met Moenen in een Antwerpse herberg, waar ze het hoofd van de mannen op hol brengt en zo talrijke dodelijke vechtpartijen uitlokt. Af en toe richt Mariken echter nog wel een gebedje tot Maria en na zeven jaar krijgt ze spijt van haar levenswijze. Zij overreedt Moenen om naar haar thuisbasis, Nijmegen, terug te keren. Als zij er aankomen, wordt op de markt net het wagenspel ‘Masscheroen’ opgevoerd. Aangezien de moraal van dit spel is dat zelfs de grootste zondaars nog in aanmerking komen voor Gods genade, op voorwaarde dat er berouw getoond wordt, wil Mariken zich nu definitief bekeren. Een moordaanslag van Moenen op haar mislukt en Mariken reist met haar heeroom (een priester) naar de paus om een penitentie te vragen. Deze bestaat erin dat Mariken aan hals en armen zware, nauwsluitende ringen moet dragen. Zij trekt zich terug in een klooster in Maastricht en na een aantal jaren van boetedoening laten de ringen vanzelf los, een teken dat God Mariken vergeven heeft.

 

Thematiek

 

Welke zonden de mens ook bedreven heeft, door berouw en met de hulp van Maria als middelares kan hij altijd op vergeving rekenen [ed. 1980: 7, Eligh 1991: 109]. Andere stichtelijke elementen zijn de waarschuwingen tegen hevige politieke partijschap (Marikens tante pleegt zelfmoord omwille van een actuele politieke gebeurtenis) en tegen het losbandige kroegleven (zie het verblijf in de Antwerpse herberg).

 

Receptie

 

Manifest stadsliteratuur. Mariken van Nieumeghen is het werk van een (waarschijnlijk Antwerpse) rederijker en bleef bewaard in een Antwerpse druk. Verband met Antwerpen.

 

Eligh 1991: 23-26, over de waarderingsgeschiedenis: Kalff, Prinsen en Endepols wezen op de vermenging van het geestelijke en het profane. Iwema bestudeerde enkele psychologische aspecten en gaf een stimulans aan een breder cultuurhistorisch onderzoek. Recent ook veel aandacht voor het beeld van de vrouw in de late Middeleeuwen. Bijlage I in Eligh 1991 geeft een overzicht van de tekstuitgaven en van de seundaire literatuur rond Mariken sinds 1951 (tot 1991). Duidelijk is in ieder geval dat Mariken behoort tot de canon van de Middelnederlandse literatuur.

 

Profaan / religieus?

 

In dit spel wordt het religieuze verweven met het profane [Eligh 1991: 162-163], maar het religieuze aspect blijft toch toonaangevend. Eligh 1991 (hoofdstuk I) gaat nader in op enkele aspecten van de geestelijke wereld in Mariken. Men beschouwt Mariken als een overgangsstuk tussen Middeleeuwen en Renaissance, maar heeft men wel genoeg ook voor de regressieve tendenzen die in een fel bewogen tijd steeds aanwezig zijn? Mariken en andere geestelijke toneelstukken uit de late Middeleeuwen werden nog duidelijk geconcipieerd vanuit een middeleeuwse optiek die sterk schatplichtig was aan het ideeëngoed van de Kerk [29]. Het beeld was een middel om het woord (de christelijke leer) bij het ongeletterde publiek ingang te doen vinden. Het spel is derhalve een soort embleem: beeld en spelhandeling moeten het woord (de christelijke moraliserende boodschap) overbrengen [30]. Maar: naast orthodox christendom vindt men in het volksgeloof van die tijd ook niet-christelijke, magische elementen. In Mariken vindt men die twee aspecten ook naast elkaar terug [32-33]. Verschillende middeleeuwse aspecten van Mariken zijn in het verleden door een eenzijdige aandacht vooe de dageraad der Renaissance onderbelicht gebleven [39].

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Crych ed. 1920: 224-225 (verzen 472-479). Deze passage uit een toneelspel van Cornelis Everaert (XVIA) is negatief over kinderen van clerici. Die kinderen heten dan naar verluidt vaak ‘neven’ en ‘nichten’. Er wordt een woordspeling gemaakt: ‘heer ooms’ / ‘heer vaers’ (= vaders). Is Mariken een onwettelijk kind van haar heeroom? Vergelijk de aantekeningen in Crych ed. 1920: 596-597. Vergelijk ook Mariken van Nieumeghen ed. 1980 (verzen 78-79). Eligh 1991 gaat in het tweede hoofdstuk nader in op deze kwestie. Mariken is wellicht een bastaard [pp. 42-43]. Voor de eigentijdse lezer is dit mede de reden dat Mariken zich zo gemakkelijk laat verleiden door de duivel [45]. Een andere reden voor dit laatste is Marikens ijdelheid: Moenen belooft haar goed, geld en juwelen, maar vooral de mogelijkheid om te pronken met het bezit van kennis en geleerdheid [50]. Het voordragen van het lofrefrein op de Rhetorica past niet zo in deze context: de auteur heeft zich hier laten leiden door zijn eigen artistieke idealen en deze (wat onfunctioneel) geprojecteerd op Mariken [55].

 

In wisselend perspectief – Bijdragen tot een cultuurhistorische benadering van Mariken van Nieumeghen (Pieter F.J.M. Eligh) 1991

[Malmberg, Den Bosch, 1991, 275 blz. = Eligh 1991]

 

Dit is de handelseditie van Elighs dissertatie. Promotor was Herman Pleij. In de inleiding deelt Eligh mee dat hij zich zal beperken tot de studie van een aantal filologische aspecten in verband met Mariken. De auteurskwestie, de datering, de mengvorm van de overgeleverde tekst en de relatie met het Engelse volksboek laat hij onaangeroerd [9]. Zijn methode: hij beperkt zich tot tekstinterpretatie en stelt zich daarbij op een strikt historisch standpunt om een scherper beeld te krijgen van de toenmalige socioculturele code [11]. Deze cultuurhistorische benadering zal aantonen dat we in het geval van Mariken mogen spreken van een heterogene auteurscode. Vandaar de titel In wisselend perspectief [12].

 

Na een globaal overzicht van het onderzoek gewijd aan Mariken tot 1991 gaat Eligh over tot de meer filologische beschouwingen. Hoofdstuk I (De geestelijke wereld van Mariken van Nieumeghen – Enkele aspecten) en hoofdstuk II (Mariken) kwamen hierboven al aan bod. Hoofdstuk III (Necromantie en exorcisme) handelt over duiveloproeping en duiveluitdrijving. De socioculturele code van waaruit Moenen spreekt als hij Mariken de necromantie wil afraden: de necromant kon de hele hel in last brengen en daar heeft Moenen uiteraard schrik voor. Dit sluit aan bij bestaande opvattingen, die ook in de contemporaine volksboeken terug te vinden zijn [70-71]. Mariken heeft het in feite over het verdrijven van de duivel, Moenen over het oproepen van de duivel. De auteur wil hiermee Marikens argeloosheid en onwetendheid aangaande duistere praktijken schilderen [72-73].

 

Hoofdstuk IV heet De moeye. Op de moderne lezer komt de zelfmoord van de tante niet overtuigend over [77]. Kan de socioculturele code ons hier verderhelpen? Pleij heeft gewezen op de negatieve houding tegenover oude vrouwen in de vijftiende- en zestiende-eeuwse standeliteratuur (zie bijvoorbeeld Die Evangelien vanden Spinrocke). De afwijzing van Mariken door de tante moet bij de eigentijdse lezer een associatie hebben opgeroepen met de afwijzing van Maria en Jozef in de herberg (in de beelding van toen: vaak een oude vrouw die Maria en Jozef wegstuurt). De zelfmoord van de tante ligt in het verlengde van deze visie: zelfmoord was in de Middeleeuwen één van de verfoeilijkste misdaden, een dubbele moord: lichamelijk en geestelijk. De straf was eeuwige verdoemenis [82]. De zelfmoord van de tante is dus niet in de eerste plaats een gevolg van de politieke gebeurtenissen. De auteur wil ermee aantonen dat een mens moet leven binnen de gegeven structuren: individualisme is verwerpelijk want het vervreemdt van de anderen en leidt naar dood en verdoemenis [87].

 

Hoofdstuk V (De gulden camere) leert ons onder meer dat de ‘gulden camere’ of de ‘gildenkamer’ het betere gedeelte is van de middeleeuwse herberg [94-95]. Dit is overigens een erg zwak hoofdstuk. Hoofdstuk VI heeft als titel Het wagenspel. De functie van het wagenspel is het doorbreken van de vicieuze cirkel waarin Mariken zich bevindt, door de grondwaarheden in verband met zonde en vergeving duidelijk te maken: wie berouw heeft en boete doet, kan vergiffenis krijgen [109]. Hoofdstuk VII (De marktscène) stelt dat in de marktscène twee voorstellingen door elkaar lopen: de ene beantwoordt aan de officiële kerkleer (de ziel van de mens die sterft in doodzonde, gaat naar de hel), de andere is ‘folkloristisch’ (de duivel smijt de zondaren met lichaam en ziel in het hellevuur) [115]. Pagina 118: een zeer zwakke interpretatie van ‘corten blisse’. Dit hoofdstuk in zijn geheel: weer erg zwak.

 

Hoofdstuk VIII (Genezing). Waarom genezing via de deken en het vuur in plaats van door de chirurgijn? Marikens kwetsuren zijn veroorzaakt door iets bovennatuurlijks, dus moeten ze ook door het bovennatuurlijke genezen worden. Een priester beschikte volgens het gelovige volk in de Middeleeuwen over krachten die deels van magische oorsprong waren. Ook aan het vuur werden vanouds mysterieuze, helende krachten toegeschreven. Marikens snelle, wonderbaarlijke genezing blijft nochtans voor de moderne lezer moeilijk te begrijpen [132]. Hoofdstuk IX (De biecht). De biecht in Mariken moet niet in de eerste plaats begrepen worden vanuit het canoniek recht, maar vanuit de niet-orthodoxe opvattingen die leefden in de geloofsgemeenschap (vergelijk bijvoorbeeld legenden en exempelen) [145]. Hoofdstuk X (Vergeving). Marikens droomvisioen sluit aan bij voorstellingen in de contemporaine, volkse literatuur, waarbij zielen door engelen naar de hemel worden gevoerd om door God te worden geoordeeld. De begeleidende engel ontbreekt echter bij Mariken en van het oordeel zelf zijn we geen getuigen. De witte duif zou de deugd van de ootmoed symboliseren. Erg zwak hoofdstuk alweer: natuurlijk is er geen sprake van een oordeel, want Mariken is toch niet dood! En bovendien is er sprake van meerdere witte duiven, hoe kunnen die dan één deugd symboliseren?

 

In een Nawoord wordt gesteld dat de houtsneden zeker geen ondergeschikte rol spelen in de tekst: ze waren van groot belang voor de eenvoudige lezer [162]. Eligh heeft Mariken willen bestuderen vanuit filologisch en cultuurhistorisch perspectief. Dit perspectief blijkt ‘wisselend’ te zijn: veel uit de religieuze wereld van Mariken blijkt niet of slechts ten dele te verklaren vanuit het orthodoxe katholieke geloof, maar is meer dan eens te herleiden tot primitieve, volkse opvattingen, magisch denken en cultuurgoed dat ouder is dan het christendom. HET VERMOEDEN WERPT ZICH OP DAT DIT OOK IN STERKE MATE GELDT VOOR DE GESCHILDERDE WERELD VAN BOSCH (vergelijk bijvoorbeeld de Bosch-benadering van Paul Vandenbroeck). De uiteindelijke conclusie in verband met Eligh 1991 is overigens dat het hier gaat om een bijzonder matig proefschrift.

 

Recensies van Eligh 1991

 

  • Annelies van Gijsen, in: Millennium, jg. 7 (1993), nr. 2, pp. 166-171 [mét de nodige en terechte kritiek].
  • Veerle Fraeters, in: Ons Geestelijk Erf, deel 68 (1994), afl. 3, pp. 276-278 [ook met de nodige kritiek].

 

Mariken van Nieumeghen & Elckerlijc – Zonde, hoop en verlossing in de late Middeleeuwen [Bart Ramakers en Willem Wilmink (ed./vert.)] 1998

[Nederlandse Klassieken, Uitgeverij Prometheus-Bert Bakker, Amsterdam, 1998, 241 blz.]

 

De moraliteit Elckerlijc en het mirakelspel Mariken van Nieumeghen worden algemeen beschouwd als twee pareltjes van de laatmiddeleeuwse rederijkersliteratuur. Over de literaire productie van de rederijkers werd en wordt meer dan eens neerbuigend gedaan (ook in de moderne vakpers), en op die manier zijn de twee genoemde teksten echt wel regelbevestigende uitzonderingen. Die positieve receptie is trouwens niet nieuw, want Elckerlijc, dat ergens in de 15de eeuw een prijs won op een toneelwedstrijd in Brabant, werd in de 16de eeuw in het Latijn, het Duits en het Engels vertaald. Mariken van Nieumeghen (waarvan overigens niet vaststaat of het oorspronkelijk wel als toneeltekst bedoeld was) werd kort na 1500 speciaal vertaald met het oog op de Engelse markt.

 

De hier besproken uitgave werd verzorgd door Bart Ramakers (als medioneerlandicus verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam). Hij schreef een vlotte en toegankelijke inleiding die een handig overzicht biedt van de zeer omvangrijke secundaire literatuur, en editeerde beide teksten naar twee postincunabels die in Antwerpen werden gedrukt door Willem Vorsterman. Een surplus van deze editie in vergelijking met vroegere uitgaven zou de parallelvertaling van Willem Wilmink moeten zijn. Over het algemeen kweet Wilmink zich op bevedigende wijze van zijn opdracht, die niet gemakkelijk was omdat het rijm in beide hertalingen behouden diende te blijven. Anderzijds valt toch op dat de begeleidende expert (Ramakers dus) Willink vaak erg vrij heeft gelaten. Dit leidt meerdere malen tot een ongelukkige en zelfs foutieve weergave van de Middelnederlandse tekst. Zo klinkt wat Mariken van Nieumeghen betreft Willinks vertaling van de titel als Nijmeegse Marieke nogal onnozel en vraagt men zich af waarom Emmeke (het verkleinwoord van de eerste letter van de naam Mariken) plots Emmy moest worden. Nog gekker wordt het bijvoorbeeld wanneer Wilmink de ene boef de andere laat aanspreken met Anne (het origineel heeft Heinsone), gewoon omdat hij een rijmwoord diende te vinden op ‘kannen’. [4 januari 1999]

 

Recensies van de editie-1998

 

  • Elsa Strietman, “Het boecken maken en heeft gheen eynde”, in: Queeste, jg. 6 (1999), nr. 1, pp. 86-89.

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Iwema 1978: K. Iwema, “Kanttekeningen bij ‘Mariken van Nieumeghen”, in: Spiegel der Letteren, jg. 20 (1978), nr. 4, pp. 273-282.
  • Krap 1983: Frans W. Krap, Emmeken: ik ben ‘sduvels amie – Neerslag van een onderzoek naar het heksenprofiel van rond 1500 en van het speuren naar onderdelen daarvan in het drama Marieke van Niemeghen. Nijmegen, 1983.
  • Peeters 1983: L. Peeters, “Mariken van Nieumeghen ende Antwerpse volksboekencultuur”, in: Spiegel der Letteren, jg. 25 (1983), nr. 2, pp. 81-97.
  • Peeters 1984: L. Peeters, “Mariken van Nieumeghen. Historia – Retorica – Ethica”, in: Spiegel der Letteren, jg. 26 (1984), nr. 3-4, pp. 179-197.
  • Kuiper 1986: Willem Kuiper, “Mariken van Nieumeghen, een gerenoveerd Maria-Mirakel?”, in: Spektator, jg. 15, nr. 4 (februari 1986), pp. 249-267.
  • Eligh 1989: P.F.J.M. Eligh, “Nogmaals het wagenspel van Masscheroen”, in: De nieuwe taalgids, jg. 82, nr. 3 (mei 1989), pp. 337-342.
  • Pleij 1996b: Herman Pleij, “Omstreeks 1515. De Antwerpse drukker Willem Vorsterman brengt een slordige druk uit van de Mariken van Nieumeghen. Drukpers en toneel”, in: R.L. Erenstein e.a. (red.), Een theatergeschiedenis der Nederlanden – Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam, 1996, pp. 86-91.
  • Duinhoven 2001: A.M. Duinhoven, “Van ‘Beatrijs’ tot ‘Mariken van Nieumeghen’”, in: Queeste, jg. 8 (2001), nr. 1, pp. 19-37.

 

[explicit 16 februari 1996 / 5 februari 2017]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram