Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1509
Moderne editie
Harm-Jan van Dam (vert.), "Desiderius Erasmus - Lof en blaam", Verzameld Werk - deel 2, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2004, pp. 53-164 / 165-192
Taal
Latijn

Morias Enkomion, id est, Stultitiae laus (Erasmus) 1509

Epistola ad Martinum Dorpium (Erasmus)

[Nederlandse vertaling: Harm-Jan van Dam (vert.), Desiderius Erasmus: Lof en blaam. Lof van het huwelijk – Lof van de geneeskunde – Lof der Zotheid – Brief aan Maarten van Dorp – Julius buiten de hemelpoort. Verzameld werk – deel 2, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2004, pp. 53-164 / 165-192 = Morias Enkomion ed. 2004 / Epistola ad Martinum Dorpium ed. 2004]

 

Auteur

 

Desiderius Erasmus (ca. 1469-1536).

 

Genre

 

Een in het Latijn geschreven satirische lofrede en een in het Latijn geschreven brief.

De Zotheid onderging invloeden van het genre van de paradoxale lofrede uit de Oudheid (bijvoorbeeld Loekianos’ Lofrede op de vlieg), maar ook van de middeleeuwse traditie van de kerkelijke Zottenfeesten, van de tijdens het carnaval gehouden spotpreken (sermons joyeux) en opgevoerde kluchten (sotties) en van het fenomeen van de hofnar [ed. 2004: 252-254].

 

Situering/datering

 

In april 1509 kwam in Engeland Hendrik VIII aan de macht. Hij is de kunsten en de wetenschappen blijkbaar goed gezind, en Erasmus wordt door zijn Engelse vrienden aangespoord om naar Engeland te komen en te profiteren van het gunstige cultuurklimaat. Erasmus verlaat Italië en logeert in Engeland bij zijn vriend Thomas More. Hij krijgt echter last van nierstenen, voelt zich te slap om serieus werk te verrichten en schrijft dan, om de tijd te doden, in één week zijn Lof der Zotheid. De gelijkenis tussen de naam van zijn geleerde vriend (More) en het Griekse woord voor dwaasheid (moria) brengt hem op het idee voor de tekst. In juni 1510 stuurt Erasmus het manuscript naar More met een brief waarin hij de tekst aan hem opdraagt.

 

Erasmus was niet van plan het stuk uit te geven, maar op eigen initiatief brachten vrienden het naar een drukker in Parijs, die het in 1511 publiceerde. Vol fouten. In juli 1512 besloot Erasmus dan maar een geautoriseerde versie te laten drukken, ook in Parijs. Na 1512 verzorgde Erasmus nog zeven herdrukken, waarbij de tekst telkens bijgewerkt en uitgebreid werd. Uiteindelijk is de tekst twintig procent langer geworden dan in de eerste editie.

 

In september 1514 schreef de Leuvense theoloog en hoogleraar Maarten van Dorp een lange, kritische brief aan Erasmus over de Zotheid, hoogstwaarschijnlijk hiertoe aangespoord door zijn conservatieve Leuvense collega’s (Van Dorp werd pas doctor in 1515 en stond in 1514 op het punt om benoemd te worden in Leuven, vandaar). Hoewel Van Dorp de brief nooit aan Erasmus verstuurde, kreeg deze laatste de tekst toch onder ogen, waarschijnlijk via de Antwerpse stadssecretaris Pieter Gillis. Erasmus stuurde in mei 1515 vanuit Bazel een antwoordbrief. Erasmus’ antwoord werd in augustus 1515 uitgegeven door de Bazelse drukker Froben, die daar in oktober van hetzelfde jaar de oorspronkelijke brief van Van Dorp aan toevoegde. Vanaf 1516 werd Erasmus’ verdediging veelal meegedrukt in uitgaven van de Zotheid, echter zonder de brief van Van Dorp. Toen Van Dorp later nog een brief zond om zijn standpunt te verdedigen, schreef Thomas More een vernietigende reactie en kwam Van Dorp op zijn mening terug. Ondanks dit alles zijn Erasmus en Van Dorp altijd goede vrienden gebleven (toen Van Dorp in 1525 overleed, schreef Erasmus zelfs een grafschrift).

 

Van Dam vertaalde in deze editie alleen het gedeelte van de brief dat over de Zotheid gaat. De rest (waarin Erasmus het heeft over Hieronymus en over zijn eigen op stapel staande bijbeleditie) vertaalde hij niet.

 

Inhoud/thematiek

 

Het vrouwelijke personage Dwaasheid (Zotheid, Stultitia, Moria) houdt een lofrede op zichzelf en tegelijk op allerhande dwaze gedragingen van de mensheid. Daarbij is natuurlijk de trigger dat alles wat Dwaasheid aanprijst, in werkelijkheid afkeurenswaardig is, juist omdat het dwaas is. Dat gaat dan bijvoorbeeld zo (naar aanleiding van de man/vrouw-relatie):

 

Hun liefste wens in dit leven is toch mannen behagen? Daar is toch al dat optutten voor bedoeld, al die make-up, baden, kappersbezoekjes, smeerseltjes, parfums? Al die trucjes om gezicht, ogen, huid te verbergen, verven en bewerken? Met andere woorden, uiteindelijk is het dwaasheid en niets anders waarmee ze de mannen voor zich innemen. Want is er iets wat zij vrouwen niet toestaan? En alleen maar om betaald te worden met wat seks. En vrouwen zijn uitsluitend door hun dwaasheid aantrekkelijk. [p. 75, par. 17]

 

Nog duidelijker blijkt de dubbelzinnigheid van Dwaasheids betoog, wanneer zij het over het huwelijk heeft, en meer bepaald over mannen die er niet op letten wat hun vrouw allemaal doet zonder dat zij het weten:

 

Het is waar, dat is de schuld van de dwaasheid, maar die zorgt er intussen wél voor dat de man plezier heeft van zijn vrouw, de vrouw van haar man, dat er rust is in huis en dat de relatie blijft bestaan. Hij wordt uitgelachen, ze hebben het over horens opzetten, een koekoeksjong grootbrengen en wat niet al, terwijl hij met zijn lippen de tranen van zijn ontrouwe vrouwtje droogt. Maar je leeft toch veel en veel gelukkiger door je zo te laten inpakken dan door jezelf te martelen met jaloerse waakzaamheid en er één groot drama van te maken! [p. 78, par. 20]

 

Een evenwichtig, helder gestructureerd geheel is de Lof der Zotheid zeker niet. Het is eerder een van de hak op de tak springend allegaartje, vol humor, overdrijving, sarcasme, onzin en bittere en zoete ernst. Aanvankelijk is de sfeer vrij los en vrolijk, zoals wanneer geile oude mannen die met een jong kippetje trouwen op de korrel genomen worden, of ‘tochtige’ oude wijven die nog steeds het oerwoud tussen hun benen wieden (pubic trimming anno 1509!) en met hun verschrompelde hangtieten pronken [p. 91, par. 31]. Ook de alchemisten en de dobbelaars komen aan bod [pp. 102-103, par. 39]. Grimmiger wordt de toon wanneer Erasmus zijn pijlen richt op schoolmeesters, dichters, retorici, juristen, filosofen, theologen, bisschoppen, kardinalen en pausen. En ronduit ernstig wordt de tekst naar het einde toe, wanneer het gaat over de ‘christelijke dwaasheid’ en aan de hand van bijbelcitaten aangetoond wordt dat zelfs de apostelen en Christus zelf ‘dwaas’ waren, waarbij ‘dwaasheid’ eerder geconnoteerd wordt aan onschuld dan aan domheid (te vergelijken met de dubbelzinnigheid van de term ‘onnozel’, zie bijvoorbeeld de ‘Onnozele Kinderen’).

 

In de Brief aan Maarten van Dorp verdedigt Erasmus zich bijzonder uitvoerig en eigenlijk ook wel wijdlopig tegen de kritiek die de Zotheid losweekte, vooral dan tegen het verwijt dat hij de theologen en hoge clerus te hard had aangepakt. Erasmus herhaalt verscheidene malen dat hij alleen de sléchte vertegenwoordigers van deze groepen op de korrel wilde nemen, dat er ook goeden onder hen zijn en dat hij niemand met name genoemd heeft. Lang staat hij stil bij één zinnetje uit de Zotheid in verband met de zogenaamde dwaasheid van Christus, om op die manier een loopje te nemen met de beruchte ruzies van humanisten waarbij het vaak gaat om één woord of wending, terwijl de rest van de tekst genegeerd wordt.

 

Erasmus spreekt (schrijft) echter onmiskenbaar met dubbele tong. Nu eens distantieert hij zich van bepaalde antiklerikale of theologische stellingen van Dwaasheid met het argument dat het Dwaasheid is die spreekt, en niet Erasmus, dan weer – als het hem zo uitkomt – onderschrijft hij als Erasmus bepaalde door Dwaasheid geuite kritische uitspraken. Tijdens de lectuur van de Zotheid zelf is het door de afwisselend humoristische en ernstige toon voor de lezer dan ook vaak onduidelijk of hij Erasmus ten volle beluistert of niet.

 

Receptie

 

Het geïntendeerde publiek is manifest humanistisch (ontwikkeld, intelligent en Latijnkundig). In zijn eigen tijd ontving Erasmus zowel lof als kritiek op de Lof der Zotheid (zie supra). Tegenwoordig wordt de tekst algemeen beschouwd als Erasmus’ bekendste werk.

 

Persoonlijk oordeel

 

In de zestiende eeuw werd de Zotheid veel gedrukt en gelezen en ongetwijfeld is het ook nu nog het bekendste werk van Erasmus. Het was en is dus een belangrijk  boek maar is het ook zijn beste werk? In de brief aan Maarten van Dorp lijkt Erasmus er zelf in elk geval niet zo enthousiast over. Hij heeft het over een luchtig tijdverdrijf en over een pleziertje voor de vrienden [ed. 2004: 172] en spreekt van ‘een boekje dat ik zelf geen cent waard vind’ [ed. 2004: 189]. Grotendeels pose wellicht, want een dosis valse bescheidenheid was de grote humanist zeker niet vreemd. Blijft echter het onloochenbare feit dat de Zotheid een krakkemikkig allegaartje vormt, met hier en daar weliswaar interessante cultuurhistorische referenties (de kritiek op wellustige oude mannen en vrouwen of op alchemisten vinden we bijvoorbeeld ook terug in de zestiende-eeuwse beelding), maar – we bekennen het hier zonder schaamte – echt groot leesplezier heeft de tekst ons niet geboden. En die langdradige brief aan Maarten van Dorp al helemaal niet.

 

Onder ons gezegd en gezwegen: wij koesteren het sterke vermoeden dat de literaire waarde van de Lof der Zotheid een klein beetje overschat wordt, zeker tegenwoordig. Want zelfs al gaat het om een vrij korte tekst, je maakt ons niet wijs dat de Zotheid zich heden ten dage nog mag beroemen op grote scharen lezers. Niet dat dàt nu de norm hoeft te zijn, natuurlijk, begrijp ons niet verkeerd. Wij zijn echter bezig met de lectuur van Erasmus’ Adagia (een spreekwoordenverzameling met bij elk spreekwoord een uitleg) en Colloquia (een serie alledaagse gesprekken), en eerlijk gezegd: ons leesplezier ligt daar minstens enkele graden hoger dan bij de Zotheid het geval was. Onze voorlopige stelling luidt dan ook: Erasmus heeft betere dingen geschreven dan de Lof der Zotheid, maar we schorten ons definitief oordeel op tot we die andere dingen volledig gelezen hebben.

 

Uit de Brief aan Maarten van Dorp halen we toch nog twee dingetjes die ons opgevallen zijn. Erasmus stelt dat de twee grootste retorici, Cicero en Quintillianus, in hun lessen terecht veel aandacht besteedden aan humor [ed. 2004: 175]. Volledig akkoord met die ‘terecht’: het brengen van een ernstige boodschap is oneindig veel gebaat bij een dosis relativerende humor en smaakvolle geestigheid. Wij ervaren het elke dag aan den lijve als wij lesgeven. Ten tweede beklaagt Erasmus zich erover dat zijn kritikasters vaak één of twee woorden uit een tekst pikken, zonder context en soms ook licht verdraaid, en ’ze laten alles weg wat een uitdrukking die buiten het verband ruw is, beschaafd maakt en toelicht’ [ed. 2004: 184]. Iets gelijkaardigs overkwam onszelf ook, naar aanleiding van de door ons en Jan Op de Beeck geschreven tentoonstellingscatalogus De Zotte Schilders (2003). Dat boek werd door een kunsthistorica in Leesidee (nu De Leeswolf) negatief besproken, omdat wij één schilderij analyseerden dat wij vóór de tentoonstelling nog niet in het echt gezien hadden (zoals wij zelf in het boek signaleerden). Dat we de andere 31 schilderijen wél in het echt hadden bestudeerd en voor dat ene schilderij uitstekende detailfoto’s in kleur hadden gebruikt, dat speelde blijkbaar geen enkele rol. Oude trucs van de foor dus, maar na 500 jaar nog altijd even irritant en verwerpelijk.

 

[explicit 24 november 2010]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram