Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90
Datering
XVIb
Moderne editie
C. Kruyskamp (ed.), "Dichten en spelen van Jan van den Berghe", 's-Gravenhage, 1950, pp. 89-144
Taal
Middelnederlands

Tspel genaempt den Wellustigen Mensch

(Jan van den Berghe) XVIb

[Kritische teksteditie: C. Kruyskamp (ed.), Dichten en spelen van Jan van den Berghe. Uitgave van de Vereeniging der Antwerpsche Bibliophielen – tweede reeks – nr. 4, Martinus Nijhoff, ’s-Gravenhage, 1950, pp. 89-144 = Wellustige Mensch ed. 1950]

[Diplomatische teksteditie: W.N.M. Hüsken, B.A.M. Ramakers en F.A.M. Schaars (eds.), Trou Moet Blijcken – Deel 1: Boek A – Bronnenuitgave van de boeken der Haarlemse rederijkerskamer ‘de Pellicanisten’. Uitgeverij Quarto, Assen, 1992, ff. 85v-106r = Wellustige Mensch ed. 1992]

[Hummelen 1 OA 6, paralleltekst: Hummelen 1 U 16]

 

Auteur

 

De Zuid-Nederlandse rederijker Jan van den Berghe, alias Jan van Diest, die onder meer factor was van de Antwerpse rederijkerskamer De Violieren en de Brusselse rederijkerskamer Het Boek. Hij stierf in Brussel in 1559 [ed. 1950: XI-XII]. Over zijn beroep als stadhouder van de lenen voor het kwartier Mechelen, zie ed. 1950: XVI.

 

Genre

 

In de tekst zelf wordt gesproken van een spel van sinnen [ed. 1950: 95 / ed. 1992: 88r]. De Wellustige Mensch kan beschouwd worden als een moraliteit, te vergelijken met Elckerlyc [zie ed. 1950: XXI en Knuvelder I 1970: 502-504].

 

Situering / datering

 

De volledige tekst bleef bewaard in Boek A uit het archief van de Haarlemse rederijkerskamer De Pellicanisten (1185 verzen in de ed. 1950, 2097 verzen/regels in de ed. 1992). De Wellustige Mensch is het zesde spel dat in dit omstreeeks 1600 vervaardigd handschrift voorkomt [ed. 1950; XXI / XXXI]. Een ander, onvolledig handschrift van hetzelfde spel (begin en einde ontbreken) bleef bewaard in het archief van de rederijkerskamer De Fiolieren te ’s-Gravenpolder (’s-Gravenpolder, G.A., 387 no. 16 = Hummelen 1 U 16). Dit spel moet ontstaan zijn na 1528 [ed. 1950: XXV (noot 1)] en vóór 1551 (toen het werd opgevoerd door de Antwerpse Violieren) [ed. 1950: XI-XII / XXI]. Het is geschreven in de Brabantse rederijkerstaal uit de eerste helft van de zestiende eeuw [ed. 1950: XXIV].

 

Inhoud

 

Op allegorische wijze wordt beschreven hoe de aan weelde en genot verhangen Wellustige Mensch zijn tijd doorbrengt in het bordeel met lichte vrouwen, losbollen en speelmannen, hiertoe aangezet door de sinnekes Vleijsschelijcke Sin en Quaet Gelove. Als echter Gramschap Goods hem gevangen komt nemen om voor Dopperste Mogentheyt gevonnist te worden, laten de sinnekes en de anderen hem in de steek. Dankzij de voorspraak van De Gratie Goods krijgt Wellustige Mensch toch nog vergeving voor zijn zonden. Vergelijk ook ed. 1950: XXI.

 

Thematiek

 

Is duidelijk stichtelijk van aard: dankzij de goddelijke genade kan elke zondaar hopen op vergiffenis voor zijn zonden, hoe zwaar die ook zijn. Of het spel ook reformatorisch van aard is, is niet zonder meer te affirmeren. De tekst bevat wel een aantal passages die de priesters en de monniken bekritiseren (zie onder meer de verzen 327-345, 358-359 en 476-484 in de ed. 1950), maar aangezien deze kritiek geleverd wordt door de sinnekes is het niet meteen vanzelfsprekend dat ook de auteur deze kritiek deelde. Anderzijds werd het spel opgenomen in Boek A van de Haarlemse Pellicanisten waar het zich bevindt tussen spelen die duidelijk wél reformatisch getint zijn. Wellicht kan men concluderen dat Van den Berghe reformatorische sympathieën had, maar dat deze niet ondubbelzinnig werden uitgesproken [vergelijk verder hierover ed. 1950: XXII / XXVI-XXVIII, en Knuvelder I 1970: 502-504].

 

Receptie

 

Stadsliteratuur. Het betreft hier een rederijkersspel van een rederijker die actief was in Antwerpse en Brusselse rederijkerskamers. Het spel werd door de Antwerpse Violieren gespeeld in 1551 en bleef bewaard in de archieven van rederijkerskamers uit Haarlem en ’s-Gravenpolder. Vergelijk verder de proloog [ed. 1950: 93 (verzen 57-62)] waarin de overheid van Haarlem wordt begroet (al is deze proloog niet van de hand van Van den Berghe). Verbanden met Antwerpen, Haarlem en ’s-Gravenpolder.

 

Profaan / religieus?

 

In de eerste plaats stichtelijk-religieus van aard, maar de tekst bevat ook profane elementen in de beschrijving van het wereldse leven van de hoofdpersoon.

 

[explicit 9 oktober 1994]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram