Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1820
Moderne editie
J. Bosch (ed.), "Mr. Willem Bilderdijk - De Ondergang der Eerste Wareld - Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien", N.V. Uitgevers-Maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1959
Taal
Nederlands

De Ondergang der Eerste Wareld (Willem Bilderdijk) 1820

[Teksteditie: J. Bosch (ed.), Mr. Willem Bilderdijk. De Ondergang der Eerste Wareld. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien. N.V. Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1959 = De Ondergang der Eerste Wareld ed. 1959]

 

Auteur

 

Willem Bilderdijk (1756-1831). Knuvelder noemt hem de boeiendste figuur van zijn generatie en van de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij is onze enige grote romanticus die ‘op tijd’ kwam [Knuvelder III 1973: 208].

 

Genre

 

Een heldendicht, bestaande uit vijf zangen en geschreven in alexandrijnen. Volgens Bilderdijk zelf moest een heldendicht inhoudelijk drie kenmerken hebben: de held moet een doorluchtig persoon zijn uit de diepste oudheid, diens leven moet veel wonderbare gebeurtenissen omvatten, en er moeten geregeld veldslagen plaatsgrijpen [ed. 1959: 26].

 

Situering / datering

 

Bilderdijk maakte een eerste ontwerp in 1808. Tijdens de laatste maanden van 1809 schreef hij de eerste vier zangen, pas maanden later (in 1810) schreef hij de vijfde zang die op het einde abrupt afbreekt. Het heldendicht is dan ook onvoltooid gebleven. Bilderdijk was nochtans oorspronkelijk van plan een heldendicht van 20 of 21 zangen te schrijven [ed. 1959: 140]. Pas in 1820 werd de onvoltooide versie gepubliceerd door de uitgeverij P. den Hengst en Zoon te Amsterdam. Later in de negentiende eeuw, na de dood van Bilderdijk, hebben Isaac da Costa en Sebald J.E. Rau, ieder volledig naar eigen inzicht en aanvoelen, een vervolg geschreven op de vijf zangen van Bilderdijk met de bedoeling het werk te voltooien (respectievelijk gepubliceerd in 1847 en 1876).

 

Inhoud

 

Zie voor een samenvatting van de inhoud ook ed. 1959: 73-86.

 

Eerste zang

 

Na de aanhef en een beschrijving van de aarde na de Zondeval, vernemen we dat de nakomelingen van Kaïn zich bezighielden met akkerbouw, terwijl de nakomelingen van Seth zich eerder bezighielden met veeteelt. Maar weldra werden de Kaïnieten gewelddadig, roofzuchtig en losbandig ten koste van de Sethieten, en wat er van deze laatsten overbleef vermengde zich met de stam van Kaïn. Uit de Kaïnieten ontstond vervolgens een op geweld belust volk van Reuzen, dat oorlog voert tegen de Kaïnieten. Deze laatsten zwelgen in bijgeloof en offeren aan ‘hemelgeesten’, wat gepaard gaat met onkuise bacchanalen, waaraan ook de Sethietische vrouwen deelnemen. Behalve één: een zekere Elpine, voortgekomen uit Kaïns stam maar opgevoed door Sethieten.

 

Tweede zang

 

Elpine heeft een nachtelijk gesprek met een jongeling die één van de ‘hemelgeesten’ of ‘paradijsgeesten’ blijkt te zijn: kinderen van Adam en Eva die in Eden verwekt zijn. De jongeling vat ten behoeve van Elpine (en van de lezer) de oergeschiedenis samen. De val van Adam en Eva, de moord van Kaïn op Abel, de zes geslachten die na Adam kwamen. Het blijkt nu dat, terwijl de nakomelingen van Seth deugdzaam bleven, de paradijsgeesten bij de nakomelingen van Kaïn een reuzengeslacht hebben verwekt, waardoor oorlog, geweld en losbandigheid hun intrede deden. De paradijsgeesten werden hierom uit Eden verdreven en moeten nu door lucht en ruimte zweven. Nu blijkt ook dat Elpine door de jongeling zwanger is gemaakt. Hij belooft haar terug naar Eden te voeren, maar zij vreest God, wil liever sterven en vraagt de jongeling om boete te doen voor God en Zijn genade af te smeken.

 

De focus verschuift dan naar Argostan, de leider van de Kaïnieten, die oorlog gaat voeren tegen de Reuzen. Vanuit de ruimte zien de paradijsgeesten dit en onder impuls van Ahila, de beheerser van de planeet Mars, willen zij hun kinderen, de Reuzen, beschermen maar zij worden hiervan weerhouden door een duivel (Tavoach). Argostan roept zijn leger op om te gaan strijden tegen de Reuzen, maar als hij een priester doodt die hiertegen protesteert, ontstaat er een opstand in het leger en beginnen de Kaïnietische krijgers elkaar uit te moorden, tot er slechts 300 overschieten. Ook Argostan sneuvelt.

 

Derde zang

 

Een engel zorgt ervoor dat de Kaïnieten onderling vrede sluiten. Vervolgens houden de duivels een vergadering, waarop ook de paradijsgeesten zijn uitgenodigd. Men beslist om het mensdom in de eerste plaats tenonder te brengen met list, en later met geweld. De duivel Sadrach doet zich voor als Hanoch (de zoon van Kaïn) en spoort zo, in een spookverschijning, Segol (de broer van de gesneuvelde Argostan) aan om de oorlog te verklaren aan de Reuzen. Hij wordt door de Kaïnieten tot nieuwe koning verkozen. Zilfa, Segols vrouw die gedroomd heeft van een toekomstige zondvloed, probeert Segol te weerhouden van zijn greep naar de wereldmacht, maar zij slaagt daar niet in en wordt naar een veilige plaats in het zuiden gestuurd.

 

Vierde zang

 

Onder de leiding van Segol voeren de Kaïnieten oorlog tegen de Reuzen. Er vallen aan beide zijden veel slachtoffers en hoewel de Reuzen nog niet volledig verslagen zijn, lijken de Kaïnieten toch aan de winnende hand. Na een nachtelijk gesprek met de oude Regol, die op de hoogte is van geheimen die sinds Hanoch van generatie tot generatie werden doorgegeven, verwerpt Segol de aanbidding van de hemelgeesten en hij gelooft nu in de ene ware God. Dan komt een bode melden dat de Reuzen in het zuiden de Kaïnieten hebben aangevallen, maar dat Zilfa gered is. Segol vertrekt met zijn leger om te helpen en ziet vanuit het westen Kaïnietische hulptroepen komen opdagen. De duivel  Zardach verspreidt echter de pest onder deze hulptroepen.

 

Vijfde zang

 

Onder leiding van Segol vechten de Kaïnieten in het zuiden tegen de Reuzen, met wisselende kansen, maar uiteindelijk overwinnen de Kaïnieten. Segol draagt zijn overwinning op aan God en wordt ten hemel opgenomen. Hier eindigt de tekst abrupt.

 

Thematiek

 

Het concrete thema van het heldendicht is de wereld van vóór de Zondvloed, de Eerste Wereld dus, waarin de held en koning-onder-God Segol, die door Bilderdijk bedoeld was als een soort parallelfiguur met Henoch, een tragische strijd moet voeren tegen de samenspannende machten van reuzen, paradijsgeesten en duivels en later (vermoedelijk) ook tegen de eerst met hem verbonden Kaïnieten [ed. 1959: 59]. Het stuk zou waarschijnlijk geëindigd zijn met een bestorming en vernieling van het Aards Paradijs, waardoor de wateren van de Zondvloed zouden ontketend worden.

 

De Europese pre-romantische literatuur van de negentiende eeuw was doortrokken van een ‘mythologische kwestie’, waarbij wat het vermengen van literatuur met mythologie betreft, verschillende standpunten werden ingenomen. Bilderdijk koos voor een christelijke mythologie met invloeden van oude Joodse en Arabische bronnen die te rechtvaardigen zou zijn als waarschijnlijk, en misschien zelfs als waar (en dus niet in tegenspraak met de “heilige boeken” van de christenen). In zijn in 1820 speciaal voor de editie geschreven Aan den Lezer legt hij veel nadruk op de ‘machine’ in zijn heldendicht: de inwerking van bovennatuurlijke wezens (vergelijk de nog bekende uitdrukking ‘deus ex machina’) [ed. 1959: 49-50]. Bilderdijk bedoelde zijn heldendicht ook als waarschuwing voor de eigen, steeds meer ontkerstenende tijd en omgeving. Rond 1809-1810 was zijn toekomstverwachting sterk eschatologisch getint: hij las veel in het Boek Daniël en in de Openbaring van Johannes [ed. 1959: 56].

 

Receptie

 

Volgens Knuvelder zagen niet weinigen in de negentiende eeuw in Bilderdijk de grootste dichter uit onze letterkunde [Knuvelder III 1973: 257]. Naar verluidt werd zijn Ondergang der Eerste Wareld buiten de kring van vrienden en geestverwanten nochtans over het algemeen met koelheid ontvangen [ed. 1959: 109]. Met zijn vermenging van door Homeros beïnvloede, hoogdravende classicistische alexandrijnen en een door Ossian beïnvloede, op schimmen en nevelrijken gerichte romantische inhoud kon Bilderdijks heldendicht in zijn eigen tijd bij sommigen wellicht het nodige enthousiasme opwekken, maar latere beoordelaars zijn minder mild geweest. Reinder Meijer [Meijer 1978: 192] noteerde: ‘During his lifetime he was the giant who dominated the literary scene, but by the middle of the nineteenth century the more discerning critics began to write off a large part of his work as rhetorical and hollow. It takes a determined effort to find some convincing poems among the masses of verbose and overwritten poetry which he produced’.

 

Tekstbezorger J. Bosch wees in 1959 terecht op de talrijke onduidelijkheden en verwarde voorstellingen die de tekst bevat [ed. 1959: 80] en Knuvelder schreef al even terecht: ‘Het gedicht bevat wel een aantal geslaagde regels, maar een voortreffelijke aanhef (…) wordt niet lang zuiver volgehouden. Het gedicht draagt de “normale” kenmerken van Bilderdijks dichtkunst: een eigenwillige, vaak onjuiste woordkeus, een retorische opgewondenheid die met geweldige woorden smijt als met rotsblokken, maar vaak net naast gooit. Maar al te zelden wordt de lezer getroffen, – maar al te vaak wordt hij ontsticht door “een gezwollenheid die aan Seneca, een grootspraak die aan Jan Vos doet denken”’ [Knuvelder III 1973: 252-253].

 

Knuvelders eindconclusie in verband met het oeuvre van Bilderdijk als dusdanig luidt: ‘Het overgrote deel van zijn werk gaat mank aan zijn verouderde uitdrukkingswijze. In strijd met zijn romantische aard en zijn romantisch temperament, met zijn theoretische overtuiging ook, drukte de heftige bestrijder van de achttiende eeuw en haar rededienst zich overwegend uit in de vormentaal van het klassicisme. Hoe machtig zijn taalbeheersing zijn mocht, hij slaagt er niet in de nieuwe, eigen, vrije vorm te creëren die de romantici voor ogen stond. Daardoor heeft hij als dichter-in-de-artistieke-zin niet het uitzonderlijk belang dat hem als mens en romantische persoonlijkheid toekomt. Dat belang was uniek in zijn eigen tijd, en bleef het lang daarna. Voor sommigen tot op de dag van vandaag’ [Knuvelder III 1973: 264].

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Laten we wel wezen: De Ondergang der Eerste Wareld van Bilderdijk is vandaag een ongenietbare, van pretentie bol staande en in feite (ook al omwille van het onvoltooide karakter) mislukte tekst. Waarom er dan zoveel aandacht aan besteden? Omdat ik het sterke vermoeden heb dat de Eerste Wereld, dat wil dus zeggen: de wereld tussen de periode van Adam en Eva en de periode van de Zondvloed, ook het onderwerp is van het middenpaneel van Jheronimus Bosch’ Tuin der Lusten-drieluik. En dus is het interessant om even na te gaan wat Willem Bilderdijk zo’n 400 jaar later over hetzelfde onderwerp te vertellen had.

 

Eerst even signaleren dat Joost van den Vondel in de zeventiende eeuw een toneelstuk schreef met als titel Noah of de Ondergang van de Eerste Wereld en dat Bilderdijk de titel van zijn heldendicht waarschijnlijk hieraan ontleende [ed. 1959: 36-37]. Het is overigens duidelijk dat Bilderdijks verzen de nodige invloed hebben ondergaan van Vondels taal. Op dat toneelstuk van Vondel kom ik elders te gelegener tijd nog terug, maar signaleren we hier ten tweede dat Bilderdijk in het Europa van rond 1800 blijkbaar niet de enige was die zich interesseerde voor het thema van de wereld vóór de Zondvloed. Ik som een paar dingen op die ik via deze teksteditie heb leren kennen (en die ik nog niet verder onderzocht heb).

Professor Johannes Henr. Van der Palm publiceerde in 1790 een opstel met als titel Letterkundig Onderzoek aangaande de Reuzen der Oude Wereld. Al deed de professor over deze tekst later wat minachtend, Bilderdijk zou er wel door geïnspireerd geweest zijn toen hij zijn epos concipieerde [ed. 1959: 45-46].

J. Bosch, de tekstbezorger, noteert dat vóór en na 1820 het onderwerp van de voorwereld ‘nog telkens aan de orde (is) in de Europese literatuur’ [ed. 1959: 50].

N.G. van Kampen schreef een tekst: Beschouwing van de hedendaagsche dichters over de vroegste tijden des menschdoms, gepubliceerd in Vaderlandsche Letteroefeningen, 1837, vooral pp. 10-15 [ed. 1959: 77 (noot 1)].

In 1818 schreef de Engelsman James Montgomery een heldendicht met als titel: The world before the flood [ed. 1959: 106 (noot 5)].

Interessant is wellicht ook Nicolaas Beets’ De Paradijsgeschiedenis en de Nederlandsche Dichters, in: Verscheidenheden meest op letterkundig gebied, I, pp. 139-208, uit 1876 (tweede druk) [ed. 1959: 133 (noot 5)].

Stuk voor stuk dingen van rond 1800 en niet van rond 1500, maar waarom kàn dit allemaal interessant zijn? Omdat er in die teksten van rond 1800 misschien dingen voorkomen die eeuwenlang via bepaalde tradities bewaard bleven (in verband met wat men geloofde rond de Eerste Wereld). Of omdat die teksten van rond 1800 oude bronnen gebruikten die ook in de late Middeleeuwen bekend waren.

 

In verband met die oude bronnen. Wat ten derde moet gesignaleerd worden: Bilderdijk gebruikte het Boek van Henoch (zie uitgebreid elders in dit onderdeel van JBP) als inspiratiebron. Wij kennen ondertussen drie versies van het Boek van Henoch, maar Bilderdijk raadpleegde een late Griekse versie van de Ethiopische tekst (de zogenaamde 1 Henoch), welke versie door Scaliger was ontdekt en later inferieur is gebleken. Men notere dat de figuur van Segol uit Bilderdijks eigen koker kwam, maar dat Segol waarschijnlijk bedoeld was als een soort parallelfiguur van Henoch, nààst Noach [ed. 1959: 41 / 44 / 47 / 142 (noot 3)]. In zijn inleiding bij de editie uit 1820 heeft Bilderdijk het zelf uitgebreid over het Boek van Henoch, met een lang citaat uit die tekst erbij [zie ed. 1959: 141-145]. Andere oude bronnen die Bilderdijk zelf noemt, zonder verdere uitleg dit keer overigens, zijn: Cedrenus, Clemens van Alexandrië, Zosimus, Africanus, Syncellus, Justinus de martelaar en Augustinus [ed. 1959: 140]. Daarnaast heeft men (in de negentiende eeuw al) invloed van oude Joodse bronnen op Bilderdijk vermoed. De tekstbezorger J. Bosch signaleert onder meer de Zohar (een dertiende-eeuws kabbalistisch compendium), de Kabbalàh [ed. 1959: 42] en het pseudepigrafische Boek der Jubileeën, de zogenaamde Kleine Genesis [ed. 1959: 48 / 76 / 79]. Al deze bronnen zouden eventueel ook door Jheronimus Bosch gekend kunnen geweest zijn en verdienen het om onderzocht te worden op verbanden met de Tuin der Lusten.

 

Na het signaleren van deze drie zaken, blijft nog de hamvraag over: leert Bilderdijks heldendicht ons iets concreets in verband met het middenpaneel van de Tuin? Het antwoord is: weinig, maar misschien toch één ding.  Op het eerste gezicht valt er niet veel te melden. Bij Bilderdijk zijn de Reuzen, die voortkomen uit de seksuele vermenging van Kaïnieten en paradijsgeesten (vergelijk Genesis 6: 2 en ed. 1959: 195, Zang II, verzen 276-279), echte reuzen en baadt de Eerste Wereld vooral in geweld en oorlog terwijl daarnaast ook wellust en losbandigheid vermeld worden [zie bijvoorbeeld ed. 1959: 197, verzen 317-319]. Op Bosch’ middenpaneel komen echter geen reuzen voor en is er geen spoor van geweld, alleen van erotiek. Een mogelijk vruchtbaar spoor vormen echter die ‘paradijsgeesten’…

 

Bovenaan Bosch’ middenpaneel (rechterbovenhoek) bevinden zich een paar gevleugelde figuren. Het zijn gewone, naakte mensen maar mét vleugels. De ene draagt een rode bal in de handen, de andere een vis. Deze figuren werden nog nooit, door niemand op een bevredigende wijze verklaard. Wie zijn nu die fameuze ‘paradijsgeesten’ bij Bilderdijk? Het zijn geen engelen en geen duivels, maar ‘in het paradijs [Eden dus, noot van mij] geboren en niet-gevallen zonen van Adam en Eva (die) met Kaïnietische meisjes gemeenschap zoeken en de vaders der reuzen worden. De paradijskinderen behouden ook na hun verbanning naar de hemellichamen hun aetherisch lichaam, waardoor zij een soort tussenpositie innemen tussen de engelen en de gevallen, verstoffelijkte mensen’ [ed. 1959: 41]. Met de woorden van Bilderdijk zelf [ed. 1959: 188, Zang II, verzen 133-136 / 206-207, Zang II, verzen 507-510]:

Wy mogen, met een lijf, uit fijner stof geweven,

Op d’adem onzer borst door lucht en ruimte zweven,

En zwieren naar ’t ons lust, verheven op den stroom

Des Ethers, heemlen door, tot ’s werelds buitenzoom…

(…)

Want Eden was ook hun door ’s Hoogsten doem ontzegd,

En ’t zwerven door de lucht tot boetstraf opgelegd,

Tot veertig eeuwen, voor één heuchlijk licht verbleekend,

Een tijdstip baarden, ter vergifnis afgeteekend.

Met andere woorden: die paradijsgeesten zijn dus veroordeeld om door de lucht te zweven tot veertig eeuwen later met de Ster van Bethlehem de Verlosser (en hun verlossing) zal aangekondigd worden. Nogmaals, maar nu met de woorden van Knuvelder [III 1973: 251]: ‘de paradijstelgen, de kinderen van Adam en Eva, geboren vóór de zondeval; zij zwieren als geesten door het luchtruim en moeten dit, tot straf voor hun overtredingen, veertig eeuwen blijven doen’. Welke die overtredingen dan precies waren, wordt bij Bilderdijk nooit duidelijk: het is één van de vele losse draden die zijn heldendicht ontsieren. In zijn inleiding uit 1820 lezen we slechts: ‘Ook is by my het Reuzengeslacht niet uit eigenlijke Engelen of ingestelde Wachtgeesten, maar uit menschen, onsterflijke, doch van een verhevener aart, Engelen nabykomende, en der Engelen speelgenooten, met één woord, Paradijsmenschen, gesproten, wier betrekking tot het vervallen nageslacht van den gemeenen Vader ongelijkbaar nader is, en aan de Verbeelding (dus koomt het my voor) minder tegen kan staan’ [ed. 1959: 145].

 

Een belangrijker kwestie is echter: waar haalde Bilderdijk zijn mosterd met die paradijsgeesten? In zijn inleiding uit 1820 geeft Bilderdijk zelf het antwoord, als hij het heeft over Genesis 6: 2, het bijbelvers over het ontstaan van de Reuzen: ‘Al dra vond ik deze plaats ’t zij by sommige Kerkvaderen ’t zij Rabbijnen verstaan van onsterflijk kroost van onzen eersten Vader, door hem, vóór zijn jammerlijken afval, in Eden geteeld’ [ed. 1959: 134]. Helaas geeft Bilderdijk geen exacte bronnen aan, dus dat wordt zelf op zoek gaan. De tekstbezorger suggereert alleen een Joodse bron, de Commentaar van Rasji (11de eeuw), waarin zou bevestigd worden dat Adam en Eva in het Aards Paradijs al kinderen hadden [ed. 1959: 134 (noot 2)]. Voorlopig resulteert het bovenstaande in twee boeiende vragen…

Zijn de gevleugelde figuren bovenaan het middenpaneel van de Tuin ook ‘paradijsgeesten’, kinderen van Adam en Eva van vóór de Zondeval?

Uit welke bron kan Jheronimus Bosch dit Eerste Wereld-motief gekend hebben?

 

Om af te ronden nog drie dingen op een rijtje. Bij Bilderdijk vermengen de nakomelingen van Seth zich met de nakomelingen van Kaïn [ed. 1959: 165, Zang I, verzen 207-214]. Als we op Bosch’ middenpaneel de negers en negerinnen interpreteren als nakomelingen van Kaïn, dan gebeurt daar hetzelfde, maar dat vergt verder onderzoek naar de vraag: werden in de Middeleeuwen de Kaïnieten in sommige bronnen als negers gezien? Minder belangrijk en louter toevallig is dat bij Bilderdijk in Zang IV, verzen 429-430, ook het op de buitenluiken van de Tuin geciteerde psalmvers voorkomt: ‘Gy, Almacht, Gy gebiedt / En ’t is er; roept, en ’t wierd, ontsprongen uit het niet’. Nog toevalliger is natuurlijk dat de tekstbezorger van Bilderdijks heldendicht J. Bosch heet. Waar de J voor staat, heb ik nog niet kunnen uitvissen, maar als het Jeroen zou blijken te zijn, dan zijn dat van die dingen, die verzin je niet!

 

P.S.: toch even gauw gecheckt op Internet. Helaas (nou ja), het is Jan Bosch, niet Jeroen.

 

Geraadpleegde lectuur

 

Knuvelder III 1973: G.P.M. Knuvelder, Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde, Deel III, Malmberg, Den Bosch, 1973 (vijfde, geheel herziene druk), pp. 208-217 / 246-264.

Meijer 1978: Reinder P. Meijer, Literature of the Low Countries. A short history of Dutch literature in the Netherlands and Belgium. Stanley Thornes Publishers, Cheltenham, 1978, pp. 184-192.

 

[explicit 16 april 2014]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram