Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
Circa 1250
Moderne editie
G.A. van Es (ed.), "De Jeeste van Walewein en het Schaakbord van Penninc en Pieter Vostaert - Artur-epos uit het begin van de 13de eeuw - Uitgegeven, verklaard en ingeleid", twee delen, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1957
Taal
Middelnederlands

Roman van Walewein (Penninc & Pieter Vostaert) circa 1250

[Teksteditie: G.A. van Es (ed.), De Jeeste van Walewein en het Schaakbord van Penninc en Pieter Vostaert – Artur-epos uit het begin van de 13de eeuw – Uitgegeven, verklaard en ingeleid. Twee delen, Zwolse drukken en herdrukken voor de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden – nr. 26ab, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1957 = Walewein I/II ed. 1957]

 

[In 1992 verscheen een nieuwe editie met Engelse vertaling: David F. Johnson (ed./vert.), Penninc and Pieter Vostaert – Roman van Walewein. Garland Publishing, New York-Londen, 1992 = Walewein ed. 1992. In 2000 verscheen van deze editie een herziene uitgave: D.F. Johnson en G.H.M. Classens (ed./vert.), Roman van Walewein. Arthurian Archives VI – Dutch Romances – volume I, Cambridge, 2000 = Walewein ed. 2000]

 

Genre

 

De Roman van Walewein wordt algemeen beschouwd als de beste, bewaard gebleven Middelnederlandse Arturroman. Hij behoort tot de zogenaamde Arturepiek (langere verhalen in versvorm uit de 12de en 13de eeuw rond Koning Artur en de ridders van de Ronde Tafel). Men spreekt ook wel van Brits-Keltische epiek of hoofse epiek. Maartje Draak (1936/1975) heeft overtuigend een verwantschap vastgesteld tussen de Walewein en een sprookjestype (Aarne-Thomson 550), maar het is overdreven te stellen dat het hier zou gaan om ‘een tot Arturroman omgewerkt sprookje’ [ed. II 1957: 385].

 

Men neemt aan dat de Walewein een origineel-Vlaamse Arturroman is. De meeste andere Middelnederlandse Arturromans zijn bewerkingen naar Franse voorbeelden. Aan het begin van de literaire Artur-traditie in de Middeleeuwen staat de invloedrijke, twaalfde-eeuwse Franse auteur Chrétien de Troyes, die een vijftal Arturromans schreef. Artur was een legendarische Keltische legeraanvoerder of vorst die omstreeks het jaar 500 zou geleefd hebben in het toenmalige Groot-Brittannië. Hij werd in de latere Middeleeuwen beschouwd als één van de Negen Besten, net als Karel de Grote.

 

Auteur

 

Uit de epiloog blijkt dat de Walewein het werk is van twee auteurs: Penninc en Pieter Vostaert. Vostaert schreef plusminus de laatste 3300 verzen [ed. II 1957: 341]. In 1957 zag tekstbezorger Van Es in Penninc één van onze grootste epische kunstenaars uit de Middeleeuwen, die op originele wijze van elders bekende Artur-gegevens en stof van verschillende herkomst met rijke fantasie en een sterk gevoel voor compositie tot een nieuw boeiend epos heeft samengesmolten. Vostaert is naar verluidt de begaafde secondant van de meester die Penninc was [ed. II 1957: 385].

 

Situering / datering

 

Van de Walewein (11.198 verzen) bleef slechts één volledig handschrift bewaard: Leiden, Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, Hs. 195 II (= handschrift L). Dit handschrift is Vlaams en dateert van 1350 [ed. II 1957: 400 / 413]. Twee fragmenten van een ander handschrift bleven eveneens bewaard: Gent, Universiteitsbibliotheek, Ms. 1619 (= handschrift G). Dit handschrift is ook Vlaams en dateert uit de tweede helft van de veertiende eeuw [ed. II 1957: 421 / 424].

 

Men neemt aan dat de Walewein een origineel-Vlaamse, dus niet uit het Frans vertaalde Arturroman is, hoewel de auteurs wel van elders bekende stof en motieven gebruikten [ed. II 1957: 339, Haug 1995: 204 (noot 8)]. Zie in verband met de door de auteurs gebruikte bronverwijzingen ed. II 1957: 355 / 374 / 378. De traditionele visie was dat Penninc aan de Walewein begon in het begin van de dertiende eeuw en dat Vostaert de roman voltooide circa 1215. Deze visie wordt nu niet meer onderschreven: men dateert de Walewein meestal rond het midden van de dertiende eeuw (een exactere datering staat nog onder discussie) en situeert hem in de regeerperiode van de Dampierres. Janssens [1993: 24 / 28] dateert XIIIB. Janssens [1995: 42]: circa 1250. Haug [1995: 204 (noot 9)]: ten vroegste tussen 1230-60, onder verwijzing naar ed. 1992: XXI. Besamusca [1993] stelt de terminus a quo op 1230 (vergelijk Smith 1995: 35).

 

Inhoud

 

Koning Artur houdt met zijn ridders van de Ronde Tafel een hofdag in één van zijn burchten, Carlioen. Na het eten komt plots een prachtig versierd zwevend schaakbord door het raam naar binnen gevlogen, dat even plots ook weer verdwijnt. Artur spoort zijn ridders aan om het schaakbord te volgen en te bemachtigen. Walewein, ‘der avontueren vader’, is de enige die de opdracht aandurft. Hij zadelt zijn trouwe paard Gringolet, en dat is het begin van een lange, gevaarlijke en zeer avontuurlijke tocht. Als het schaakbord verdwijnt in het inwendige van een reusachtige berg, aarzelt Walewein niet en hij volgt het bord in de berg die zich achter hem sluit. Een nest van vier jonge draken is voor de held geen partij: ze worden in de pan gehakt. Aan het woedende, vuurspuwende moederdier heeft hij echter de handen vol. Met zware inspanning en een beetje geluk kan hij het monster toch doden en door een spleet de berg verlaten. Onder het drakenbloed en zwaar toegetakeld bereikt hij de sprookjesachtige burcht van Koning Wonder. De koning en zijn zoon, die net een partijtje schaak zitten te spelen op het bord dat Walewein zo begeert, ontvangen de gezant van Koning Artur zeer hartelijk. Na een verkwikkende nachtrust op een wonderbed dat alle leed heelt, organiseert Koning Wonder een feestmaal voor zijn gast. Hij belooft Walewein het schaakbord, maar op één voorwaarde: Walewein moet bij Koning Amoraen een wonderzwaard met twee ringen halen.

 

Walewein aanvaardt en zet zijn tocht verder. Zijn dapperheid wordt onderweg weer zwaar op de proef gesteld, maar uiteindelijk belandt hij in het kasteel Ravenstein aan de zee. Hij krijgt er het zwaard van Koning Amoraen, maar er is weer een voorwaarde: Walewein moet voor de koning de oogverblindend mooie prinses Ysabele weghalen bij Koning Assentijn in Endi (Indië). Zijn verdere tocht verloopt alweer niet rimpelloos. Onderweg doodt hij een rode ridder omdat die jonkvrouwen zeer brutaal behandelt. Vlak vóór de rode ridder zijn laatste adem uitblaast, toont hij nog berouw en Walewein vergeeft hem. Uiteindelijk staat Walewein vóór de burcht van Koning Assentijn. Het ziet er echter hopeloos uit. Rond de burcht kolkt een diepe slotgracht en de enige brug is zo scherp als een mes. ’s Nachts wordt Walewein aangevallen door een vos, maar deze laatste wordt verslagen. Het blijkt om een betoverde ridder te gaan die Roges heet. Hij loodst Walewein via een onderaardse gang tot binnen de wallen. Nieuwe beproevingen wachten, want zes zwaarbewaakte poorten sluiten het binnenste van de burcht af. Walewein verslaat duizenden soldaten, maar bezwijkt uiteindelijk voor de overmacht. Hij wordt vóór Koning Assentijn geleid. Naast Assentijn staat Ysabele, zijn wondermooie dochter, bij wie de vlinders meteen in de buik slaan als zij Walewein ziet. Ze krijgt haar vader zo ver dat ze de hele nacht bij Walewein opgesloten wordt, om hem ‘ongenadig te folteren’. Zij leidt Walewein echter naar een verborgen kamer en in een onderaardse gang, waar zij zich overgeven aan geflirt en aan de liefde. Of zij ook het minnespel speelden, weet de verteller niet zeker.

 

Wanneer een spion de ware aard van de ‘folteringen’ klikt bij de koning, worden beide tortelduifjes in een kerker gegooid. Ze worden daaruit echter bevrijd door de geest van de rode ridder en eens buiten de burcht krijgen zij het gezelschap van de vos Roges. Gedrieën trekken ze naar Ravenstein, waar Koning Amoraen ondertussen gestorven blijkt. Ysabele kan dus bij Walewein blijven. Met het zwaard met de twee ringen reizen ze naar Koning Wonder, waar ze het zwaard inruilen voor het zwevende schaakbord. Na nog heel wat avonturen (waarbij de vos weer een gewone ridder wordt) bereiken Walewein en Ysabele met het schaakbord het slot van Koning Artur. Of Walewein en Ysabele met elkaar trouwden, weet de dichter ons niet met zekerheid te vertellen.

 

Thematiek

 

De bedoeling van de twee dichters is: ‘Propageren van het hoofse ideaal waarbij zelfbeheersing, moed, mildheid en inzet voor de ander en de gemeenschap niet gegrond zijn in een overspelige liefdesrelatie of een mystieke Godservaring’ [Janssens 1993: 27, vergelijk ed. II 1957: 339 en Knuvelder I 1970: 135]. Janssens [1995: 42] ziet in de Walewein een reactie tegen de Graalthematiek: de in de Graalqueeste negatief getekende neef van Koning Artur wordt bij Penninc en Vostaert een hoogst positief personage, die qua hoofsheid iedereens meerdere is. Zie voor referenties aan hoofs gedrag onder meer:

  • Walewein schenkt altijd vergiffenis aan wie om genade vraagt. Zo vergeeft Walewein ook de vos Roges [ed. I 1957: 153 (verzen 5269-5274)].
  • Walewein zegt over zichzelf tegen de vos (die niet weet dat hij tegenover Walewein staat): Walewein es dorper ende fel! De vos is kwaad en repliceert: Want hi nes dorper nochte fel [ed. I 1957: 168 (verzen 5802 / 5815)].
  • Vostaert is vaag over het minnespel tussen Walewein en Ysabele. Verderop wordt toch duidelijk gesuggereerd dat zij seks bedreven… [ed. I 1957: 230 (verzen 7939-7946)].
  • Vostaert is ook elders onduidelijk over de vraag of Walewein en Ysabele ’s nachts met minnen yet vergaderden [ed. I 1957: 306 (verzen 10.292-10.295)].

 

Lacy [1995:312-313] ontdekt in de Walewein vanaf de derde queeste een religieuze dimensie (belang van de vagevuur-rivier!). Walewein wordt behalve een voorbeeldridder ook een religieuze held. Men notere in dit verband nochtans dat Walewein aan de rivier met de messcherpe brug (de vagevuur-rivier) bekent dat hij zondig is en daarom niet over de brandende rivier raakt! Anderen hebben erop gewezen dat vooral Vostaert nu en dan een ironiserend spelletje speelt met de regels van de Artur-roman. Dat is bijvoorbeeld heel duidelijk in de passage waarin verteld wordt dat de expliciet ‘lieftallig’ genoemde jonkvrouw Ysabele de architect die voor haar een geheime onderaardse gang gemaakt had, liet verdrinken opdat de gang geheim zou blijven. Van Oostrom [2006: 269] noteert: ‘Ooit gold de Walewein als de klassieke Nederlandse ridderroman bij uitstek. Maar onder invloed van een breder internationaal kader en indringender lectuur is hij steeds meer te boek komen staan als spel daarmee’ (waarbij miezemuizers overigens zouden kunnen aanmerken hoe gemakkelijk Nederlanders de term ‘Nederlands’ in de mond nemen, ook als het gaat om manifest Vlaamse literaire teksten).

 

Receptie

 

Manifest hofliteratuur (graafschap Vlaanderen). In deze ridderlijke wereld bestaan de burgers en de burgerlijke wereld met steden en dorpen niet [Knuvelder I 1970: 133].

 

Profaan / religieus?

 

Profaan met een religieuze dimensie.

 

Persoonlijke aantekeningen

 

Voor de schilderijen en tekeningen van Bosch biedt deze Arturroman geen directe aanknopingspunten. Zijdelings interessant zijn wel de passage met de vagevuur-rivier (waarin witte en zwarte vogels gezuiverde en zondige zielen voorstellen) en het optreden van een (betoverde) vos die aanvankelijk als negatief gekenschetst wordt, maar gaandeweg meer en meer positieve connotaties meekrijgt (vergelijk Van Eekelen 2000).

 

Geraadpleegde literatuur

 

  • Barendregt e.a. 2006: Petra Barendregt, Noor Bloem en John Verbeek (red.), Walewein. Tekst in context 7, Amsterdam University Press, Amsterdam, 2006 [een recensie van dit boek door Ruud Ryckaert in De Leeswolf, jg. 12, nr. 6 (september 2006), p. 499].
  • Besamusca 1993a: Bart Besamusca, Walewein, Moriaen en de Ridder metter mouwen – Intertekstualiteit in drie Middelnederlandse ridderromans. Middeleeuwse Studies en Bronnen – 39, Verloren, Hilversum, 1993 [een recensie van dit boek door G.P.J. De Ceukelaire in: Millennium, jg. 10 (1996), nr. 1, pp. 55-59].
  • Besamusca 1993b: Bart Besamusca, “De Walewein opnieuw uitgegeven en vertaald”, in: De nieuwe taalgids, jg. 86, nr. 4 (juli 1993), pp. 375-377 [recensie van de editie-1992].
  • Besamusca/Brandsma 1988: Bart Besamusca en Frank Brandsma, “De toezegging met onvoorziene gevolgen in de Walewein”, in: De nieuwe taalgids, jg. 81, nr. 1 (januari 1988), pp. 1-12.
  • Besamusca/Kooper 1999: Bart Besamusca en Erik Kooper (red.), Originality and Tradition in the Middle Dutch Roman van Walewein. Arthurian Literature 17, D.S. Brewer, Woodbridge, 1999 [een recensie van dit boek door Geert Claassens in: Spiegel der Letteren, jg. 41 (1999), nr. 4, pp. 369-370].
  • Draak 1975: A.M.E. Draak, Onderzoekingen over de Roman van Walewein (Met aanvullend hoofdstuk over “Het Walewein onderzoek sinds 1936”). Groningen-Amsterdam, 1975 (uitgebreide herdruk van de editie Haarlem 1936).
  • Faems 2000: An Faems, in: Spiegel der Letteren, jg. 42 (2000), nr. 2, pp. 183 [recensie van de editie-2000].
  • Gerritsen 1996: W.P. Gerritsen, “Walewein goes international”, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, deel 112 (1996), afl. 3, pp. 227-237.
  • Harper 1999a: Raymond Harper, “Walewein revisited”, in: Spiegel der Letteren, jg. 41 (1999), nr. 3, pp. 195-203.
  • Haug 1995: Walter Haug, “Kombinatorik und Originalität – Der Roman van Walewein als nachklassisches literarisches Experiment”, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, deel 111 (1995), afl. 3, pp. 195-205.
  • Janssens 1982: J.D. Janssens, “Tekstinterpretatie via een onderzoek van de co- en intertekstuele relaties in de Roman van Walewein”, in: Spiegel der Letteren, jg. 24 (1982), nr. 2, pp. 81-95.
  • Janssens 1993: J.D. Janssens, “Omstreeks 1260: Pieter Vostaert voltooit de Roman van Walewein – Het web van de Arturromans”, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen e.a. (red.), Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Martinus Nijhoff Uitgevers, Groningen, 1993, pp. 23-29.
  • Janssens 1995: Jozef Janssens, De Graal en de ridders van de Ronde Tafel. Davidsfonds-Clauwaert, Leuven, 1995.
  • Knuvelder I 1970: G.P.M. Knuvelder, Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde – Deel I. L.C.H. Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1970 (vijfde, geheel herziene druk), pp. 132-138.
  • Lacy 1995: Norris J. Lacy, “Convention and Innovation in the Middle Dutch Walewein”, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, deel 111 (1995), afl. 4, pp. 310-322.
  • Lussenburg 2016: Sigrid Lussenburg, “Prinsessen met pit – Ysabele en de keizersdochter”, in: Madoc – Tijdschrift over de Middeleeuwen, jg. 30, nr. 2 (zomer 2016), pp. 101-108.
  • Riddy 1996: Felicity Riddy, “Giving and receiving – Exchange in the Roman van Walewein and Sir Gawain and the Green Knight”, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, deel 112 (1996), afl. 1, pp. 18-29.
  • Smith 1995: Simon Smith, “Intertekstualiteit in opmars”, in: Spektator, jg. 24 (1995), nr. 1, pp. 32-54 [n.a.v. Besamusca 1993].
  • Van Eekelen 2000: Reindert van Eekelen, “Vos huut en menschen luut – Het beeld van Roges in de Roman van Walewein”, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, deel 116 (2000), afl. 2, pp. 132-152.
  • Van Oostrom 2006: Frits van Oostrom, Stemmen op schrift – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2006, pp. 262-269.
  • Winkelman 1984: J.H. Winkelman, “De Middelnederlandse Walewein oorspronkelijk?”, in: Spiegel der Letteren, jg. 26 (1984), nr. 1-2, pp. 73-82.
  • Winkelman 1985: J.H. Winkelman, “Biografie of retoriek? Enkele kanttekeningen bij de proloog van de Walewein”, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, deel 101 (1985), afl. 2, pp. 126-137.
  • Winkelman 1986: J.H. Winkelman, “Arturs hof en Waleweins avontuur – Interpretatieve indicaties in de expositie van de Middelnederlandse Walewein”, in: Spiegel der Letteren, jg. 28 (1986), nr. 1-2, pp. 1-33.
  • Winkelman 1993: J.H. Winkelman, “Gecontamineerde vertelstructuren in de Middelnederlandse Roman van Walewein”, in: Spiegel der Letteren, jg. 35 (1993), nr. 2, pp. 109-128.

 

[explicit 27 maart 1997 / 20 september 2016]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram