Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Problemen rond Jeroen Bosch

Gerlach 1971b
Gerlach O.F.M. Cap., P.
Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis
Uitgave datum: 1971
Bron: Bijdragen tot de geschiedenis, jg. 19 (1971), deel LIV, pp. 56-86

Gerlach 1971b

 

“Problemen rond Jeroen Bosch” (P. Gerlach O.F.M. Cap.) 1971

[in: Bijdragen tot de geschiedenis, jg. 19 (1971), deel LIV, pp. 56-86]

[Gedeeltelijk heruitgegeven (alleen het stuk over signatuur) in Gerlach 1988: 91-95]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 144-145 (G60)]

 

In dit artikel worden drie ‘problematische kwesties’ in verband met Bosch behandeld. Een eerste kwestie is: in hoeverre zijn de schilderijen die aan Bosch worden toegeschreven, ‘meester-werken’ of atelierstukken? Een rekening uit 1503/04 leert ons dat Bosch ‘knechten’ heeft gehad. Gerlach concludeert daaruit dat Bosch dus ook wel een atelier zal gehad hebben, zoals toen bij kunstenaars gebruikelijk was. Zonder echt bewijzen te kunnen aanvoeren, neemt Gerlach eveneens aan dat er in ’s-Hertogenbosch in die tijd een ‘schildersambacht’ is geweest (pas vanaf 1546 is het bestaan van een dergelijke instelling gedocumenteerd).

 

Een tweede kwestie is die van de signatuur: gesigneerde werken zijn namelijk niet noodzakelijk authentiek en een gothische signatuur zoals die van Bosch is per definitie gemakkelijk te imiteren. Gerlach citeert uitgebreid de zestiende-eeuwse Felipe de Guevara die waarschuwt voor de vele Bosch-navolgingen en –imitaties die in zijn tijd de ronde deden. Gebruik van moderne technieken (laboratoriumonderzoek, microchemische analyses … ) is volgens Gerlach dus aangewezen.

 

In een derde en laatste onderdeel behandelt Gerlach de vraag of er zoiets als een typische ‘schildersschool’ bestond in ’s-Hertogenbosch. Hij beantwoordt de vraag niet, maar geeft wel een lange opsomming van alle schilders, houtbewerkers, glazeniers enzovoort die gedurende de tweede helft van de vijftiende en het eerste kwartaal van de zestiende eeuw in de rekeningen van de Onze-Lieve-Vrouwe-broederschap, in het Bosch’ Protocol en in de stadsrekeningen van ’s-Hertogenbosch worden vermeld. We leren op die manier ook enkele namen van Jeroens familieleden kennen en vernemen een aantal dingen over de meester zelf (onder meer dat zijn neefje bij hem inwoonde en dat hij in 1504/05 dertien rijnse guldens + vijf stuivers aan belastingen betaalde).

 

[explicit]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram