Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
circa 1320
Moderne editie
Herman Brinkman en Janny Schenkel (eds.), "Het Comburgse handschrift - Hs. Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. poet. et phil. 2°22", Band 1, Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden - IV.1, Verloren, Hilversum, 1997, pp. 621-78
Taal
Middelnederlands

Het Boek van Sidrac (anoniem) circa 1320

[Teksteditie: Johannes F.J. van Tol (ed.), Het Boek van Sidrac in de Nederlanden. Met tekstuitgave naar Ms. Marshall 28 der Bodleyan Library te Oxford. H.J. Paris, Amsterdam, 1936 = Sidrac ed. 1936]

[Diplomatische teksteditie in: Herman Brinkman en Janny Schenkel (eds.), Het Comburgse handschrift. Hs. Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. poet. et phil. 2°22. Band 1, Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden – IV,1, Verloren, Hilversum, 1997, pp. 621-783 = Sidrac ed. 1997]

 

Genre

 

Het grotendeels in Middelnederlands proza geschreven Boek van Sidrac (de proloog en epiloog zijn berijmd) verenigt verschillende genres in zich: het is tegelijk een encyclopedie, een dialoogverhaal, een profetenboek en een avonturenrelaas. Het wordt gerekend tot de artesliteratuur.

 

Auteur

 

Een anoniem gebleven, veertiende-eeuwse Antwerpenaar. Vers 46 van de proloog luidt: Te Antwerpen daer ic wone [ed. 1936: 2]. In de verzen 120-121 van de proloog deelt de auteur bovendien mee: Want ic oud was vichtich [= 50] iaer / doen ic dit werc ierst began [ed. 1936: 4]. In het verleden hebben sommige auteurs de Sidrac op naam willen zetten van de Antwerpse stadssecretaris Jan van Boendale, maar overtuigende argumenten zijn in dit verband tot nu toe niet aangebracht. In 2002 noteerde Joris Reynaert nog ‘dat de Sidrac-vertaling niet zonder meer aan Boendale kan worden ontzegd’ [Reynaert 2002: 128-129], maar de huidige stand van het onderzoek laat niet toe verder te gaan dan deze voorzichtige uitspraak. Een argument tégen het auteurschap van Boendale is dat de Antwerpse vertaler in zijn (weliswaar berijmde) proloog wijst op de onbetrouwbaarheid van berijmde vertalingen: Want rime, alsoe wijt vinden, / doet dicke die materie winden / anders danse die makere seide / ende ierstwerven int scrift leide [ed. 1936: 2 (vs. 63-66)]. Vermeldenswaard in dit verband is ook wat Herman Brinkman signaleert [in M.A. Schenkeveld-van der Dussen e.a., Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, Groningen, 1993, pp. 55-56]: Boendale gebruikte in zijn Der leken spieghel de Sidrac als één van zijn bronnen, maar terwijl de auteur van de Sidrac graag stilstaat bij het seksuele, gaat Boendale er veel vlugger overheen.

 

Situering / datering

 

Omstreeks 1320 vertaalde een Antwerpenaar het Boek van Sidrac uit het Frans in het Middelnederlands. Het Franse voorbeeld (waarvan de auteur overigens ook anoniem bleef) heette Le Livre de Sydrac (met als ondertitel in een aantal handschriften: La fontaine de toutes sciences) en was een prozawerk uit de tweede helft van de dertiende eeuw [ed. 1936: XXVIII]. De Franse Sydrac bleef bewaard in verschillende versies (een lange versie met meer dan 1200 vragen en een korte versie met ongeveer 600 vragen: zie ed. 1936: XL) en is waarschijnlijk een origineel, want er werd geen Grieks, Latijns of Arabisch prototype van gevonden. Le Livre de Sydrac bleef bewaard in talrijke handschriften (volgens Lie e.a. 2006: 15, minstens 63 handschriften met de volledige tekst, ongeveer 20 fragmentarische overleveringen en 11 drukken) en werd gedurende de middeleeuwen in verscheidene talen (Provençaals, Italiaans, twee Duitse dialecten, Deens, Catalaans, twee keer in het Engels) vertaald, onder meer dus ook in het Middelnederlands. De Franse Sydrac is sinds kort bereikbaar in een moderne editie: E. Ruhe (ed.), Sydrac le philosophe. Le livre de la fontaine de toutes sciences, Wissensliteratur im Mittelalter – 34, Wiesbaden, 2000 (met 1227 door Sydrac behandelde vragen).

 

De Middelnederlandse vertaling bleef eveneens bewaard in verschillende versies. De meest uitgebreide versie, die het dichtst aansluit bij het Franse origineel, omvat een rijmproloog, het kaderverhaal en 421 vragen. Deze versie bleef bewaard in drie handschriften: hs. Oxford, Bodleian Library, Marshall 28 (= het vijftiende-eeuwse O, dat in 1936 – met de varianten uit twee fragmentarische handschriften – kritisch werd uitgegeven door Van Tol en nu ook digitaal bereikbaar is via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.nl) / hs. Londen, British Library, Add. 10.286 / hs. Hamburg, Staats- und Universitätsbibliothek, Cod. Germ. 24 fol. In een andere versie, die op talrijke plaatsen aanmerkelijk afwijkt van de Franse teksten, ontbreken het kaderverhaal en de rijmproloog en worden er slechts 221 vragen behandeld. Deze versie bleef bewaard in het zogenaamde Comburgse handschrift (hs. Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. poet. et phil. 2°22), dat sinds 1997 bereikbaar is in een diplomatische editie. Er zijn ook nog een achttal handschriften waarin de tekst fragmentarisch is overgeleverd en een tiental drukken die tussen 1495 en 1564 verschenen [zie Jansen-Sieben 1989: 186-187 en ed. 1936: LXV-LXVII]. De rijmepiloog bleef overigens (met varianten) alleen in deze drukken bewaard.

 

Wanneer de Middelnederlandse vertaling precies ontstond, is een problematische kwestie. Van Tol [ed. 1936: XLIII] concludeert op niet helemaal overtuigende gronden dat de vertaler zijn werk voltooide in 1318. In handschrift O heeft de Antwerpse bibliofiel Peeter Oris (die in het begin van de zeventiende eeuw het handschrift in eigendom had) echter achter de inhoudstafel een stuk tekst bijgeschreven dat hij naar eigen zeggen aantrof in de incunabel die in 1496 te Leiden gedrukt werd door Huijghen Janssoon. In deze toegevoegde verzen, blijkbaar de rijmepiloog van de bewuste druk, deelt de vertaler onder meer mee dat hij de tekst vertaalde alsmen dertien hondert sessentwintich schreeff [ed. 1936: 22]. Volgens Van Tol [ed. 1936: XLVII (noot 1)] betreft het hier echter niet de rijmepiloog uit de Leidse druk van 1496 en hij vraagt zich dan ook af waar Oris de tekst vandaan had. Tot nader order lijkt ons de tekst die Oris citeert, toch betrouwbaarder dan de bevindingen van Van Tol, maar het veiligste is wellicht de Middelnederlandse vertaling van de Sidrac ‘voorlopig rond 1320’ te dateren. Debaene 1951: 270, geeft overigens 1323 als ontstaansdatum.

 

Inhoud

 

De tekst kan verdeeld worden in vier delen:

I Inleiding (ontstaan en lotgevallen van het boek)

II De geschiedenis van Boctus en Sidrac

III Dialoog (Boctus stelt vragen die Sidrac beantwoordt)

IV Vervolg en slot van deel II.

De Middelnederlandse vertaler voegde hier nog een rijmproloog en –epiloog van eigen hand aan toe.

 

De geschiedenis van Boctus en Sidrac ziet er – kort samengevat – als volgt uit. Sidrac was een afstammeling van Japhet (een zoon van Noach) en had van Godswege inzicht verkregen in het verleden en de toekomst. 847 jaar na de dood van Noach wordt zijn hulp ingeroepen door de heidense koning Boctus van Bactorië (een land tussen India en Perzië), die het land van de Indische vorst Garaab wilde veroveren. Boctus liet aan de grens met India een vestingtoren bouwen, maar door middel van tovenarij liet Garaab deze toren telkens weer vernietigen. Via een mirakel slaagt Sidrac er nu in koning Boctus te bekeren (Sidrac drinkt namelijk zonder kwalijke gevolgen een gifbeker leeg), waarna Boctus aan Sidrac talrijke vragen stelt omtrent godsdienst en wetenschap. Sidrac beantwoordt al deze vragen, waarna koning Boctus er een boek van laat maken: Het Boek van Sidrac over alle wetenschappen. Dit boek vormt deel III (het grootste deel overigens) van het middeleeuwse Boek van Sidrac. Daarna helpt Sidrac mee aan de bouw van de toren, die ditmaal afraakt in 25 dagen. De Indiër Garaab ziet in dat tovenarij niet opgewassen is tegen Sidrac en bekeert zich eveneens. Na de dood van Boctus en Sidrac vervielen de volkeren van Boctus en Garaab echter weer tot afgoderij.

 

Dit alles wordt verhaald in de delen II en IV van de middeleeuwse tekst. In de merkwaardige inleiding (deel I) wordt een pedigree gegeven van het boek: een verrassend staaltje van middeleeuws-romantiserende fictie, dat we hieronder samenvatten: 847 jaar na Noach laat koning Boctus het Boek van Sidrac vervaardigen / een aanzienlijke Chaldeeër verwerft het / daarna koning Madian / daarna Naäman, een Syrische ruiterij-aanvoerder / dan een blanco periode / geruime tijd na Christus: het boek komt in het bezit van Ayos Vasileo, aartsbisschop van Sebaste (of Samaria) / diens klerk Demetre gaat in Spanje het christendom prediken en neemt het boek mee, Demetre wordt in Toledo doodgemarteld / later vertaalt de ‘clergie’ van Toledo het boek uit het Grieks in het Latijn, de koning van Spanje bewondert het zeer / deze koning laat het boek in het Saraceens vertalen voor de emir van Tunis / jaren later zendt Frederik II een minderbroeder naar de emir om het boek vanuit het Saraceens weer in het Latijn te laten vertalen / Todre, een filosoof uit Antiochië die aan het hof van Frederik II verbleef, stuurde het boek in het geheim naar de patriarch Aubert van Antiochiê / een klerk van deze patriarch nam een kopie mee naar de school van Toledo, waar verscheidene delen vertaald werden onder een andere naam / de inleiding werd in 1243 te Toledo opgesteld door verscheidene ‘meester-klerken’.

 

Zie voor een andere samenvatting van de inhoud ed. 1936: XVI-XIX.

 

Thematiek

 

In het dialooggedeelte van de Sidrac worden honderden kwesties aangesneden die te maken hebben met God en het geloof, het menselijk lichaam, de kosmos, de aarde, sociale omgangsvormen, gezondheid, de verhouding tussen man en vrouw en seksualiteit. In Lie e.a. 2006 worden de vragen verdeeld in vier thematische groepen: het heelal, geografie/meteorologie/het dierenrijk, het menselijk lichaam en omgangsvormen/christelijke moraal.

 

Receptie

 

Het aantal bewaarde handschriften en drukken bewijst dat de Franse Sydrac van de dertiende tot de zestiende eeuw erg populair was, onder meer bij een adellijk publiek [ed. 1936: XXXVIII, Lie e.a. 2006: 15]. Gezien het aantal bewaarde Middelnederlandse handschriften en drukken was de tekst in de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw ook in de Nederlanden bekend en populair. Handschrift O, het werk van een Brabantse kopiist, dateert overigens waarschijnlijk van 1460-80 [ed. 1936: XLVI]. Het Comburgse handschrift is waarschijnlijk ontstaan te Gent rond 1400.

 

Omdat we zeker weten dat de Middelnederlandse Sidrac vertaald werd te Antwerpen, kan de tekst beschouwd worden als stadsliteratuur die in de eerste plaats geschikt was voor een lekenpubliek uit een stedelijk milieu [Lie e.a. 2006: 119], maar het lezerspubliek bleef waarschijnlijk niet beperkt tot de burgerij. Lie heeft het in dit verband over ‘een gemêleerd wereldlijk lekenmilieu, van hofadel, patriciaat tot rijke koopman’ [Lie 1994: 129]. De Antwerpse vertaler sneed zijn brontekst in elk geval op maat van een breed publiek. Dat blijkt onder meer uit de vragen waarin de astrologie behandeld wordt: van de oorspronkelijk meer dan honderd vragen bleven er nog slechts een zevental over, waarbij de vertaler zelf aangeeft dat hij vele vragen heeft weggelaten omdat hij ze te moeilijk vond voor zijn beoogde lezers [Lie e.a. 2006: 25]. ‘Uit de vertaalde vragen blijkt dat het vooral zijn bedoeling was om kennis op een eenvoudige en simpele manier voor te leggen aan een breed publiek van niet-specialisten’, noteert men in Lie e.a. 2006: 101, dan ook terecht.

 

Profaan / religieus?

 

Een merkwaardige mengeling van profane en religieuze thema’s, waarbij overigens ook als het profane thema’s betreft, de christelijke moraal nooit ver weg is [Lie 1994: 130, Lie e.a. 2006: 119].

 

Persoonlijke aantekeningen

 

‘Merkwaardig’ is een epitheton dat op nog wel meer aspecten van deze Sidrac van toepassing is. Zo is er bijvoorbeeld het (uiteraard vanuit de dertiende-eeuwse zender gefingeerde) prospectieve karakter van talrijke passages: omdat Sidrac met zijn profetische gaven enkele honderden jaren na Noach leefde, wijst hij voortdurend vooruit naar dingen of personen die nog moeten komen (Alexander de Grote bijvoorbeeld, of Jezus Christus, of de uitvinding van het dobbelspel), terwijl deze voor de lezer tot de verleden tijd behoren. Waardoor op geestige wijze het gelijk van Sidrac wordt aangetoond. Merkwaardig is ook dat volgens Sidrac de aarde rond is als een appel [ed. 1936: 97 (vraag 114)]: niet alle middeleeuwers waren dus van mening dat de aarde een platte schijf is! Opvallend is verder dat een aantal vragen en antwoorden betrekking hebben op Noach en dat er melding gemaakt wordt van dboec van astronomien dat Noes was [ed. 1936: 29]. Het doet de vraag stellen of de auteur wellicht gebruik maakte van oude legenden over Noach uit het pseudepigrafische Boek van Noach dat moet bestaan hebben, maar helaas verloren is gegaan [ed. 1936: XXI-XXII].

 

Bijzonder merkwaardig én vermakelijk is ten slotte ook de manier waarop vragen met totaal verschillende registers elkaar blijkbaar totaal willekeurig afwisselen. Het ene moment gaat het over de gedaante van engelen, de wijze waarop de ziel het stervende lichaam verlaat of de structuur van het heelal, dan plots wordt ons geleerd waarom er rode en witte wijn is [ed. 1936: 201-202, het antwoord slaat overigens nergens op: omdat Noach sommige wijnranken overdag en andere ’s nachts plantte: die van overdag leverden rode wijn door de hitte van de zon, die van ’s nachts leverden witte wijn door de kilte van de maan], hoe je moet reageren als je vrouw overspel pleegt [ed. 1936: 193] of dat het gezond is één keer per week seks te hebben [ed. 1997: 694]. Elders wordt dan weer meegedeeld dat mannen met slechts één teelbal ook kinderen kunnen verwekken [ed. 1936: 199] of dat vrouwen óók teelballen hebben maar dan in hun buik [ed. 1936: 148, ed. 1997: 712, bedoeld worden overigens de eiertakken]. En er wordt zelfs een antwoord gegeven op de vraag hoe erecties ontstaan [ed. 1936: 185, ed. 1997: 749].

 

Het Boek van Sidrac (dat rond 1500 in gedrukte vorm dus goed bereikbaar was in de Nederlanden) speelt ook een rol in de Bosch-exegese, meer bepaald in verband met de rechterbenedenhoek van het middenpaneel van de Tuin der Lusten-triptiek, waar we een man en een vrouw zien die over hun hele lichaam beharing vertonen. In zijn monografie over de Tuin uit 1956 interpreteerde Dirk Bax deze man en vrouw als Adam en Eva, maar pas in zijn postuum verschenen boek uit 1983 voerde hij een passage uit de Sidrac aan als één van de argumenten hiervoor: ‘But in Sidrac, p. 168, it is recorded that after the expulsion of Adam and Eve from Paradise al hare lede waren hem gehaert ende dat sloech hem tote haren inkele’ [Bax 1983: 340]. In hertaling betekent het eerste deel van dit citaat ‘al hun ledematen werden behaard’. Het is echter niet helemaal duidelijk of het tweede deel betekent ‘en die haren reikten tot aan hun enkels’, dan wel ‘al hun ledematen werden behaard tot en met hun enkels’. We hebben nu de gelegenheid om deze Sidrac-passage wat nauwkeuriger te onderzoeken (al vereist de wetenschappelijke correctheid dat ook zou moeten gecheckt worden hoe deze passage luidt in de laat-vijftiende-eeuwse en vroeg-zestiende-eeuwse drukken én in de Franse Sydrac).

 

In handschrift O (het Oxfordse) vormt de door Bax geciteerde passage een onderdeel van het antwoord op vraag 273: ‘Waer omme maecte God haer aenden mensche?’ Sidrac zegt dan dat God de mens haar gaf om daarmee zijn schamelheid te bedekken en dat het haar moest dienen als kledij toen de mens uit Gods gratie viel: ‘Want eer Adam at den appel en hadden sy ghene scame harer lede; maer doen sy uten paradise gestoten waren ende ontcleet vanden clederen der gracien doen gevoelden sy hem naect ende decten hem met haren hare. Want al hare lede waren hem gehaert ende sloech hem tote haren inkele’ [ed. 1936: 168 (vraag 273)]. Men notere dat het woordje dat in de door Bax geciteerde zinsnede ende dat sloech hem in de editie-1936 door Van Tol is toegevoegd vanuit een ander (door Van Tol niet nader genoemd) handschrift. Die dat komt dus in O niét voor, zodat het onderwerp van de zin ende sloech hem tote haren inkele ongetwijfeld het haren hare uit de vorige zin is. Het blijft echter ook dan nog onduidelijk of bedoeld wordt dat de haren van Adam en Eva zo lang waren dat ze tot aan hun enkels reikten, of dat alle lichaamsdelen tot en met de enkels behaard werden.

 

Hierboven hebben we er al op gewezen dat van de twee Middelnederlandse versies de versie-O het dichtst bij de Franse tekst staat en dat de versie van het Comburgse handschrift vaak flink van de versie-O afwijkt. Dit is onder meer het geval met het antwoord op de hier behandelde vraag, die in het Comburgse handschrift luidt: ‘twi maecte god haer anden mensche’. Het antwoord luidt hier: ‘God maecte dat haer aenden mensche om zine subtijlhede te toeghene daer in Ende om dat die mensche decken zoude daer mede zine scamelhede als hi bloot ware vander gratien gods Ende weet dat adam onse eerste vader gheen haer en hadde Doe hi was in dat paradijs want also wi verstaen so maecte hine ionc Ende gaf hem die figuere na zine ghelike Ende hi was bloot van alden cleederen der weerelt ende van hare ende van allen menscheliken ghebreke. Want hi was ghecleet metter gracien gods tote dat hi den appel beet Ende als hi den appel ghebeten hadde ende tghebod zijns sceppers te broken hadde Doe wert hem an ghedaen scaemte Ende alle menschelijc ghebrec Ende die cleederen ende dat haer wert hem ghegheuen omme den lichame te deckene mede hute den occusoene van zonden Want als hi [lees: si] tghebod gods te broken hadden so scaemden si hem ende worden gehaert toten voeten daer si te voren waren ionc als kinderen ende onghehaert’ [ed. 1997: 144 (vraag 143)]. Uit deze versie, die in feite duidelijker is dan de versie-O, lijkt met het laatste zinnetje wel degelijk bedoeld te worden dat Adam en Eva over hun hele lichaam behaard werden, en bovendien wordt dit haar manifest op negatieve wijze geassocieerd met de Zondeval en met de menselijke zwakheid en zondigheid (al is het haar in de eerste plaats bedoeld als afweermiddel tegen de zondigheid via het bedekken van de naaktheid).

 

Dit laatste (de associatie haar / zondigheid / Zondeval) komt overigens ook duidelijk aan bod in een andere passage uit handschrift O die ontbreekt in het Comburgse handschrift. Vraag 253 luidt in O: ‘Doen God maecte Adame, van wat ouden maecte hine?’ Het antwoord is: ‘Hy maectene jonc na de wise van enen ingele om dat sijn gheslechte sitten soude ende sitten sal onder die ingele. Maer alsoe saen alsi ghesondicht hadden worden sy geworpen uten paradise ende doen wies hem haer haer ende worden inde ghedane van XXX jaren’ [ed. 1936: 162 (vraag 253)]. De hier besproken Sidrac-passages (twee uit handschrift O en één uit het Comburgse handschrift) vormen zo (samen met andere argumenten, zoals de appel in de hand van de vrouw) een stevig argument voor de stelling dat Bosch met de behaarde man en vrouw onderaan rechts het middenpaneel van de Tuin Adam en Eva bedoelde weer te geven. Het is een argument dat in de Bosch-literatuur te weinig de aandacht heeft getrokken, weggestopt als het tot nu toe was in één van de aanvullende hoofdstukjes uit Bax’ monografie van 1983.

 

Geraadpleegde lectuur

 

Debaene 1951: Luc. Debaene, De Nederlandse volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse prozaromans, gedrukt tussen 1475 en 1540. Antiquariaat Merlijn, Hulst, 1977 (onveranderde herdruk van de uitgave Antwerpen, 1951), pp. 269-270.

Jansen-Sieben 1989: R. Jansen-Sieben, Repertorium van de Middelnederlandse artesliteratuur. HES, Utrecht, 1989, pp. 186-187.

Lie 1994: Orlanda S.H. Lie, “Seksualiteit en de middeleeuwse leek. Over de seksuele ethiek in het ‘Boec van Sidrac’ en haar cultuurhistorische context”, in: J. Reynaert e.a., Wat is wijsheid? Lekenethiek in de Middelnederlandse letterkunde. Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen – deel IX, Prometheus, Amsterdam, 1994, pp. 116-131.

Reynaert 2002: J. Reynaert, “Boendale of ‘Antwerpse school’? Over het auteurschap van Melibeus en Dietsche doctrinale”, in: Wim van Anrooij e.a., Al t’Antwerpen in die stad. Jan van Boendale en de literaire cultuur van zijn tijd. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen – deel XXIV, Prometheus, Amsterdam, 2002, pp. 127-157.

Lie e.a. 2006: Orlanda S.H. Lie e.a., Het boek van Sidrac. Een honderdtal vragen uit een middeleeuwse encyclopedie. Vertaald en ingeleid. Artesliteratuur in de Nederlanden – deel 5, Verloren, Hilversum, 2006.

Klunder 2007: Nolanda Klunder, “Alles wat je ooit hebt willen weten maar nooit hebt durven vragen”, in: Queeste, jg. 14 (2007), nr. 1, pp. 95-97 [recensie van Lie e.a. 2006].

De Jongh 2007: Frederiekje de Jongh, “Het boek van Sidrac”, in: Madoc, jg. 21, nr. 2 (zomer 2007), pp. 111-113 [recensie van Lie e.a. 2006].

 

[explicit 19 december 2011]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram