Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
Circa 1230 / circa 1270
Moderne editie
Daniel Poirion (ed.), "Guillaume de Lorris et Jean de Meun: Le Roman de la Rose", Garnier-Flammarion, Parijs, 1974
Taal
Oudfrans

Li Romans de la Rose

(Guillaume de Lorris & Jean de Meun) ca. 1230 / ca. 1270

[Teksteditie: Daniel Poirion (ed.), Guillaume de Lorris et Jean de Meun: Le Roman de la Rose. Garnier-Flammarion, Parijs, 1974 = Roman de la Rose ed. 1974]

[Modern-Nederlandse vertaling: Ernst van Altena (vert.), Guillaume de Lorris / Jean de Meung: De roman van de roos. Ambo-klassiek, Ambo, Baarn, 1991 = Roman van de roos ed. 1991]

 

Auteur

 

Rond 1230 schreef Guillaume de Lorris het eerste deel van deze tekst (ruim 4.000 verzen). Over deze persoon is verder niets met zekerheid bekend. Lorris is een Frans stadje zo’n 50 kilometer ten oosten van Orléans. Guillaume stierf vóór hij zijn werk kon voltooien.

Rond 1270 voltooide Jean de Meun de tekst door er nog een kleine 18.000 verzen aan toe te voegen (het aantal verzen is niet in alle handschriften hetzelfde). Jean werd geboren in Meun-sur-Loire, zo’n 30 kilometer ten westen van Orléans (wanneer weten we niet precies). Hij moet ongetwijfeld een belezen clericus en poeta doctus geweest zijn die in Parijs gestudeerd had en de graad van magister had. Verder staat enkel vast dat hij in 1305 overleed en dat zijn bijnaam Jean Clopinel (Mankpoot) was. [Ott 1980: 15/16/78/93/97/161] Waarschijnlijk was hij doctor in de theologie [Louis 1974: 85].

 

Onzeker maar boeiend is de identificatie van de auteur van het tweede deel van de Roman met een in Meun-sur-Loire geboren Jean de Meun die tussen 1265 en 1269 aan de universiteit van Bologna studeerde en van 1270 tot 1303 archidiaken van Beauce was [Louis 1974: 88].

 

Genre

 

Talloze malen werd in het verleden reeds gewezen op het verschillende karakter van de twee gedeelten van de Roman de la Rose. Het gedeelte dat Guillaume schreef, behoort tot de hoofs-allegorische epiek en sluit met zijn verfijnde, doorzichtige allegoriek nog nauw aan bij de adellijke wereld van de fin’amors. Het gedeelte van Jean is eerder een berijmde satirische encyclopedie die met zijn lange uitweidingen en zijn directe erotische symboliek duidelijk de burgerlijk-didactische geest van de laatmiddeleeuwse stadscultuur aankondigt. De roman, die door Huizinga het bijbelboek der erotische cultuur werd genoemd, is gegoten in de vorm van een droomallegorie en bevat volgens de inleiding ‘alle liefdeskunst’.

 

Situering / datering

 

Het gedeelte van Guillaume werd geschreven rond 1230, het gedeelte van Jean rond 1270: na 1268 en vóór 1285 [Ott 1980: 14-15]. Meer dan 300 handschriften bleven van de Franse tekst bewaard, enkele dateren van rond 1500. Tussen 1481 en 1538 verschenen van het werk meerdere drukken, meer bepaald drie verschillende versies in 21 edities. De eerste versie werd voor het eerst gedrukt in Lyon in 1481. Van deze versie verschenen tot 1528 14 edities. Een tweede versie (in proza) werd bezorgd door Jean Molinet en door hem voorzien van moraliserende toevoegingen. Deze versie werd gedrukt in 1500, 1503 en 1521. Een derde versie werd bezorgd door Clément Marot in 1526 en werd vier maal gedrukt. Rekenen we de nadrukken erbij, dan bereiken we een getal van 38 edities tussen 1481 en 1538. In het laatmiddeleeuwse Frankrijk was de Roman dus bepaald populair. [Ott 1980: 18-19]

Al snel werd het werk in verschillende talen vertaald, onder meer in het Engels (door Chaucer) en in het Middelnederlands (zelfs twee keer, vergelijk Die Rose ed. 1976 en De Tweede Rose ed. 1958).

 

 

 

Inhoud

 

Als hij twintig jaar oud is, droomt de ik-verteller dat hij in de maand mei ontwaakt en gaat wandelen. Hij komt aan een ommuurde tuin en op de muur zijn portretten afgebeeld van de (allegorisch voorgestelde) zaken die uit de tuin geweerd worden: Haat, Trouwbreuk, Onbehoorlijkheid, Inhaligheid, Gierigheid, Afgunst, Droefenis, Ouderdom, Schijnheiligheid en Armoede. De ik loopt verder rond de muur en vindt een klein poortje waar hij aanklopt. Hij wordt in de tuin binnengelaten door Vrouw Ledigheid [Dame Oiseuse] en verneemt van haar dat de tuin toebehoort aan Heer Vermaak. In een wei is deze met zijn gezellen aan het feesten en dansen, terwijl Vrouw Jubel een lied zingt. Vrouw Hoffelijkheid nodigt de ik uit om mee te feesten. Verder zijn aanwezig de liefdegod Amor, diens vriend Zachte Blik en vlak bij hen Vrouw Schoonheid, Vrouw Rijkdom en haar vriend, Vrouw Gulheid en haar vriend (een Ronde Tafel-ridder), Vrouw Rondborstigheid en haar vriend, Vrouw Hoffelijkheid en haar ridder, Vrouw Ledigheid, en de twaalfjarige Jeugd en haar vriendje.

 

De ik bezoekt de tuin en ontdekt de Bron van Narcissus, een liefdesbron waarin de hele tuin weerspiegeld wordt. De ik ziet onder meer een rozenstruik en wordt meteen verliefd op één van de rozenknopjes, mede door toedoen van de pijlen die Amor op de ik afschiet. De pijlen heten Schoonheid, Eenvoud, Hoffelijkheid, Gezel en Goed Onthaal. De ik wordt nu de vazal van Amor en deze laatste geeft de ik een snelcursus in de leer van de hoofse liefde. Goed Onthaal (een personage, niet één van de pijlen) nodigt de ik uit om door de haag te dringen die de rozenstruik omgeeft, maar deze haag wordt bewaakt door Gevaar, Kwadetong, Schaamte en Vrees. Gevaar jaagt de ik weg van de rozenstruik en Goed Onthaal verdwijnt.

 

Vrouw Rede komt vervolgens praten met de ik en houdt een betoog dat tégen de dwaze, lichtzinnige liefde is gericht. Daarna krijgt de ik goede raad van Vriend, die hem aanraadt met Gevaar te gaan praten om deze milder te stemmen. Dat lukt, maar Gevaar blijft de ik verbieden in de buurt van de rozenknop te komen. Vrouw Rondborstigheid en Vrouw Medelijden komen op hun beurt Gevaar bepraten en brengen Goed Onthaal terug naar de ik. Uit schrik voor Kuisheid weigert Goed Onthaal de ik de rozenknop te laten zoenen, maar nadat Vrouw Venus Goed Onthaal is komen bepraten, mag dat wel. De ik ontsteelt de rozenknop een kus. Door toedoen van Kwadetong, Schaamte, Afgunst en Vrees wordt echter rond de rozenstruik een sterke burcht gebouwd met in het midden een toren, waarin Goed Onthaal opgesloten wordt. De ik blijft troosteloos achter.

 

Hier eindigt het gedeelte van Guillaume de Lorris en begint het gedeelte van Jean de Meun. Dit eerste gedeelte van ongeveer 4.000 verzen is een allegorische hoofse roman die redelijk vlot leest, zonder een al te grote indruk na te laten.

 

VROUW REDE komt de bedroefde ik toespreken en houdt opnieuw een pleidooi tégen de dwaze, aardse liefde. Dit pleidooi is zo’n 3.000 verzen lang en komt door zijn slordige structuur en talloze uitweidingen bijzonder langdradig over. Een groot deel van het pleidooi wordt in beslag genomen door een beschrijving van en waarschuwing tegen de wisselvalligheden van Fortuna. Uiteindelijk vraagt Vrouw Rede aan de ik om Amor en Fortuna te vergeten, en om hààr in de plaats te beminnen. De ik weigert echter, omdat hij de vazal is van Amor en ook omdat Vrouw Rede het woord ‘kloten’ gebruikt heeft in haar betoog. Nadat Rede het gebruik van deze term verdedigd heeft, verdwijnt zij.

 

Dan daagt plots VRIEND op. Ook deze houdt weer een lange (en niet altijd even boeiende) monoloog (bijna 3.000 verzen weer), waarin hij de ik allerlei adviezen geeft omtrent het winnen van de geliefde (de rozenknop). Het komt erop neer dat men de vrouwen moet paaien met geschenkjes, maar geen te dure want dat leidt tot armoede en minachting. In de Gouden Eeuw leefde iedereen harmonieus en vreedzaam met elkaar, maar liefde en dwingelandij gaan niet samen, zoals blijkt uit huwelijken waarin de man zijn vrouw voortdurend bestraft en aan banden legt. Vriend laat ‘de’ bazige echtgenoot beweren dat vrouwen van eer tegenwoordig zeldzaam zijn en dat ze veel te gemakkelijk toegeven aan hebzucht en geilheid. Vrouwen gedragen zich volgens Vriend anders vóór het huwelijk dan erna, maar ook mannen bezondigen zich hieraan. Vroeger in de oertijd leefde iedereen vreedzaam en gelukkig, maar toen deden mét het ontstaan van vorstendom en privébezit alle zonden en ondeugden hun intrede in de wereld. Wie zijn geliefde op ontrouw betrapt, moet ze niet bestraffen, maar doen alsof er niets aan de hand is, want een vrouw wil haar vrijheid hebben, net als een kat. Als je zelf ontrouw bent, geef dat dan nooit toe aan je geliefde, dan voorkom je veel ellende. Kortom: vrouwen moet men in de liefde naar de mond praten, men moet steeds hun schoonheid prijzen zelfs al zijn ze lelijk, en je moet hen altijd hun wil laten doen, dan worden ze nooit kwaad.

 

De ik wandelt verder door de tuin en ontmoet VROUW RIJKDOM, die een weggetje bewaakt. De ik vraagt de weg naar Teveel Schenken en Rijkdom zegt dat dat het weggetje is dat zij bewaakt. Langs daar raken jonge mannen en vrouwen aan het feesten en genieten tot zij vervallen in armoede. De ik wordt echter de toegang tot het pad geweigerd, omdat hij Rijkdom nooit gediend heeft.

 

De ik ontmoet dan AMOR die vaststelt dat, ondanks enkele twijfelmomenten, de ik nog steeds zijn trouwe dienaar is. Nadat de ik de tien geboden van Amor feiloos heeft opgesomd, roept Amor zijn baronnen samen om uit te zoeken hoe de door Afgunst opgetrokken minneburcht kan veroverd worden. De baronnen beraadslagen, Rijkdom trekt zich terug omdat zij de ik haat (hij heeft haar naar verluidt nooit willen dienen) en er wordt beslist de burcht langs verschillende kanten aan te vallen, op voorwaarde dat Venus, de moeder van Amor, meehelpt. Amor wil echter zijn moeder niet te hulp roepen en houdt aansluitend een pleidooi tégen gearrangeerde huwelijken (de zogenaamde Venushandel). Bovendien zal hij zich wreken op Rijkdom door rijken zoveel mogelijk verliefd te laten worden op sletjes die hen hun geld doen verliezen.

 

Amors baronnen dringen aan dat hij VALSE SCHIJN, de vriend van Gedwongen Celibaat, in zijn gevolg zou opnemen. Eerst onwillig, stemt Amor vervolgens toe en Valse Schijn moet zich aan de anderen voorstellen. Hij vertelt dat hij een ploert en een bedrieger is en dat hij overal voorkomt, maar vooral onder de slechte kloosterlingen. Gaandeweg blijkt dat Valse Schijn allegorisch verwijst naar de bedelmonniken en dat De Meun via deze figuur genadeloze kritiek geeft op de hebzucht, het bedrog en de kuiperijen van de dertiende-eeuwse dominicanen en franciscanen.

 

Na de rede van Valse Schijn vallen Amors baronnen de door Afgunst opgetrokken minneburcht aan. Valse Schijn en Gedwongen Celibaat gaan naar de poort waar Kwadetong zit en bepraten deze zo lang tot hij wil biechten. In plaats daarvan wordt zijn tong echter afgesneden en hijzelf wordt in de slotgracht verdronken. Kwadetongs soldaten, die binnen de muren dronken liggen te slapen, worden door Valse Schijn en Gedwongen Celibaat ook gedood. Verder loopt daar nog een oude vrouw rond die Goed Onthaal moet bewaken. Zij kan door Valse Schijn en Gedwongen Celibaat overhaald worden om een bloemenkrans naar Goed Onthaal te brengen in naam van de ik. Als een rasechte koppelaarster weet de OUDE VROUW Goed Onthaal (weliswaar een man, maar allegorisch verwijzend naar de beschikbaarheid van de vrouw) ervan te overtuigen om de ik te ontvangen. Maar eerst houdt zij nog een lange rede.

 

Zij was in vroeger tijden heel mooi en succesvol in de liefde, maar is in de liefde nooit geschoold geweest, zij heeft alles geleerd uit de praktijk. Zij zal alles wat ze weet nu aan Goed Onthaal leren, want zelf is ze oud en lelijk geworden en de mannen zien haar niet meer staan. Op de tien geboden van Amor gaat ze niet meer dieper in, behalve op de laatste twee: vrijgevig zijn en maar één partner hebben in de liefde. Die zijn ten zeerste af te raden. De vrouw moet verscheidene (rijke) mannen beminnen en hen daarbij zoveel mogelijk pluimen en van hen profiteren. De vrouw mag gerust meerdere minnaars hebben, want alle mannen zijn zelf toch ook bedriegers. Vrouwen moeten zichzelf mooi maken, door middel van make-up, kleding en allerhande trucjes (zoals bijvoorbeeld een sjerp onder hangborsten dragen om hen omhoog te duwen), en zij moeten goede manieren hebben. De jonge vrouwen moeten zoveel mogelijk de liefde bedrijven en jagen op alle mannen om er zeker één te kunnen vangen. Natura heeft ervoor gezorgd dat vrouwen van hun vrijheid houden en daarom is het huwelijk, wat neerkomt op een band met één partner, onnatuurlijk. Bij elke vrouw is de natuur krachtiger dan de opvoeding. Zoals een vogel in een kooi naar het bos verlangt, zoals een monnik in zijn klooster zich gevangen voelt als een vis in een fuik, zoals een kat muizen wil vangen en zoals alle mannelijke paarden en dieren een vrouwtje willen en omgekeerd, zo wil ook elke vrouw genieten van seks. Een vrouw mag ten slotte niet mild zijn en alles geven aan één man die zij liefheeft, want dat leidt tot armoede, zoals bij de Oude Vrouw zelf is gebeurd.

 

Na de monoloog van de Oude Vrouw wordt de ik-verteller door Zachte Blik naar Goed Onthaal geleid. Goed Onthaal bedankt de ik voor de bloemenkrans, maar Afgunst, Schaamte en Vrees jagen de ik weer weg. Waarna een gevecht ontstaat tussen Afgunst, Schaamte en Vrees en de baronnen van Amor. De auteur (Jean de Meun) onderbreekt zijn verhaal om zich te excuseren bij wie hij met zijn tekst zou geïrriteerd hebben, maar hij beweert recht in zijn schoenen te staan. Het gevecht tussen de aanhangers en de tegenstanders van Amor wordt dan verder uitvoerig beschreven. Omdat de aanhangers van Amor het pleit niet kunnen winnen, wordt de hulp van Venus, Amors moeder, ingeroepen. Venus en Amor zweren een eed dat zij altijd zullen strijden tegen Kuisheid.

 

Dan volgt een uitweiding over NATUUR. Zij zorgt ervoor dat alle levende soorten blijven bestaan zodat de Dood ze niet uit kan roeien. De Kunst probeert Natuur te imiteren, maar kan daar nooit volledig in slagen. De Kunst maakt soms gebruik van alchemie, maar onder haar beoefenaars bevinden zich zowel meesters als kwakzalvers. De Natuur is het mooiste wat God maakte en haar portret is niet te schetsen.

 

Natuur is blij met de eed van Venus en Amor, maar zij heeft spijt van een fout die zij ooit begaan heeft (welke fout wordt – nog – niet meegedeeld). Verdrietig gaat zij naar haar biechtvader, Genius. Die troost haar door – uitgebreid – te stellen dat geen enkele vrouw betrouwbaar is, zij kunnen geen geheimen bewaren, maar Natuur vormt hierop de uitzondering die de regel bevestigt. Daarop begint Natuur haar biecht te spreken.

 

God benoemde Natuur tot zijn kamenier, rentmeester en kapelaan. Haar taak is ervoor te zorgen dat Gods schepping blijft voortbestaan. Alles en iedereen volgt haar bevelen, behalve één schepsel. Volgt dan een astronomische uitweiding over de hemellichamen. Vervolgens krijgen we een omvangrijke uitweiding over de predestinatie en de vrije wil: het komt erop neer dat God alles weet, maar dat de mens toch een vrije wil heeft. Zij heeft niet willen zwijgen over de vrije wil, omdat dat de mens (haar vijand) te goed van pas zou zijn gekomen. Vervolgens praat Natura over de invloed van de planeten op het weer, over de leer van de optiek en spiegels, over waanvoorstellingen, visioenen en dromen, over kometen, over het feit dat geestesadel belangrijker is dan erfelijke adel en over sterren. Natuur klaagt niet over de elementen, de planten en de dieren: alleen de mens gehoorzaamt niet aan haar bevelen. De mens is schuldig aan allerlei zonden en ondeugden waarvoor hij in de hel gestraft wordt. Zij dicteert ten slotte aan Genius haar klacht en vraagt hem die aan Amor over te brengen. Na haar biecht krijgt zij van Genius als penitentie dat zij verder moet werken in haar smidse zoals ze altijd al deed.

 

GENIUS bereikt al snel de legertros van Amor en begint aan een lang betoog. In naam van Natura veroordeelt Genius al degenen die niet genoeg met seks bezig zijn. Via seks plant de mens zich immers voort en kan hij – via zijn nageslacht – de dood overwinnen. Clotho en Lachesis ondersteunen het leven, maar hun zuster Atropos probeert alles te doen sterven en de doden voedert zij aan Cerberus, de hellehond. Mannen en vrouwen moeten elkaar daarom beminnen en God (Natura’s baas) vereren. Als men zo handelt, dan zal men zonder twijfel de hemelse weide mogen betreden. Hoewel Jupiter ooit zijn vader castreerde (en een man castreren is een doodzonde), worden toch de regels die Jupiter ooit opstelde, gegeven. Deze komen erop neer dat iedereen recht heeft op plezier en wellust, maar tegelijk deden arbeid en hebzucht hun intrede in de wereld. De mens werd steeds slechter en na het gouden tijdperk volgden het zilveren, het bronzen en het ijzeren tijdperk. Wie toch goed is, komt echter terecht in de Weide van de Herder en het Lam. Vervolgens verklaart Genius de figuren op de buitenmuur van de tuin: zij stellen de duivels, de zonden en de wereld voor. Wat zich binnen in de tuin bevindt, zijn vergankelijke, weinig waardevolle spelletjes. Genius vergelijkt de bron van Narcissus met de hemelse bron: de eerste doet levenden sterven, de tweede brengt de doden tot leven.

 

Amor, Venus en hun baronnen zijn heel verheugd met deze preek van Genius en ze besluiten de burcht van Afgunst opnieuw aan te vallen. Venus richt haar pijlen op een klein schietgat (met een relikwie erin) dat tussen twee zuiltjes staat met daarbovenop een beeld dat een tors voorstelt (waarmee metaforisch het vrouwenlichaam en de vagina bedoeld worden, vergelijk Louis 1974: 129-130). We krijgen dan een uitweiding over Pygmalion die verliefd werd op een beeld en over diens kleinzoon Cinyras die zonder het te beseffen zijn dochter Myrrha ontmaagde (waaruit Adonis geboren werd). Vervolgens wordt de burcht veroverd, dankzij een vuurpijl van Venus. Vrouw Hoffelijkheid bevrijdt haar zoon Goed Onthaal en deze geeft de ik de toestemming om de roos te plukken. De ik uit eerst nog zijn tevredenheid over de ‘wapens’ waarmee Natura hem bedeeld heeft en verklaart dat oude vrouwen liefhebben tot rijkdom kan leiden. De meesten kiezen echter voor jonge vrouwen, maar zij krijgen de raad om er meer dan één uit te proberen, alvorens definitief te kiezen. De ik gaat dan uiteindelijk over tot het plukken van de roos, een passage die overladen is met erotische metaforen. Ten slotte dankt hij Venus en Amor, maar Rede, Rijkdom en Afgunst vervloekt hij. Dan wordt het dag en ontwaakt hij.

 

Een kortere samenvatting zou als volgt kunnen luiden:

 

In het gedeelte dat Guillaume de Lorris schreef, droomt de ik-verteller dat hij op een meimorgen gaat wandelen en terechtkomt in een liefdesprieel waar hij allerlei allegorische personages ontmoet, zoals Ledigheid, Blijheid, Vermaak, enzovoort. In het prieel merkt hij een rozenknop op, waarop hij meteen verliefd wordt en die hij dolgraag wil plukken. Bel-Accueil (Goed Onthaal, een jongeman!) wil hem daarbij helpen, maar Danger (Gevaar), Male-Bouche (Vuilbek of in de vertaling van Van Altena: Kwadetong), Peur (Angst) en Honte (Schaamte), dienaars van Vrouw Jalousie (Afgunst), zitten hem dwars: omheen de rozenstruik wordt een sterke burcht gebouwd en Bel-Accueil wordt opgesloten in een toren.

 

Daarmee eindigt het werk van De Lorris. Meermaals onderbroken door vaak zeer lange parentheses (waarvan echter recent is gebleken dat ze toch functioneel zijn), verhaalt Jean de Meun dan hoe de ik-verteller met de hulp van Venus en Amor de Minneburcht bestormt en verovert, zodat uiteindelijk de roos kan geplukt worden. Wat niet meer of niet minder betekent dan dat de minnaar vleselijke gemeenschap kan hebben met zijn geliefde.

 

Ondertussen heeft de lezer kennis gemaakt met enkele uitgebreide monologen (van onder meer Rede, Amor, Vriend, de Oude Vrouw en Natuur), waarbij een als het ware encyclopedisch overzicht gegeven wordt, niet alleen van de verschillende middeleeuwse standpunten aangaande liefde en seksualiteit, maar ook van allerlei zaken die voor de middeleeuwse lezer interessant waren, zoals de Gouden Eeuw, astronomie, alchemie, de vermeende verdorvenheid van de vrouw, enzovoort.

 

Een nog kortere samenvatting zou kunnen luiden:

 

Een jongeling wenst een roos te plukken. Een aantal krachten willen hem hierbij helpen. Een aantal krachten werken hem tegen. Het geheel wordt gesitueerd in de fictie van een droom. [Verhuyck 1988: 145]

 

Thematiek

 

Het gedeelte van Guillaume de Lorris schildert een hoofse wereld die uiteindelijk beheerst wordt door geld en rijkdom, wat wijst op toenemende invloed van de burgerij in de dertiende eeuw. Het deel van Guillaume is daarom een werk das die höfische Welt in bürgerlicher Idealisierung schildert [Ott 1980: 160]. We mogen aannemen dat De Meun vaak opvattingen weergeeft die in het dertiende-eeuwse stadsmilieu leefden. Die stonden wel erg ver af van de ideeën over ‘hoofse liefde’ die Guillaume de Lorris onder woorden had gebracht [Roman van de Roos ed. 1991: 12].

Het onderwerp bij Guillaume draait rond een geletterde jongeman van ongeveer 20 jaar die een mooi, rijk meisje van ongeveer 15 voor zich probeert te winnen. Door middel van allegorieën worden de fysieke schoonheid, de charme, de zielstoestanden en de levenswijze van het jonge meisje beschreven. Haar innerlijke wereld wordt gsymboliseerd door de tuin van Déduit (Vermaak). De andere rozenknoppen symboliseren niet andere vrouwen, maar wel andere charmes van hetzelfde meisje. Dé rozenknop is haar plus intime attrait (vagina). Het gaat duidelijk om een jong meisje en niet om een gehuwde vrouw. [Louis 1974: 11-12 / 33-34]

 

De allegorische personages behandelen voor een deel dezelfde thema’s, bevestigen elkaar, maar spreken elkaar ook dikwijls tegen. Daardoor is het bijzonder moeilijk te bepalen, wat nu eigenlijk de les is van het geheel. (…) Vooral voor het gedeelte van Jean de Meun is het bijzonder moeilijk uit te maken welk personage als de spreekbuis van de auteur beschouwd moet worden, en juist die keuze is cruciaal voor de interpretatie van de tekst. (…) De interpretatie wordt nog bemoeilijkt doordat de tekst een flinke dosis ironie bevat, waarbij echter moeilijk uit te maken is wat wel en wat niet ironisch bedoeld is. [Van der Poel 1994: 101-102]

 

Die wahre Ueberzeugung des Autors und den wesentlichen lehrhaften Gehalt des Romans hat man nun, wie wir sahen, in der Geschichte der Rosenromankritik seit ihrem Anfang bis zum heutigen Tag stets den Reden von NATURE und GENIUS entnehmen wollen. [Ott 1980: 129]

De beschrijving van Natuur als de “stadhoudster van God”, haar biecht aan Genius, haar klacht over de mens den sie am meisten gesegnet hat und der sich doch als einziges Geschöpf der von Gott geschaffenen kosmischen Ordnung widersetzt, das alles kan gewiss als der Höhepunkt des Romans angesehen werden und beeindruckt, nach der Reaktion der Kritik zu schliessen, den modernen Leser offenbar nicht weniger als den mittelalterlichen. [Ott 1980: 132]

 

Zeer opvallend is de scherpe uithaal van Jean de Meun naar de bedelorden [Ott 1980: 76-77]. Nochtans legeerde hij na zijn dood een huis in Parijs aan de jacobijnen aldaar. Wellicht wordt dit verklaard doordat De Meun op het einde van zijn leven spijt had van zijn vroegere uithaal naar de bedelorden, wat bevestigd wordt door Jean Gerson. [Louis 1974: 86]

 

Uiteindelijk lijkt Jean de Meun zich aan te sluiten bij de filosofie van Natuur die inhoudt dat seksualiteit heilig is omdat zij in dienst staat van de voortplanting en de continuïteit van het ras. De lange redevoering van Natuur bevindt zich op het einde van de roman, vlak vóór het moment waarop na vele tegenslagen en tegenwerking Goed Onthaal bevrijd wordt en de minnaar de roos kan plukken. [Ott 1980: 112-113] De Liefdesgod treedt terug ten behoeve van Venus die op haar beurt Natuur prijst en bezingt. Genius ten slotte brengt de ‘definitieve uitspraak’: de zin van de liefde is de voortplanting, die God zelf gewild heeft [Verhuyck 1988: 149]. Jean de Meun sluit hier nauw aan bij Alanus ab Insulis’ De planctu naturae, een werk dat hij nergens bij name noemt maar waardoor hij wel het sterkst beïnvloed werd [Louis 1974: 120, Ott 1980: 120/122]. In dit verband is het overigens nauwelijks te begrijpen dat in de Middelnederlandse Die Rose de hele passage met Natuur en Genius simpelweg is weggelaten [Van der Poel 1994: 106].

 

Ott signaleert dat in de recente studies de vraag naar de samenhang van beide delen opnieuw opgeworpen wordt [Ott 1980: 163]. Jean de Meung levert in het tweede deel kritiek op Guillaumes idealisering van de hoofse liefde: Natuur is in liefdeszaken de beste leermeesteres, de liefde en seksualiteit staan in dienst van het goddelijke scheppingsplan en alle “liefdeskunst” is in feite een vorm van ongehoorzaamheid tegen het goddelijke gebod tot voortplanting. Het einde van het verhaal houdt de overwinning van Natuur over Rede in. Tegenover de hortus deliciarum van Guillaume, waarin ijdele vreugde heerst (maar alleen voor de jongen en rijken), plaatst Jean een hemels paradijs waarin de bron van Gods genade eeuwig stroomt. [Louis 1974: 128, Ott 1980: 134 / 167-168 / 170]

 

In het eerste deel is de ik-verteller een naïeve, dwaze en verliefde jongeman, in het tweede deel is hij een geblaseerde man van ervaring. Opvallend is ook dat in het tweede deel Dame Oiseuse, die in het eerste deel de sleutels van de tuin bezat, compleet naar de achtergrond is verdwenen. [Louis 1974: 95]

 

De roos is zowel voor Guillaume als voor Jean het te veroveren meisje. Maar voor Guillaume symboliseert de roos een geïdealiseerde, verfijnde en aristocratische liefde, bron van een humanistische levenswijze en van alle hoofse deugden, terwijl zij voor Jean het seksuele instinct vertegenwoordigt dat als doel de voortplanting heeft, en dat alles binnen één groot kosmisch plan. [Louis 1974: 18]

 

Receptie

 

De Roman de la Rose is één van de belangrijkste en invloedrijkste teksten uit de West-Europese literatuur van de Middeleeuwen. Hij heeft invloed uitgeoefend op de Franse, Engelse, Nederlandse, Italiaanse en zelfs de laatmiddeleeuwse Latijnse  literatuur [Ott 1980: 23-25].

Het geïntendeerde publiek en de opdrachtgevers van Jean de Meun waren waarschijnlijk vorstelijke persoonlijkheden [Ott 1980: 17]. De eerste handschriftbezitters behoorden tot de hoge adel en clerus. Hoe jonger de handschriften, hoe kostbaarder en mooier ze werden, waaruit blijkt dat ook de laatmiddeleeuwse handschriften niet voor gewone mensen bestemd waren. [Ott 1980: 22]

 

In Frankrijk was er tussen 1401 en 1404 de querelle du Roman de la Rose waaraan Pierre Col (domheer van Parijs en Doornik), Christine de Pisan en Jean Gerson deelnamen (de eerste als voorstander, de laatste twee als tegenstanders). Alle deelnemers behoorden tot de adel of de hoge clerus. Wat Pierre Col schreef, is te beschouwen als de eerste analyse van de Roman, en bovendien een zeer scherpzinnige. Hij wijst er bijvoorbeeld op dat wanneer de jaloerse echtgenoot alle vrouwen hoeren noemt, dit moet beschouwd worden als een uitdrukking van zijn jaloezie, en niét als de mening van de auteur (Jean de Meun) zelf. [Ott 1980: 34-38]

In de eerste helft van de zestiende eeuw stond de Roman nog volop in de belangstelling, zoals onder meer blijkt uit de prozaversie die Jean Molinet circa 1500 voor Philips van Kleef vervaardigde [Ott 1980: 40].

 

Verdere lectuur:

 

Louis 1974: René Louis, Le Roman de la Rose. Essai d’interprétation de l’allégorisme érotique. Nouvelle Bibliothèque du Moyen Age – n° 1, Editions Honoré Champion, Parijs, 1974.

Ott 1980: Karl August Ott, Der Rosenroman. Erträge der Forschung – Band 145, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 1980.

Verhuyck 1988: P.E.R. Verhuyck, “Rondom de Roos. De allegorische en didactische traditie”, in: R.E.V. Stuip (red.), Franse literatuur van de middeleeuwen. Dick Coutinho, Muiderberg, 1988, pp. 140-154.

Stuip 1992: R.E.V. Stuip, “De tuinen in de Roman de la Rose. Paradijs of tuin der lusten?”, in: R.E.V. Stuip en C. Vellekoop (red.), Tuinen in de middeleeuwen. Utrechtse Bijdragen tot de Mediëvistiek – deel 11, Verloren, Hilversum, 1992, pp. 143-153.

Van der Poel 1994: Dieuwke E. Van der Poel, “Moderne en middeleeuwse lezers van de ‘Roman van de Roos’”, in: J. Reynaert e.a., Wat is wijsheid? Lekenethiek in de Middelnederlandse letterkunde. Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen – deel IX, Prometheus, Amsterdam, 1994, pp. 101-115.

 

Persoonlijke aantekeningen: de Roman de la Rose en Bosch

 

Ofschoon de Roman de la Rose een dertiende-eeuwse tekst is en het oeuvre van Bosch dateert van rond 1500, is er wel degelijk een link tussen beide. Omstreeks 1490-1500 liet graaf Engelbrecht II van Nassau, die in de Bosch-literatuur bekend staat als mogelijke opdrachtgever van de Tuin der Lusten, door het Brugse atelier van de Gebedenboekmeester een met prachtige miniaturen verlucht handschrift van de Roman de la Rose vervaardigen. Het handschrift bevindt zich tegenwoordig in de British Library te Londen (Harley Ms. 4425) [vergelijk Cat. Antwerpen 1997: 34 en Smeyers 1998b: 447 en afbeelding 37 op p. 445 = overigens twee maal dezelfde tekst]. Bovendien bevat dit handschrift minstens één miniatuur waarvan Bosch hoogstwaarschijnlijk invloed heeft ondergaan: de musicerende groep bovenop de hooiwagen in de Hooiwagen-triptiek vertoont namelijk een opvallende gelijkenis met een musicerend groepje in de miniatuur op folio 12v van het handschrift [vergelijk De Bruyn 2001a: 76, met kleurenafbeelding]. Na het overlijden van Engelbrecht werd het handschrift geërfd door diens neef Hendrik III van Nassau, die in 1517 in het bezit was van de Tuin der Lusten. Dringend zouden de miniaturen in dit handschrift verder moeten onderzocht worden op verwantschappen met Bosch. Men notere overigens dat het hier gaat om een Franstalig manuscript. De vraag die we hier echter willen stellen is: zijn er in de tekst van de Roman de la Rose (en in de Middelnederlandse vertalingen ervan) parallellen met of invloeden op Bosch te ontdekken?

 

Vandenbroeck 1990a: 118-120, wijst op de tegenstelling tussen de vergankelijke tuin van Déduit en het eeuwige parc van de Goede Herder in de Roman en formuleert de thematiek van de tekst als volgt: de voortplanting bezit een goddelijk aspect, continuer les espieces betekent zoveel als continuer l’estre divin, daarom is de lust, de geslachtsdrift, het hoogste goed. Tegen deze wonderlijke versmelting van orthodoxe en obscene elementen hadden moralisten en theologen zoals Jean Gerson bezwaar.

Vandenbroeck stelt vervolgens dat we bij Bosch in de Tuin het tegendeel aantreffen van dit pantheïserend vitalisme: bij Bosch is de versmelting van seksueel geladen en religieuze elementen niet positief, maar negatief bedoeld, hij neemt afstand van het uitgebeelde. In miniaturen uit handschriften van de Roman is de positieve vermenging van religieuze en profane elementen echter wel terug te vinden.

Op pagina 125 noteert hij nog: Toch is de natuur in haar verschijning als natuurwet niet geassocieerd met blinde drift doch met “Ratio”, zowel bij Alanus de Insulis, Chaucer als Langland. Laatstgenoemde wijst er evenwel op dat slechts de mens (na de zondeval) blind is voor de wet van Natuur en Rede. [Vandenbroeck vergeet hier te vermelden dat Natuur in de Roman daar óók op wijst.] (…) Bosch evenwel schijnt het tegendeel aan te nemen: Natuur als blinde geslachtelijkheid en negatie van de distantiërende rede.

 

[explicit zomer 2008 / zomer 2009 / verder aanvullen]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram