Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Jheronimus Bosch, de natuur van de mens en de hoofdzonden

Gielis 2003
Gielis, M.A.M.E.
Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis
Uitgave datum: 2003
Bron: Noordbrabants Historisch Jaarboek, 20 (2003), pp. 93-117

Gielis 2003

 

Jheronimus Bosch, de natuur van de mens en de hoofdzonden (M.A.M.E. Gielis) 2003

[in: Noordbrabants Historisch Jaarboek, 20 (2003), pp. 93-117]

 

In tegenstelling tot Paul Vandenbroeck is Gielis van mening dat de Zeven Hoofdzonden wel degelijk een belangrijke rol spelen in het oeuvre van Bosch, die in dit opzicht raakpunten vertoont met de laatmiddeleeuwse moraalpredikanten die eveneens fulmineerden tegen de Zeven Hoofdzonden. De schilder heeft de uitbeelding van de hoofdzonden echter wel aangepast aan de wisselende omstandigheden en aan de eigen bedoelingen. In dit artikel bespreekt Gielis de uitbeelding van de Zeven Hoofdzonden in enkele Bosch-werken, zoals het Tafelblad met de Zeven Hoofdzonden, de Tuin der Lusten-triptiek (naar verluidt een uitbeelding van de zondige concupiscentie, dat wil zeggen: de begeerte die niet meer wordt geregeld door de rede, zoals dat oorspronkelijk door God bedoeld was), de Hooiwagen-triptiek en de verloren triptiek waarvan de Rotterdamse Marskramer, het Narrenschip, de Allegorie van de Gulzigheid en de Onkuisheid en de Dood van een Vrek onderdelen zouden geweest zijn.

 

De analyses die Gielis hier brengt, leunen grotendeels aan bij het werk van anderen (onder meer Vandenbroeck, Marijnissen en Koldeweij) en bevatten weinig nieuws. Het enige nieuwe is eigenlijk Gielis’ stelling dat de thematiek van de Tuin der Lusten (zie supra) nauw aansluit bij de visie die de Leuvense theoloog Johannes Driedo (circa 1480-1535) uiteenzette in zijn Latijnse traktaten. Gielis’ tekst bevat overigens een aantal interpretatieslordigheden. Eén voorbeeldje hiervan: op de Rotterdamse Marskramer-tondo zou de blaffende hond, naar verluidt een symbool van de duivel, de marskramer (een homo viator) angst proberen aan te jagen om hem weg te houden van het huis van verderf, dus van de verdachte herberg op de achtergrond [p. 109]. Men kan zich hierbij de vraag stellen: als die hond inderdaad de duivel voorstelt, dan wil hij toch net niets liever dan de mens nààr huizen van verderf lokken, in plaats van hen ervan weg te jagen.

 

[explicit]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram