Jheronimus Bosch Art Center
Datering
1481
Moderne editie
Ludo Simons (ed.), "Simon van Venlo - Boexken van der officien ofte dienst der missen", twee delen, Antwerpen, 1982
Taal
Middelnederlands

Van der officien I/II ed. 1982

 

 

Boexken van der officien ofte dienst der missen

(Simon van Venlo) 1481

 

[Facsimile en kritische editie: Ludo Simons (ed.), Simon van Venlo – Boexken van der officien ofte dienst der missen. Twee delen, De Schutter, Antwerpen, 1982]

 

[Ca 1551a]

 

 

Auteur

 

In de Antwerpse druk van 1481 wordt de auteur enen geesteliken ende devoten persoen genoemd [ed. I 1982: 69]. De proloog van een andere, ongedateerde druk (circa 1481) vermeldt in de proloog als auteur die wise ende zere geleerde licenciaat inder godheyt Meester Symon van Venloe [ed. I 1982: 34]. Simon van Venlo dus.

 

Genre

 

Een stichtelijk prozatraktaat waarin de onderdelen van de H. Mis opgesomd, verklaard en becommentarieerd worden.

 

Situering / datering

 

Deze incunabel (enige bekende exemplaar: Darmstadt, Hessische Landes- und Hochschulbibliothek, Inc. II 801) is het oudste te Antwerpen gedrukte boek. Het werd uitgegeven door Mathias van der Goes in 1481. In 1479 bezorgde Geraert Leeu te Gouda al een eerdere uitgave en er is ook nog een niet-gedateerde druk bekend, die verscheen tussen 1480 en 1482. In 1484 bezorgde Mathias van der Goes een herdruk van zijn uitgave [ed. I 1982: 33].

 

Inhoud

 

Na een korte proloog volgen drie inleidende beschouwingen. Eerst komt de geesteshouding waarin men zich naar de kerk moet begeven aan bod, dan volgt een uitweiding over het Onze Vader, het Weesgegroet en het Credo, en ten slotte wordt uitgelegd wanneer en hoe men zich in gebed tot God kan wenden.

 

De eigenlijke tekst verklaart uitgebreid dat de H. Mis uit drie delen bestaat en dat deze delen beantwoorden aan het leven, het lijden en de verrijzenis van Jezus. In het eerste deel van de mis, van het Introïtus tot het canongebed, wordt het leven van Jezus tot aan Zijn lijden uitgebeeld. Het tweede deel, van na het Sanctus tot het Pax Domini (de vredeswens), beantwoordt aan Jezus’ lijden en sterven. Het derde deel ten slotte, van Pax Domini tot het einde van de mis, verwijst naar Jezus’ verrijzenis en hemelvaart. Voor elk deel wordt telkens nauwgezet aangegeven wat de priester doet en zegt, en met diens gebaren en woorden als uitgangspunt wordt telkens vermeld wat de betekenis is van elk onderdeel, waarbij dan meestal een passend gebed aansluit.

 

Thematiek

 

We kennen reeds misverklaringen uit de Karolingische tijd. In de loop der eeuwen gingen deze misverklaringen meer een meer gebruik maken van een methode die in de middeleeuwse leef- en denkwereld een bevoorrechte plaats innam: de allergorische interpretatie, de neiging om achter en in de zichtbare uitwendigheid een teken en beeld van een dieperliggende werkelijkheid te ontdekken. Van daaruit kregen dan alle riten, gebaren en woorden uit de mis een eigen symbolische betekenis en werd de mis in haar geheel als een herdenken en uitbeelden van Jezus’ leven, lijden en verrijzenis gezien [ed. I 1982: 36]. De bedoeling van boekjes als dit was om de gelovigen tijdens de mis nauwer bij de overweging van Jezus’ leven en lijden te betrekken.

 

Receptie

 

Stadsliteratuur. Het geïntendeerde publiek bestond in de eerste plaats, maar zeker niet uitsluitend, uit priesters die via werkjes als dit inzicht in hun taak als bedienaars van de sacramenten konden verkrijgen, om dit inzicht vervolgens in hun pastoraal en catechetisch optreden door te geven aan de gelovigen [ed. I 1982: 36]. De negen bekende drukken van Van der officien tussen 1479 en 1502 vormen een aanduiding voor de belangstelling die het traktaatje in al die jaren te beurt gevallen is [ed. I 1982: 34].

 

Profaan / religieus?

 

Religieus.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Onthoudenswaard is wat Hendrik Vervliet in één van de inleidende essays schrijft over incunabelen (drukken van vóór 1500):

 

‘Internationaal gezien slaan de Nederlanden, qua aantal, geen slecht figuur. Het absolute aantal incunabelen wordt geraamd op een 40.000 eenheden, waarvan er een 30.000 bewaard en bekend bleven. Wat verloren ging zijn grotendeels éénbladdrukken, formulieren en ephemera, nauwelijks werken van enig gewicht. In dit bibliografisch universum neemt in absolute termen Italië met een 11.000 titels of 37 procent de eerste plaats in, het Duitse taalgebied met een 9.000 titels of 33 procent de tweede, Frankrijk met een 5.000 titels of 17 procent de derde; de Nederlanden met een 2.000 titels of 7 procent bekleden de vierde plaats, vóór andere niet-onbelangrijke landen als Spanje en Portugal (een 900 titels of 3 procent), Engeland (een 300 titels of 1 procent), Scandinavië (twee dozijn titels), Polen en Hongarije (een tiental)’ [ed. I 1982: 17].

 

Beweren dat Van der officien fascinerende lectuur vormt, zou de waarheid geweld aandoen, wat niet betekent dat de cultuurhistorische betekenis ervan moet onderschat worden. Het boekje is dan ook ten onrechte afwezig in de meest recente Nederlandse literatuurgeschiedenis (Pleij 2007). De tekst is dan ook nog eens voorbeeldig uitgegeven, met in het eerste deel drie inleidende essays (in het Nederlands en Engels) en een kritische editie, en in een apart tweede deel een facsimile-weergave in vierkleurendruk.

 

In minstens twee opzichten lijkt mij deze incunabel ook interessant voor het oeuvre van Jheronimus Bosch, en vooral dan in verband met zijn Aanbidding der Wijzen-drieluik (Prado), dat zoals bekend is als klaarblijkelijk altaarstuk heel wat verbanden vertoont met de eucharistieviering (zie alleen reeds de Mis van de H. Gregorius op de buitenluiken). Ten eerste zijn er een aantal auteurs die de dansende herders op het linkerbinnenluik graag (en volgens mij ten onrechte) negatief interpreteren als een verwijzing naar zondig gedrag. Van der officien leert ons nu dat deze herders in de Middeleeuwen een allegorische rol speelden in de H. Mis, en meer bepaald in het onderdeel ‘Gloria in excelsis Deo’ (uit de eerste afdeling die het leven van Jezus herdenkt), het onderdeeltje dus tussen het Kyrie eléison en het epistel. We lezen:

 

‘Daerna gaet die priester midden voer dat outaer ende singhet alleen mit vroliker stemmen: Gloria in excelsis deo, dat is gheseit: Glori si gode inden hoechsten, ende beteykent den enghel die totten herdekijns quam opten heylighen kerstnacht’ [ed. I 1982: 92].

 

Even later volgt dan de stichtelijke verklaring:

 

‘Ende die harderen quamen ende vonden Marien ende Joseph ende dat kindekijn legghende inder crebben in alre manieren, als hem vanden enghel gheseit was. Ende na dien dat si dat kindekijn oetmoedelijken aen ghebeet hadden, so ghingen si weder om tot horen scapen, lovende gode ende god glorificerende met groter eerwaerdicheyt in al dat gheen dat si ghesien ende gehoert hadden. Ende alsmen dan dit singhet, seldi u laten duncken dat die enghel ons boetscapt dat Jhesus ons verlosser gheboren is, die ons ghesont mach maken van onsen sonden’ [ed. I 1982: 93].

 

De aanbiddende herders zijn afgebeeld op het middenpaneel, en zou het bovenstaande citaat niet volmaakt passen als onderschrift bij het detail met de vrolijk dansende en musicerende herders op het linkerluik? Natuurlijk zijn er voldoende teksten die bewijzen dat middeleeuwse moralisten dansen scheef bekeken, maar zoals ook geldt voor voetbalscheidsrechters: vaak dient men te oordelen naar de geest en niet naar de letter (van het reglement). De schapenkudde bevindt zich overigens hoger op het paneel, achter het gesloten hek en wordt gehoed door een zittende figuur die aangesproken wordt door een staande figuur. Is deze laatste de engel die de Blijde Boodschap brengt? Maar hij ziet er niet uit als een engel (met vleugels etc.). Toch weer raadselachtig. Bosch blijft nog altijd Bosch!

 

Ten tweede is er het reeds vaker opgemerkte gegeven dat wanneer men de luiken van de triptiek opent, het lichaam van de Jezus-figuur die aan Gregorius verschijnt, en het lichaam van de gekruisigde Jezus (bovenaan) in tweeën worden gebroken, en dat dit in verband kan worden gebracht met de celebrant die de hostie tijdens de consecratie (onderdeel van de tweede afdeling van de mis, die de Passie in herinnering brengt) ook in tweeën breekt. In Van der officien lezen we nu:

 

‘Hier deelt die priester dat heylege sacrament [lees dus: de hostie] in drie deelen, niet dattet lichaem ons heren ghebroken wort, want dat is onmoghelijc, mer alleen naeder ghedaenten die ghij lichamelijc siet. Eerst deelt hijt in tween. Dat eerste deel dat wort geoffert ter eren der heyligher kercken die hier boven mit hem regniert inder glorien. Dat ander deel deelt hij noch in tween. Want die heylige kercke dat sijn die gelovige menschen die noch inder kativicheit sijn, die twerehande sijn: als die inden vegevier sijn ende daer voer wort dat ander deel gheoffert; ende oec dye gheen die noch in deser bedructer werelt sijn ende voer dien wort dat ander deel gheoffert dat hi inden kelc doet’ [ed. I 1982: 121-122].

 

Men notere verder dat op Bosch’ buitenluiken gordijnen het altaar afscheiden van het volk dat de mis volgt. Van der officien verklaart naar aanleiding van de tweede sectie van de mis (die gewijd is aan het herdenken van de Passie):

 

‘Die woorden des canons, dat is die die priester nu sprect, die hieten die heymelicheden der missen. Want si van wonderliker heymeliker machten sijn, also dat oec die enghelen hen verwonderen vander craft deser woerden. Si hebben so wonderlike heymelike cracht dat overmits desen woerden dat broet ende die wijn in dat lichaem ende in dat bloet ons liefs heren verkeren. Ende daer om wort die priester met gordinen inden siden des outaers bedecket, op dat hi van sijnre heymelicheit niet behindert en worde. Want hi dan alleen in vueriger minnen ende mit opgetogender heren met god becommert wesen sel’ [ed. I 1982: 104-105].

 

Dat ten slotte in Van der officien Christus’ (joodse) vijanden twee maal met wolven vergeleken worden [ed. I 1982: 107 / 113], kan relevant zijn in verband met de agressieve wolven die op het rechterbinnenluik uitgebeeld worden…

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Van Hoof 1982: Guido Van Hoof, “Antwerps wiegelied”, in: De Standaard der Letteren, 26 november 1982 [recensie van de editie-1982].
  • De Smet 1984: Silveer De Smet, in: Streven, jg. 51, nr. 9 (juni 1984), p. 845 [recensie van de editie-1982].

 

[explicit 23 april 2023]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram