Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
1387
Moderne editie
R. Verdeyen en J. Endepols (eds.), "Tondalus' Visioen en St. Patricius' Vagevuur". Deel II, Gent, 1917
Taal
Middelnederlands

Sint-Patricius’ Vagevuur (Henricus van Saltrey) 1387

[R. Verdeyen en J. Endepols (eds.), Tondalus’ Visioen en St. Patricius’ Vagevuur. Deel I, Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal en Letterkunde, Gent, 1914 = Verdeyen/Endepols 1914]

[Teksteditie: R. Verdeyen en J. Endepols (eds.), Tondalus’ Visioen en St. Patricius’ Vagevuur. Deel II, Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal en Letterkunde, ’s-Gravenhage-Gent, 1917 = Sint-Patricius’ Vagevuur ed. 1917]

[Teksteditie: H.J.E. Endepols (ed.), Die Hijstorie van Sunte Patricius Vegevuer naar een Berlijnsch handschrift uitgegeven. Van Alle Tijden – nr. 8, J.B. Wolters’ U.M., Groningen-Den Haag, 1919 = Sint-Patricius’ Vagevuur ed. 1919]

 

Auteur

 

De auteur van de Latijnse tekst was de 12de-eeuwse cisterciënser monnik Henricus van Saltrey die een tijdlang leefde in het klooster van Saltrey (graafschap Huntington, bisdom Lincoln) [Verdeyen/Endepols 1914: 201, ed. 1919: XXVII]. De Middelnederlandse vertaler/bewerker is anoniem gebleven.

 

Genre

 

Een legende rond de in de Middeleeuwen zeer bekende bedevaartplaats op een eilandje in het meer Lough Derg in het graafschap Donegal (Ierland). De tekst behoort duidelijk tot de stichtelijke visioenenliteratuur. De oorspronkelijke tekst werd geschreven in Latijns proza. De teksten die wij hier bespreken, zijn geschreven in Middelnederlands proza.

 

Situering / datering

 

De Latijnse tekst (De purgatorio Sancti Patricii) ontstond circa 1189 [Verdeyen/Endepols 1914: 198]. Voor een overzicht van de bewaarde Latijnse handschriften en drukken die in 1914 bekend waren, zie Verdeyen/Endepols 1914: 276-284. Verdeyen/Endepols 1914: 285-308, geven een overzicht van de bewaarde handschriften en drukken met vertalingen in het Frans, Bretoens, Spaans, Portugees, Catalaans, Italiaans, Engels, Duits, Zweeds, Pools, Tsjechisch en Hongaars.

 

Van de Middelnederlandse (bekorte) vertaling zijn zeven prozaversies en één fragmentarische berijming bewaard gebleven.

  • Hs. Den Haag 75 E 62 (Den Haag, Koninklijke Bibliotheek). Tweede helft veertiende eeuw. Berijming (in een handschrift dat ook Der leken spieghel bevat).
  • H2 : Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 70 H 48. Afkomstig uit het Sint-Ursulaklooster te Enkhuizen (tertiarissen). Vermoedelijk veertiende of begin vijftiende eeuw. Proza (Noord-Hollands).
  • H1 : Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 73 H 14. Afkomstig uit het Sint-Agnesklooster te Maaseik (auguystinessen). Tweede kwart vijftiende eeuw. Proza (Vlaams/Brabants).
  • W : eertijds Warmond, Bibliotheek van het R.K. Seminarie; thans Utrecht, Catharijneconvent, collectie Warmond 92 F 26). Afkomstig uit het Haarlemse begijnhof. Vermoedelijk eerste helft vijftiende eeuw. Proza (oostelijke Middelnederlands).
  • Br : Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 21940. Afkomstig uit het bezit van Tonisken Brouwers, 16de eeuw. Proza (oostelijk Middelnederlands).
  • Bl : Berlijn, SSPK, Ms. germ. 4° 1087. Afkomstig uit het klooster Nazareth bij Geldern (augustinessen). Circa 1450. Proza (oostelijk Middelnederlands).
  • N : Nijmegen, Gemeente-Archief, 386. Afkomstig uit het klooster der Zusters van Bethelehem te Nijmegen (tertiarissen). Tweede helft vijftiende eeuw (circa 1470). Proza (oostelijk Middelnederlands).
  • A : Den Haag, Koninklijke Bibliotheek (bruikleen Amsterdam, Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, XXXV. Afgeschreven in 1461 en tot 1567 in het bezit van de familie Van den Riele in Den Haag. Proza (Vlaams-Brabants).

Verder is er ook nog:

  • K : Hs. Keulen (Keulen, Archivalia, W. 12° 56). Vijftiende eeuw. Middelnederduits (Keuls dialect), nauw bij het Middelnederlands aanleunend proza.

In 1917 verdeelde Endepols de Middelnederlandse handschriften in twee groepen:

  • A (handschriften die de Latijnse voorrede niet hebben) : W, Br, H2, N en Bl.
  • B (handschriften die de Latijnse voorrede wel hebben): H2 en A.

In de handschriften W, Br, N en Bl wordt als jaar der vertaling/bewerking 1387 vermeld [ed. 1917: XLVIII-IL]. Verdeyen en Endepols bezorgden in 1917 volledige edities van K, W, N, H1 en H2 met daarbij de varianten uit Br, Bl en A. In 1919 bezorgde Endepols bovendien een aparte editie van Bl.

 

Inhoud

 

Voor een samenvatting van de inhoud van de Latijnse tekst, zie Verdeyen/Endepols 1914: 188-194.

 

  • [Voorrede, alleen in H1 en A] De tekst is naar verluidt uit het Latijn vertaald. De ‘ik’, brueder heynrijc (= Hendrik van Saltrey), draagt zijn werk op aan heynrijc den abt van sarten. Hij verwijst naar Gregorius en Augustinus en signaleert dat er zielen waren die na hun dood terugkwamen om te vertellen wat hen overkomen was. De goeden komen in de hemel terecht, de slechten in de hel maar in het vagevuur moeten de niet helemaal slechten hun zonden uitboeten tot ze gezuiverd zijn. In het aards paradijs moeten de uit het vagevuur verloste zielen wachten op het Laatste Oordeel. Deze Middelnederlandse voorrede bevat heel wat onduidelijke (corrupte?) passages.
  • [I] De ‘ik’ vertelt dat Sint-Patricius veel moeite had om de ‘beestachtige’ Ieren te bekeren met schrikwekkende verhalen over de hel en beloftevolle verhalen over de hemel. De ‘ik’ kan die beestachtigheid van de Ieren bevestigen en geeft daar een voorbeeld van (een oude Ier die kwam biechten maar niet precies wist hoeveel moorden hij gepleegd had).
  • [II] De koppige Ieren wilden de preken van Sint-Patricius niet geloven en daarom gaf Christus hem een evangelieboek en een staf (die nog steeds bewaard en doorgegeven worden door de aartsbisschoppen van Ierland als tekens van hun waardigheid). Christus toonde Patricius ook een hol ergens in de wildernis: al wie daarin een etmaal lang vertoefde met berouw en een vast geloof, zou gereinigd worden van zijn zonden en zou de pijnen van de kwaden en de vreugden van de goeden zien. Patricius bouwde een kerk en een klooster rond het hol en stelde er augustijner kanunniken aan. Rond het hol bouwde hij een muur met daarin een deur en een slot: de prior van de kerk kreeg de sleutel. Verscheidene personen gingen het hol in en toen zij terugkwamen, zegden zij dat zij grote pijnen hadden ondergaan en grote vreugde hadden gekend. Hun verhalen werden opgeschreven en door deze getuigenissen begonnen de Ieren Patricius’ prediking te aanvaarden en het hol werd Sint-Patricius’ Vagevuur genoemd.
  • [III] Na Patricius’ dood leefde in het klooster een oude prior met nog maar één tand. De kanunniken hoorden in zijn cel vaak engelen met hem praten en zingen.
  • [IV] Patricius heeft bepaald dat niemand in het hol mag gaan zonder toestemming van de plaatselijke bisschop en van de prior, die de kandidaat overigens afraden het hol binnen te gaan, want velen keerden nooit weer. Wil de kandidaat toch doorzetten, dan moet hij twee weken vasten en bidden, begeleid door een ritueel van de kanunniken wordt hij vervolgens het hol binnengelaten en de volgende dag doen de kanunniken het hol weer open. Keert de kandidaat weer, dan moet hij opnieuw twee weken vasten en bidden. Daagt hij niet op, dan beschouwt men hem als verloren.
  • [V] In de tijd van koning Steven [circa 1150] ging een zekere Owein, een ridder, te biechten bij de bisschop van het bisdom waarin Sint-Patricius’ vagevuur zich bevond. Hij werd zwaar terechtgewezen omwille van zijn vele zonden en wilde deze uitboeten in Sint-Patricius’ vagevuur, ondanks het feit dat de bisschop en de prior van het klooster hem dit sterk afraadden. Als hij in het hol is achtergelaten, gaat hij door een gang en bereikt een donkere maar wonderlijke zaal, waar – zoals hem door de prior was voorspeld – vijftien ‘geestelijke mannen’ in witte habijten (engelen) tegemoetkomen wier leider hem goede raad geeft en waarschuwt voor de listen van de duivel. De vijftien figuren laten dan Owein alleen achter, maar hij voelt zich sterk, want hij is gewapend met de ‘wapens van Christus’: het pantser der rechtvaardigheid, de helm van de hoop, het schild van het geloof en het zwaard van het woord Gods.
  • [VI : die ierste pijn] Owein hoort plots een afgrijselijk geraas en daarna verschijnen een groot aantal afschrikwekkende duivels, die hem proberen te vleien: omdat hij hen de eer bewijst hen te bezoeken vóór zijn dood en hen op aarde zo goed gediend heeft, zullen zij hem weliswaar droefheid en verdriet bezorgen maar toch ongedeerd weer naar de uitgang leiden. Owein negeert echter hun bedrieglijk gevlei.
  • [VII : die ander pijn] De duivels binden Owein aan handen en voeten vast en werpen hem in een vuur, terwijl zij hem met haken over en weer trekken. Als Owein echter de naam van Jezus uitspreekt, wordt hij verlost van de pijn.
  • [VIII : die derde pine] De duivels brengen Owein na wat (onduidelijk) heen en weer geloop (naar ‘de plaatsen waar de midzomerzon en de midwinterzon opgaat) naar een veld waar talrijke jonge en oude, naakte mannen en vrouwen voorover op de grond liggen: hun handen en voeten zijn met gloeiende nagels doorboord en de duivels slaan hen met vlegels. De duivels willen Owein deze straf ook doen ondergaan, maar de naam Jezus redt hem.
  • [IX : die vierde pine] De duivels brengen Owein naar een ander veld, waar ook talrijke jonge en oude mannen en vrouwen liggen, naakt en doorboord met gloeiende nagels. Maar deze keer liggen ze op hun rug, draken verscheuren hen, slangen en grote padden vreten aan hun hart en de duivels slaan hen met vlegels. De duivels willen Owein deze straf ook doen ondergaan, maar de naam Jezus redt hem.
  • [X : die vijfde pine] Op een derde veld liggen weer naakte, jonge en oude mannen en vrouwen, maar bij dezen is het hele lichaam van hoofd tot voeten doorboord met gloeiende nagels. Een koude brandende wind kwelt hen en de duivels slaan met vlegels. Dankzij de naam Jezus weet Owein weer te ontsnappen.
  • [XI : die seste pine] Op een brandend veld (het vierde) hangen sommige zielen met allerlei lichaamsdelen vast aan gloeiende kettingen terwijl ze ondersteboven in het vuur hangen. Anderen worden met haken in ogen, oren, neus, keel, borst of schaamte geslagen. Nog anderen worden gebraden in een oven of gebraden in een pan of op een rooster of aan een spit gestoken, terwijl duivels hen rondkeren en begieten met gesmolten metaal. Ondertussen worden al deze zielen geslagen met vlegels. Opnieuw ontsnapt Owein dankzij de naam Jezus.
  • [XII : die sevende pine] Verder trekkend ziet Owein een groot vurig rad: in de spaken en velgen zitten haken waaraan zielen hangen die verbrand worden door een vuur dat van beneden komt. De duivels draaien het rad rond zodat het één grote ronddraaiende vlammenzee wordt. Dankzij Jezus’ naam ontsnapt Owein.
  • [XIII : die achte pine] Dan komt Owein aan een immens groot huis waar rook uitkomt en een geweldige hitte van afstraalt. De duivels zeggen dat dit een badstoof is [het Latijn heeft ‘balnearium’]. Binnen is de vloer bedekt met ronde putten, waarin mannen en vrouwen, oud en jong, branden in zwavel en gesmolten metaal. Sommigen zitten er in tot aan hun wenkbrauwen, sommigen slechts met een voet, met alle gradaties daartussen. Dankzij de naam Jezus wordt Owein gered.
  • [XIV : die negende pine] Owein komt dan aan een berg waar naakte mannen en vrouwen in elkaar gedoken zitten te wachten op iets. Een stormwind werpt hen dan in een ijskoude stinkende rivier aan de andere kant van de berg. Jezus’ naam redt Owein.
  • [XV : die tiende pine] Owein komt dan aan een put die brandt en stinkt als zwavel en waaruit mannen en vrouwen omhoog geworpen worden als vonken om dan weer neer te vallen. De duivels zeggen dat dit de ingang van de hel is en dat wie daarin valt, er nooit meer uitkomt. Zij werpen Owein in de put en hij valt zo diep dat hij bijna de naam Jezus vergeet maar als God hem de naam in herinnering brengt, wordt hij uit de put gered. Nu komen er andere duivels uit de put die zeggen dat de eerste duivels gelogen hebben: dit is niet de ingang van de hel maar zij zullen Owein ernaartoe brengen.
  • [XVI : die elfde pijne] De duivels brengen Owein naar een brandende, stinkende, met duivels gevulde rivier waarover een zeer gladde, smalle en steile brug ligt. Volgens de duivels ligt onder deze rivier de hel. De duivels trekken Owein mee op de brug, maar dankzij de naam Jezus ondervindt Owein geen hinder en de brug wordt breder en breder, terwijl de duivels huilend en krijsend moeten achterblijven.
  • [XVII] Volgt een sermoen van de ‘ik’ tot zijn ‘lieve broeders’, waarin hij aanmaant om niet te zondigen, vleselijke begeerte af te weren en de strenge kloosterdiscipline te verdragen want anders leidt dit in het hiernamaals tot verschrikkelijke straffen.
  • [XVIII: het aards paradijs] Owein komt nu aan een hoge muur met daarin een prachtige poort, versierd met edelstenen. De poort gaat open en een heerlijke geur verspreidt zich. Uit de poort komt een processie van mensen met kruisen, vanen, toortsen en gouden palmen. Het zijn bisschoppen, abten, kanunniken, monniken, priesters, mannelijke en vrouwelijke geestelijken van alle orden, klerken en leken gekleed in de mooie kleren waarin zij God op aarde dienden. Zij heten Owein welkom en begeleiden hem met zang door de poort. Twee aardse bisschoppen nemen Owein mee en wijzen hem op het prachtige landschap: groene beemden beschenen door zonlicht, met allerhande bloemen en bomen en kruiden. Het landschap wordt bevolkt door een grote menigte mensen, gekleed in velerlei kleuren, die zingen en zich vriendelijk met elkaar onderhouden. De bisschoppen leggen aan Owein uit dat dit het aards paradijs is waaruit Adam en Eva wegens ongehoorzaamheid verdreven werden. Door de komst van Christus en door het doopsel is de mens niet meer belast met de erfzonde maar omdat men na het doopsel nog vaak zondigt, heeft iedereen die hier (in het aards paradijs) terechtkomt, eerst in het vagevuur moeten verblijven, lang of kort al naargelang de hoeveelheid begane zonden (de pijnen kunnen wel verminderd worden door missen, gebeden en aalmoezen van de nabestaanden). Daarna komt men in dit aards paradijs terecht waar men moet wachten tot men in de hemel wordt opgenomen. Dat duurt soms lang, soms kort, afhankelijk van de hoeveelheid goede werken die men gedaan heeft. Maar al is men nog niet waardig in de hemel opgenomen te worden en al weet men niet wanneer dat wel zal gebeuren, pijn lijdt men hier niet meer.
  • [XIX : de hemel] De twee bisschoppen nemen Owein mee op een berg, doen hem naar boven kijken en vragen hoe volgens hem de hemel eruit ziet. ‘Als goud dat in de oven gloeit,’ zegt Owein. Men vertelt hem dat dit de poort van de hemel is en van daaruit wordt iedereen in het aards paradijs elke dag gevoed. Meteen komt er een vuurgloed uit de hemel die Owein een zalig gevoel bezorgt. De bisschoppen raden hem dan aan om terug te keren naar de ingang van de spelonk en om niet meer te zondigen op aarde, dan zalook hij hier ooit terechtkomen.
  • [XX : slot] Owein keert terug naar de ingang, waar de prior en een processie hem opwachten. Owein vast en bidt twee weken lang en vertelt dan zijn verhaal. [Het Latijn voegt hier nog aan toe dat Owein een pelgrimstocht maakt naar het Heilig Land en daarna in een klooster intreedt.]

 

Thematiek

 

Na een biecht laat de Ierse ridder Owein zich opsluiten in Sint-Patricius’ vagevuur om zijn zware zonden uit te boeten. Dit ‘vagevuur’ is een spelonkopening die toegang geeft tot het hiernamaals en ooit een gift was van God aan Sint-Patricius, die veel moeite had met het kerstenen van de Ieren. Berouwvolle zondaars konden het hol binnengaan, er de straffen van de zondaars en de zaligheden van de gelovigen aanschouwen waarna zij gelouterd weer buitenkwamen. Na de dood van de heilige bleef dit hol deze mystieke eigenschap behouden. Eeuwen later slaagt ook ridder Owein erin deze pelgrimstocht te volbrengen: hij bezoekt het vagevuur, ziet de ingang van de hel, komt in het aards paradijs en aanschouwt de poort van de hemel. Ten slotte komt hij via de spelonk terug op de plaats waar hij vertrokken was.

 

Sint-Patricius’ Vagevuur kan beschouwd worden als een stichtelijk exempel ten behoeve van het vagevuurdogma [Verdeyen/Endepols 1914: 210]: het diende de middeleeuwse mens (en vooral de monniken) ervan te doordringen dat de zondigheid van de wereld in het hiernamaals bestraft wordt met verschrikkelijke pijnen. Wie echter op tijd berouw toont, zal de vreugden van het hemelrijk mogen smaken, eventueel na een tijdelijke boetedoening in het vagevuur.

 

Receptie

 

De verhaalstof rond ridder Owein en het vagevuur van Sint-Patricius kende in de late Middeleeuwen een internationale verspreiding, waarvan overigens ook de contemporaine bekendheid van Lough Derg als bedevaartsoord getuigenis aflegt (een traditie die overigens tot vandaag voortduurt, men raadplege Wikipedia). In 1919 noteerde Endepols: ‘Merkwaardig is het lot dezer Iersch-Christelijke legende geweest. Een zeldzaam lang leven werd haar beschoren. Lag het aan den beroemden heiligen Patricius, aan de bedevaartplaats? Geen geslacht heeft haar ooit vergeten. In allerlei talen vertaald, blijft zij eeuw in, eeuw uit de belangstelling wekken’ [ed. 1919: XXXVIII]. Net als Tondalus’ Visioen kende Sint-Patricius’ Vagevuur in de Middeleeuwen een schitterend literair parcours, maar na de Middeleeuwen stelde de tweede tekst de eerste volledig in de schaduw [Verdeyen/Endepols 1914: 248].

 

Verdeyen/Endepols 1914: 211-257, geeft een overzicht van de (vrij indrukwekkende) literaire geschiedenis van de legende, en ibidem: 257-275, geeft een overzicht van de pelgrimsverhalen. Ik signaleer slechts enkele opvallende zaken. In de jaren 1180-85 schreef Jocelinus, een monnik uit het Engelse Furness, een vita van Sint-Patricius [Verdeyen/Endepols 1914: 203]. In zijn Dialogus miraculorum (1219-23) besteedde Caesarius van Heisterbach een hoofdstukje aan het vagevuur van Sint-Patricius [Dialogus miraculorum II ed. 2004: 394 (afdeling 12, hoofdstuk 38)]. Sint-Patricius en zijn vagevuur worden circa 1260 ook vermeld in de Legenda aurea (hier is het echter niet ridder Owein maar een man die Nicholas heet die het vagevuur bezoekt) [Legenda aurea I ed. 1993: 193-196 (hoofdstuk 50)]. In Jacob van Maerlants Spiegel historiael (circa 1285) komt het verhaal eveneens voor [Spiegel Historiael II ed. 1982: 274-275 (III Partie, Boek V, hoofdstuk 4)]. Ook Jan van Boendale besteedt in zijn Der leken spieghel (1325-30) aandacht aan het onderwerp, maar hij meent verkeerdelijk dat de ridder die het vagevuur bezocht Patricius heette [Der leken spieghel I ed. 1844: 46-47 (Boek I, hoofdstuk 12, verzen 67-82)]. Dionysius de Karthuizer schreef grote waarde toe aan het verhaal voor de kennis over het vagevuur [Endepols/Verheyen 1914: 45]. Erasmus echter stak er de draak mee in zijn Adagia en Colloquia [Verdeyen/Endepols 1914: 173-174]. Een zekere Guillemme de Lille (Willem van Rijsel) bracht ook ooit een nacht in het hol door en deelde later zijn ervaringen mee aan Froissard: volgens Guillemme had hij zeer onrustig geslapen en in zijn slaap allerlei droombeelden gezien [Verdeyen/Endepols 1914: 46-47].

 

In verband met de Middelnederlandse handschriften suggereert Endepols [ed. 1919: XXXV] invloed van de Moderne Devotie. De Middelnederlandse prozaredacties waren volgens Lie [1993: 140] waarschijnlijk voornamelijk bestemd voor een publiek van kloosterzusters en semi-religieuze vrouwen en voorbestemd om voorgelezen te worden in de refter, al mag ook het zelf lezen als mogelijke receptiewijze niet uitgesloten worden (zie de herkomst van Br en A).

 

Profaan / religieus?

 

Stichtelijk-religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen: Sint-Patricius’ Vagevuur en Bosch

 

Is Sint-Patricius’ Vagevuur relevant voor de Bosch-studie? ‘Merkwaardig is,’ noteerden Verdeyen en Endepols reeds [1914: 217], ‘dat vroege drukken van de eigenlijke legende van St. Patricius’ vagevuur geheel ontbreken, een groot verschil met het visioen van Tondalus, dat vooral in het Zuid-Oosten van ons land en aan den Neder-Rijn door drukken vertegenwoordigd is. Een gevolgtrekking hieruit te maken, dat het St. Patricius’ vagevuur minder bekend was in deze streken, gaat echter niet op’. De talrijke Latijnse werken waarin de legende was opgenomen en hun vertalingen hebben het verhaal over ridder Owein inderdaad zonder twijfel levendig gehouden (men denke bijvoorbeeld aan de Passionael-drukken) en wellicht bestonden er wel drukken maar zijn die verloren gegaan. Tijdens Bosch’ leefperiode stond de spelonk op het eiland in Lough Derg bovendien opvallend in de actualiteit en nog wel met een link naar de Nederlanden. In 1494 of 1497 bezoekt een anoniem gebleven Hollandse monnik (waarschijnlijk een reguliere kanunnik uit het klooster Eemstein) Lough Derg en laat er zich opsluiten in de spelonk. Hij maakt echter niets bijzonders mee en trekt verontwaardigd naar paus Alexander VI om zijn beklag te doen: de paus beveelt vervolgens de spelonk te sluiten. Rond 1522 slaagt men er echter in de bul van Alexander VI te doen herroepen. In 1632 bevalen de Engelsen de spelonk compleet te vernietigen, wat ook gebeurde, maar de pelgrims bleven komen, tot op de dag van vandaag [zie voor deze gegevens Verdeyen/Endepols 1914: 46 / 172, en ed. 1919: XXV].

 

Dat Bosch op de hoogte was van het bestaan van het ‘Vagevuur van Sint-Patricius’ als pelgrimsoord is zeer waarschijnlijk (vergelijk bij ‘Receptie’), maar dat betekent natuurlijk nog niet dat hij door de tekst Sint-Patricius’ Vagevuur beïnvloed werd. Uiteraard kan moeilijk ontkend worden dat het verhaal van ridder Owein volledig dezelfde stichtelijke geest ademt als een groot deel van het Bosch-oeuvre. Men herleze wat Verdeyen en Endepols in 1914 noteerden: ‘Dat in het St. Patricius’ vagevuur, in tegenstelling tot de straffen, betrekkelijk weinig van de vreugden der zaligen gesproken wordt, althans veel minder dan in het visioen van Tondalus, vindt wel hierin zijn verklaring, dat de legende vooral bedoelde, ook in verband met de bedevaartplaats zelf, van het kwade af te schrikken door het laten zien der straffen. Het is overigens bekend, hoe in eschatologische voorstellingen de voorkeur wordt gegeven aan strafbeschrijvingen boven hemelbeschrijvingen’ [Verdeyen/Endepols 1914: 209, cursivering van mij].

 

Concrete overeenkomsten tussen de tekst van Sint-Patricius’ Vagevuur en de werken van Bosch zijn er bijzonder weinig, maar ze zijn er wel. In de eerste plaats moet dan gewezen worden op enkele details in de linkerbenedenhoek van het middenpaneel van Bosch’ Weense Laatste Oordeel-triptiek. Daar zien we hoe een in het rood geklede duivelin een in stukken gehakte ziel in een braadpan boven een vuurtje houdt. Rechts van haar zit een duivel met een blauw hoofd en een verschrikkelijk opgezwollen buik die een aan een spit geregen ziel aan het braden is en overgiet met een saus, daarbij gebruik makend van een pollepel. Dit laatste detail werd reeds door Bax [1948: 276, 1983: 153] in verband gebracht met de zesde pijniging in Sint-Patricius’ Vagevuur, waar inderdaad eveneens zielen aan een spit geroosterd worden en overgoten worden met gesmolten metaal. Dat het aldaar vermelde bakken in een pan eveneens een parallel heeft in Wenen, werd merkwaardig genoeg door Bax niét opgemerkt. In 1948 vermeldde Bax wel de zevende pijniging met zielen die vastgehaakt zijn aan een ronddraaiend, brandend rad, maar de tredmolen die Bosch uitbeeldde boven de zonet vermelde details, vertoont te weinig overeenkomsten met de tekst om van een parallel te kunnen spreken: alleen de velgen (en niet de spaken) zijn met nagels doorboord en de zielen hangen niet met haken aan de raderen vast. In het geval van de pan en het spit gaat het echter wel om parallellen, maar is dit genoeg om van beïnvloeding te kunnen spreken? Gaat het in deze voorbeelden niet eerder om heltopoi die ook elders in de beelding en literatuur meerdere malen voorkomen? Jammer genoeg wordt er in Sint-Patricius’ Vagevuur nooit uitgelegd om welke reden (zonde) de zielen gepijnigd worden, al lijkt het bij Bosch – gezien de omgeving waarin pan en braadspit voorkomen – toch te gaan om een bestraffing van de vraatzucht (gula).

 

Zijdelings interessant is dat het in de achtste pijniging van Sint-Patricius’ Vagevuur gaat om een badstoof, maar ook in Tondalus’ Visioen wordt een badstoof vermeld en de badstoven die Bosch schilderde op het rechterbinnenluik van het Weense Laatste Oordeel en op het middenpaneel van de Antonius-triptiek in Lissabon zijn totaal anders geconcipieerd dan in de Vagevuur-tekst.

 

De belangrijkste parallel tussen Bosch en Sint-Patricius’ Vagevuur werd ook reeds door Bax [1948: 276] gesignaleerd: ‘In de Nederlandse redacties noteerde ik een passage, die de Aardse Paradijzen van Bouts en Bosch, waaruit gelukzaligen naar de hemel opstijgen, verklaart’. Bax doelt daarmee enerzijds op het hierboven in ons inhoudsoverzicht als XVIII genummerde onderdeeltje, en anderzijds op twee van de vier Visioenen uit het Hiernamaals-panelen (Venetië). Waarbij hij overigens ten onrecht het linkerbinnenluik van de Brugse Laatste Oordeel-triptiek onvermeld laat. Ook andere bronnen bevestigen dat in de Middeleeuwen het aards paradijs (dat na de Zondeval ‘natuurlijk’ was blijven bestaan) werd gezien als het eindstadium van het vagevuur en als een soort wachtkamer vóór de hemel, waar de gelouterde zielen, sommigen langer, anderen korter, moesten ‘antichambreren’ tot ze volledig gezuiverd de hemel konden betreden. Iets gelijkaardigs komt ook voor in het Tondalus’ Visioen (zie aldaar) en in het Visioen van Drithelm zoals dat weergegeven wordt in de Historia Ecclesiastica van Beda Venerabilis. Endepols [ed. 1919: XV] over dit laatste: ‘De uiterlijke vorm van het visioen is dezelfde als bij Gregorius, alléén heeft Beda het noodig geacht aan den eigenlijken hemel eene plaats te laten voorafgaan voor de niet volledig gereinigden, evenals aan de hel het vagevuur voorafgaat voor de niet al te boozen’.

 

Jean Delumeau heeft in zijn boek Une histoire du paradis – Le jardin des délices (Parijs, 1992) een interessant hoofdstuk aan deze materie gewijd (pp. 37-57: Le paradis comme lieu d’attente), waarin onder meer ook verwezen wordt naar Sint-Patricus’ Vagevuur. Daarin vernemen we (pp. 56-57) dat de Universiteit van Parijs in 1240 de idee van het aards paradijs als wachtkamer veroordeelt als ketters. In 1331 nochtans stelt paus Johannes XXII dat de zielen pas nà het Laatste Oordeel God zullen zien (bevestiging dus weer van het aards paradijs als ‘wachtkamer’). Zijn uitspraken verwekken echter schandaal in de hoogste echelons: in 1332 laat koning Filips VI van Frankrijk door een concilie (Vincennes) de opvattingen van Johannes XXII verwerpen. Daarna wordt deze verwerping nog eens bevestigd door paus Benedictus XII in 1336 en door het concilie van Florence in 1439. De laatste zin van Delumeau’s hoofdstuk luidt: ‘La prairie verdoyante en bordure de la Jérusalem céleste avait disparu’. Een bewering die vierkant tegengesproken wordt door de Middelnederlandse handschriften van Sint-Patricius’ Vagevuur van na 1450 én door de schilderijen van Dirk Bouts (Lille) en Bosch. Het verklaart echter wel waarom Paul Vandenbroeck in de catalogus van de El Bosco-tentoonstelling (Prado) noteert dat Bosch zich met de twee panelen in Venetië en met het linkerluik van de Brugse triptiek ‘op de grens van de heterodoxie’ bevindt [Vandenbroeck 2016: 106].

 

Een bijkomend iconografisch probleem dat zich in verband met dit laatste drieluik stelt, is overigens dat de middeleeuwse tekstbronnen het erover eens zijn dat er bij het Laatste Oordeel géén vagevuur meer zal zijn, alleen een hemel en een hel. Waarom gaf Bosch dan op het linkerluik van zijn Brugse Laatste Oordeel-triptiek nog een aards paradijs weer vanwaaruit de goede zielen ten hemel opstijgen?

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Michael Haren en Yolande de Pontfarcy (red.), The Medieval Pelgrimage to St. Patrick’s Purgatory – Lough Derg and the European tradition. Clogher Historical Society, Monaghan (Ierland), 1988 [een recensie van dit boek: J. van Herwaarden, “De echte hel op aarde”, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, jg. 105 (1992), nr. 1, pp. 78-79].
  • Orlanda S.H. Lie, “De Middelnederlandse vertalers van het ‘Purgatorium Sancti Patricii’: hun medium en publiek”, in: Th. Mertens e.a., Boeken voor de eeuwigheid – Middelnederlands geestelijk proza. Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen – VIII, Prometheus, Amsterdam, 1993, pp. 124-140.
  • Frits van Oostrom, Wereld in woorden – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400. Bert Bakker, Amsterdam, 2013, pp. 288-290.

 

[explicit 13 januari 2017]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram