Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
XVA / V-VI
Moderne editie
J. Jacobs (ed.), "Een nieuw Mnl. handschrift van het Evangelie van Nicodemus", in: Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal en Letterkunde, 1926, pp. 546-587
Taal
Middelnederlands, Grieks, Latijn

Nychodemus passie [Evangelium Nicodemi]

(anoniem) XVA / V-VI

[Middelnederlandse versie: J. Jacobs (ed.), “Een nieuw Mnl. handschrift van het Evangelie van Nicodemus”, in: Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal en Letterkunde, 1926, pp. 546-587 = Nychodemus passie ed. 1926]

[Latijnse versie: A.F.J. Klijn (vert.), De Apocriefen van het Nieuwe Testament – Buitenbijbelse evangeliën, handelingen, brieven en openbaringen. Ten Have, Kampen, 2006, pp. 90-121 = Evangelium Nicodemi ed. 2006]

[Griekse en Latijnse versies: J.K. Elliott (ed.), The Apocryphal New Testament – A Collection of Apocryphal Christian Literature in an English Translation. Oxford University Press, Oxford, 1993 (reprint: 2009), pp. 164-204 = Evangelium Nicodemi ed. 2009]

 

Genre

 

Het Evangelium Nicodemi is een apocrief bijbelboek en behoort dus niet tot de canonieke boeken van het Nieuwe Testament. De tekst bestaat uit twee delen: de Acta Pilati [Handelingen van Pilatus] en de Descensus ad Inferos, waarin Christus’ nederdaling in de hel wordt beschreven.

 

Auteur

 

De auteur van de Acta Pilati noemt zichzelf Ananias, een officer van de Pretoriaanse Garde. Hij deelt mee dat hij de tekst vanuit het Hebreeuws in het Grieks heeft vertaald rond 425. De oorspronkelijke Hebreeuwse tekst werd naar verluidt geschreven door de joodse hogepriester Nicodemus. Ook de Descensus wordt aan Nicodemus toegeschreven. De auteur van de Middelnederlandse versie bleef anoniem.

 

Situering / datering

 

De Acta Pilati werd geschreven in het Grieks, waarschijnlijk circa 425. Oudere versies, waarvan reeds in de 2de eeuw gewag wordt gemaakt (door de christelijke auteur Justinus in zijn Apologie), zijn spoorloos verdwenen. Het tweede deel, met de Nederdaling in de hel, ontstond waarschijnlijk op het einde van de 5de eeuw. Later, waarschijnlijk in de 9de of de 10de eeuw, werden beide geschriften tot één geheel versmolten onder de naam Evangelium Nicodemi. Zie voor de Latijnse versie: C. von Tischendorf, Evangelia Apocrypha, Leipzig, 1876 (2), pp. 323-332. Voor de Griekse versie: A. de Santos Otero, Los Evangelios Apocrifos, Madrid, 1956, pp. 418-483. Voorzichtiger is de datering in de editie-2009: Elliott stelt daar dat volgens de ‘general consensus’ de beide delen van het Evangelium Nicodemi teruggaan tot de 5de-6de eeuw. Elliott bezorgde overigens een Engelse vertaling van een Griekse en een Latijnse versie van de Acta Pilati (geen van de bewaarde handschriften is ouder dan de 15de eeuw), en een Engelse vertaling van een Griekse en twee Latijnse versies van de Descensus ad Inferos: de Latijnse versie A is uitgebreider dan de Latijnse versie B (met een aantal verschillen ook) en versie A is ouder dan de Griekse versie. Naar verluidt zijn er door Izydorczyk meer dan 350 Latijnse handschriften van het Evangelium Nicodemi gecatalogiseerd.

 

De door Jacobs in 1926 bezorgde Middelnederlandse versie werd in 1917 ontdekt in het Begijnhof van Diest. Het perkamenten handschrift werd volgens Jacobs in de eerste helft van de 15de eeuw gekopieerd door de Zusters van Mariëndaal (Diest), die zich toen onder meer bezighielden met het kopiëren van boeken. De taal van het handschrift is overwegend Brabants, met Limburgse invloeden. De oorspronkelijke Middelnederlandse tekst dateert naar verluidt uit de 13de of 14de eeuw. De tekst vertoont heel wat afwijkingen tegenover de Latijnse versie. In het begin en op het einde wordt de tekst Nychodemus passie genoemd. Waar het handschrift zich tegenwoordig bevindt, is mij onbekend.

 

Inhoud

 

In het eerste deel, de Acta Pilati, wordt het proces beschreven dat de joden voeren tegen de gevangen genomen Jezus, met Pilatus als rechter. Pilatus en zijn vrouw nemen het daarbij op voor Jezus maar de joodse hogepriesters willen van geen wijken weten. Dan volgt het verhaal van de kruisiging, de verrijzenis en de hemelvaart van Jezus, waarbij door verscheidene personen gesignaleerd wordt dat ze Jezus na Diens dood hebben gezien. Uiteindelijk komen de joodse hogepriesters tot inkeer.

 

In het tweede deel, de Descensus ad Inferos, brengt Jozef van Arimatea de joodse hogepriesters in contact met Carinus en Leucius, de zonen van Simeon (de oude man die de kleine Jezus zegende in de tempel, zie Lucas 2, 22-35). Deze twee mannen zijn uit de doden opgestaan en schrijven, apart van elkaar, op wat zij in de onderwereld hebben meegemaakt. Zij verhalen hoe Jezus in de periode tussen Zijn kruisdood en verrijzenis afdaalde naar het voorgeborchte van de hel om aldaar de zielen van de rechtvaardigen (onder wie Adam en Eva, de aartsvaders en de profeten) te bevrijden. Omwille van de erfzonde konden dezen immers de hemel niet betreden en in afwachting van de komst van de Verlosser moesten zij hun tijd doorbrengen in gevangenschap aan de uiterste rand van de hel, weliswaar zonder gepijnigd te worden. De ene tekst wordt aan de joodse schriftgeleerden gegeven, de andere tekst wordt door Nicodemus aan Pilatus bezorgd, die alles in een boek liet noteren.

 

Thematiek

 

‘Het is (…) duidelijk dat de schrijvers christenen waren die op eigen gezag Jesus’ goddelijkheid en Messiasschap wilden bewijzen, door een nieuw en grootendeels verdicht verhaal op te disschen van zijn veroordeeling, zijn dood, zijn verrijzenis, zijn hemel- en hellevaart’ [ed. 1926: 546]. ‘Fanciful and legendary though these stories and the Acts of Pilate are, they cannot be said to be unorthodox, and there is no evidence to connect their composition with heretical sects’ [ed. 2009: 165].

 

Receptie

 

De Acta Pilati werd al vroeg vanuit het Grieks in het Latijn, Koptisch, Syrisch en Armeens vertaald. De Nederdaling werd vooral in de Latijnse Kerk verspreid. Jacobus de Voragine bewerkte de tekst in zijn invloedrijke Legenda aurea (circa 1260). ‘The Pilate legends became very popular in the Middle Ages and are the inspiration begind many of the legends concerning Joseph of Arimathea, the Holy Grail, and the Harrowing of Hell’ [ed. 2009: 165].

 

In 1926 vermeldde Jacobs vier Middelnederlandse handschriften van het Evangelium Nicodemi (Düsseldorf, Leiden, Den Haag, Diest) naast een half dozijn handschriften in Belgisch particulier bezit [ed. 1926: 547 / 551 (noot 1)]. Binnen de Middelnederlandse literatuur komt Christus’ hellevaart ook nog aan bod in onder meer Vanden Levene Ons Heren, een berijmd Jezusleven (XIIIA) uit de omgeving van Oudenaarde, in Jan van Boendales Der leken spieghel (1325-30), in Dirc van Delfs Tafel van den Kersten Ghelove (1404) en in de rijmvertaling van het Speculum humanae salvationis (circa 1410). Nog in 1528 werd te Antwerpen een Latijnse uitgave van het Evangelium Nicodemi gedrukt.

 

Profaan / religieus?

 

Manifest religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Als Dirk Bax in 1948 de lijst overloopt van werken die Bosch volgens hemzelf en volgens andere auteurs zou kunnen gelezen hebben, noteert hij: ‘Dat hij [Bosch] gegevens aan de Bijbel ontleende, hoeft niet bewezen te worden’ [Bax 1948: 275]. Over apocriefe bijbelboeken rept hij echter met geen woord. Is de invloed van apocriefe teksten op het algemeen als authentiek beschouwde Bosch-oeuvre wellicht niet onmiddellijk duidelijk, dan is dit toch al totaal anders voor wat de Bosch-navolging betreft. Men denke hier bijvoorbeeld aan de werken van Bosch-navolgers die de afdaling van Christus in de hel uitbeelden (besproken in Unverfehrt 1980: 201-205).

 

Sint-Hiëronymus oordeelde grotendeels negatief over de apocriefen. In zijn brief 107 [Ad Laetam de Institutione Filiae (Aan Laeta over de opvoeding van een meisje), geschreven in 403] merkt hij op: ‘Laat haar al de apocriefe boeken vermijden en als ze ooit verlangt om die te lezen, niet omwille van de waarheid van wat zij leren maar uit respect voor hun wonderlijke verhalen, laat haar dan beseffen dat ze niet echt geschreven zijn door de auteurs aan wie ze toegeschreven worden, dat zij heel wat foute informatie bevatten en dat het een grote vaardigheid vereist om naar goud te graven in modder’ [Hieronymus: Epistulae ed. 1991: 364-365]. Er zit goud tussen de modder, dus helemaal verwerpelijk zijn de apocriefen volgens Hiëronymus niet. Een gelijkaardig oordeel vinden we bij Sint-Augustinus die in zijn De civitate Dei noteerde: ‘We willen ons nu niet bezighouden met de verhalen van Schriften die als apocrief bestempeld worden, omdat hun duistere herkomst niet opgehelderd kon worden door de vaderen, van wie de gezaghebbende en betrouwbare boeken van de Heilige Schrift in een volledig gegarandeerde en bekende opeenvolging tot ons zijn gekomen. In die apocriefe boeken is wel enige waarheid te vinden, maar vanwege de vele onwaarheden missen ze toch ieder canoniek gezag [De civitate Dei ed. 2014: 721 (Boek XV, hoofdstuk 23)].

 

In de (late) Middeleeuwen oefenden apocriefe geschriften nochtans wel degelijk de nodige invloed uit. In de veertiende eeuw signaleert Jan van Boendale in zijn Der leken spieghel (1325-30) dat priesters bij hun preken graag gebruik maken van apocriefe verhalen en hijzelf gebruikt ook af en toe apocriefe bronnen terwijl hij goed beseft dàt ze apocrief zijn. Zo verwijst hij expliciet naar één van zijn aan Sint-Hiëronymus toegeschreven bronteksten met de woorden: Some die dinc, die ghi hier ziet, / En hout die heilighe kerke niet [Der leken spieghel II ed. 1845: 70 (Boek II, hoofdstuk 10, verzen 1-2)] terwijl hij elders verklaart dat zijn lezers het Evangelie elke dag kunnen horen, en dus vertelt hij liever iets uit Nichodemus hystorie [Der leken spieghel II ed. 1845: 164 (Boek II, hoofdstuk 35, verzen 109-116)]. In dit verband noteerde Herman Brinkman: ‘Daarbij is de keuze van zijn [Boendales] bronnen zeer opmerkelijk. Voor het levensverhaal van Jezus gaat hij niet, zoals men zou verwachten, in eerste instantie te rade bij de vier evangelisten, maar bij apocriefe geschriften. Dit leidt ertoe dat hij, overigens zonder het zelf te beseffen, het geboorteverhaal van Jezus weergeeft volgens de (ook toen reeds) uiterst zeldzame versie van de pseudo-Petrus. Het gevolg hiervan is dat het overbekende en zeker in de Middeleeuwen eindeloos herhaalde kerstverhaal in Der leken spieghel details bevat die men maar hoogst zelden in een geschrift in de landstaal zal tegenkomen’ [Brinkman 1993: 56].

 

In 1939 signaleerde Paul De Keyser reeds, wanneer hij het heeft over de ‘punten’ (allegorische praalwagens) in ommegangen en processies: ‘Tot tegen het einde van de XVe eeuw waren deze “punten” van zuiver godsdienstigen aard. Het waren tafereelen uit de Heilige Schrift: zowel uit het Oude en het Nieuwe Testament als uit de apocryphische schrifturen’ [De Keyser 1939/40: 128]. Van der Eerden wees op de invloed van apocriefe geschriften, onder meer op laatmiddeleeuwse afbeeldingen van de Val der Opstandige Engelen en van Simon de Tovenaar, maar ook van Christus’ afdaling in de hel: ‘Uitzonderlijk populair was Christus’ afdaling ter helle, waarvoor men kon teruggrijpen op de plastische beschrijvingen in het apocriefe Nicodemus-evangelie. Christus’ triomf over duivel en dood en zijn bevrijding van de rechtvaardigen uit de onderwereld leverden vanaf het begin van de negende eeuw tot in de Contrareformatie stof voor een eindeloze reeks van voorstellingen. De machten van het kwaad worden daarbij onveranderlijk als verslagen, vernederd en wanhopig afgebeeld, de hel meestal als een geopende monsterlijke muil’ [Van der Eerden 1994: 39]. Van Gerven signaleerde eveneens het belang van apocriefe teksten in de late Middeleeuwen, ook in de 15de eeuw [Van Gerven 1988: 20 (noot 40), met verdere bibliografie]. Conclusie: wie Bosch en vooral ook de Bosch-navolging bestudeert, mag de apocriefe bijbelboeken niet links laten liggen, waarbij de verhalen rond Christus’ geboorte en passie en rond Christus’ afdaling in de hel primaire aandacht verdienen.

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Van Gerven 1988: J. van Gerven, “Traditie, eschatologie en zelfcensuur – Boendale en de joden”, in: Bijdragen tot de Geschiedenis, jg. 71 (1988), nr. 1-2, pp. 3-27.
  • Brinkman 1993: Herman Brinkman, “1330: Jan van Boendale wordt berispt wegens passages in Der leken spieghel”, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen e.a. (red.), Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Groningen, 1993, pp. 53-58.
  • Cat. Mechelen 2003: Eric De Bruyn en Jan Op de Beeck, De Zotte Schilders – Moraalridders van het Penseel rond Bosch, Bruegel en Brouwer. Tentoonstellingscatalogus (Mechelen, Centrum voor Oude Kunst, 4 april-4 mei 2003), Gent, 2003, pp. 72-79.
  • Haslinghuis 1912: E.J. Haslinghuis, De duivel in het drama der middeleeuwen. Leiden, 1912, p. 13.
  • Izydorczyk 1994: Z. Izydorczyk, Manuscripts of the ‘Evangelium Nicodemi’ – A Census. Brepols Publishers, Turnhout, 1994.
  • Van der Eerden 1994: P.C. van der Eerden, “De verbeelding van het duivelse kwaad”, in: Madoc, jg. 8, nr. 1 (april 1994), pp. 30-40.

 

[explicit 16 december 2016]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram