Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

De Verzoeking van Sint Antonius - Het Lissabonse drieluik in het licht van de Malleus Maleficarum

Heijmans 1991
Heijmans, Maria
Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis
Aantal pagina's: 72 + 32 illustraties
Uitgever: Onuitgegeven doctoraalscriptie, Katholieke Universiteit Nijmegen, 1991
Uitgave datum: 1991

Heijmans 1991

 

De Verzoeking van Sint Antonius. Het Lissabonse drieluik in het licht van de Malleus Maleficarum (Maria Heijmans) 1991

[Onuitgegeven doctoraalscriptie, Katholieke Universiteit Nijmegen, 1991, 72 blz. + 32 ill.]

 

Om het werk van Bosch te begrijpen moet men zich verdiepen in de tijd en het milieu waarin dat werk ontstaan is. De monsters en duivels die Bosch in de Lissabonse Antonius-triptiek schilderde, kunnen in verband worden gebracht met de demonologie en heksenleer zoals die in de late Middeleeuwen werd verkondigd door theologen, filosofen en juristen, en vooral met de ideeën van de Malleus Maleficarum. De Malleus is echter niet de enige mogelijke bron voor dit drieluik: andere literatuur, de levende taal en de folklore zijn hier eveneens van belang.

 

Heijmans’ tekst bestaat uit twee delen. In deel I geeft zij achtergrondinformatie bij Bosch’ drieluik. Hoofdstuk 1 schetst een beeld van Bosch’ leven en werk: ‘Ook al is wel eens anders beweerd, Jeroen Bosch was een religieus kunstenaar’ [p. 6]. Hoofdstuk 2 vertelt iets over de bronnen rond het leven van de H. Antonius (de Vita Antonii van Athanasius, de Legenda aurea en het Vaderboek), vat het leven van Antonius kort samen en zegt iets over de verering van Antonius en over diens rol als beschermer tegen hekserij. In 1491 werden de relieken van de heilige overgebracht van de priorijkerk St.-Didier-de-la-Motte (Frankrijk) naar de parochiekerk van St. Julie in Arles. Hoofdstuk 3 gaat nader in op het verschijnsel ‘hekserij’ in de Middeleeuwen, op de rol van de dominicanen als inquisiteurs en op de hervorming van het domicanenkloosten van ’s-Hertogenbosch in 1483. Hoofdstuk 4 ten slotte concentreert zich op de Malleus Maleficarum: we krijgen korte biografieën van Jacobus Sprenger en Henricus Institoris en een gedeeltelijke samenvatting van de inhoud van de Malleus.

 

In deel II worden de voorstellingen op Bosch’ Antonius-triptiek geïnterpreteerd, waarbij de nadruk ligt op de heksenleer. Hoofdstuk 1 geeft enkele bijzonderheden over het drieluik en over de getrouwe kopie die zich in Brussel (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten) bevindt. Hoofdstuk 2 bespreekt de iconografie van de gesloten luiken. Tussen de gesloten luiken en de binnenpanelen bestaat een samenhang: het gehele drieluik toont Christus als Verlosser van de zondige mensheid en als beschermer van de door duivels geplaagde Antonius. Hoofdstuk 3 gaat nader in op de iconografie van de geopende triptiek.

 

Bij de bespreking van het linkerbinnenluik leunt Heijmans over het algemeen sterk aan bij Bax 1948, al corrigeert zij deze auteur ook hier en daar, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de erotische impact van de scène bovenaan het luik (Antonius door duivels meegevoerd in de lucht). Wanneer zij echter scènes van het linkerluik in verband wil brengen met de Malleus, dan vallen haar argumenten zonder uitzondering erg zwak uit. Zo verwijst zij naar de Malleus omdat er een pad en een wolf op het linkerluik voorkomen, brengt zij de monstervogel die zijn eigen jongen vreet (onderaan links) in verband met heksen die kinderen doden en opeten, en wijst zij erop dat volgens de Malleus mensen die in dieren veranderen en heksen die door de lucht vliegen duivelse zinsbegoochelingen zijn (het vliegen kon echter daarnaast ook als realiteit voorkomen).

 

Ook bij haar analyse van het middenpaneel en het rechterbinnenluik leunt Heijmans sterk aan bij Bax 1948, en bij Dresen-Coenders 1983. Waar zij haar eigen weg gaat, is zij niet alleen geneigd te veel nadruk te leggen op erotische symboliek maar ook te vaak verbanden met de heksenleer en de Malleus te willen zien. In de oude vrouw in de centrale scène van het middenpaneel wenst zij een heks en een koppelares te zien omdat volgens de Malleus de ontucht een instrument van de duivel is. De zogenaamde tekenen van armoede van deze vrouw en van het gedrocht naast haar brengt zij in verband met de negatieve houding van de Malleus tegenover armen die zeer ontvankelijk zijn voor ketterij. Mogelijk heeft Bosch bij het schilderen van de centrale scène aan een heksensabbat gedacht, waarbij gespot wordt met de eucharistie. De man met de hoge hoed en de haakvoet is ofwel een heksenmeester of de duivel zelf. De cirkel met dierenriemtekens in zijn buurt roept naar verluidt het in de Malleus gepresenteerde oordeel op dat astrologie vooral te maken heeft met duivels- en heksenwerken. De kaars op het altaar naast Christus zou een ketterkaars kunnen zijn. In de groep links van de centrale scène herkent Heijmans vertegenwoordigers van de Inquisitie, waarbij tegelijk kritiek geuit wordt op de toenmalige rechtspraak. De twee gepantserde honden interpreteert zij als ‘domini canes’. In de scène met de grote rode vrucht ziet zij verwijzingen naar de onkuisheid van heksen en (via de mand) naar de bestraffing daarvan. In de vogel die met zijn spitse bek naar ‘een kindje’ steekt in de bootscène rechtsonder ziet zij een vroedvrouw-heks die een naald in het hoofd van een pasgeboren, ongedoopt kind probeert te steken. Een verwijzing naar vroedvrouw-heksen (ditmaal naar het ons lijkt terecht) ziet zij ook in de scène rond de grote rat.

 

Op het rechterbinnenluik heeft Bosch het gegeven van de verleidelijke duivel-koningin uit de legendevorming rond Antonius verder uitgebreid met verwijzingen naar de heksenleer. Het padachtig beest dat duidelijk tweeslachtig is, verwijst naar de tweeslachtigheid van duivels (die zowel incubus als succubus konden zijn). De duivel-koningin is bij Bosch een heks geworden onder invloed van het Malleus-idee dat vrouwen meer geneigd zijn tot onkuisheid dan mannen. Daarom heeft hij ook een oude koppelares toegevoegd. In het koppel op de vliegende vis bovenaan het luik ziet zij een heks en een duivel die op weg zijn naar een heksensabbat.

 

Heijmans concludeert dat Antonius in dit drieluik fungeert als voorbeeld voor de gelovige: door zich tot Christus te wenden kan de mens, net als Antonius, de kwellingen en verleidingen van de duivel weerstaan. Vast staat dat Bosch op de hoogte was van de demonologie en de heksenleer. Hij ontleende motieven aan de Malleus, maar hoeft dit boek niet zelf gelezen te hebben. Hij werd waarschijnlijk beïnvloed door preken die gebaseerd waren op de Malleus. De dominicanen van ’s-Hertogenbosch, die in de wijde omtrek recht van preken hadden, zullen zeker een exemplaar van de Malleus in hun bezit hebben gehad.

 

Ofschoon Heijmans soms behartigenswaardige dingen zegt en haar tekst vaak interessante informatie bevat (vooral in het eerste deel), leunt zij te veel aan bij andere auteurs en is zij vaak te oppervlakkig om te overtuigen als het gaat om de interpretatie van de Antonius-triptiek zelf. Op talrijke plaatsen ziet zij ten onrechte verbanden met de Malleus en de heksenleer. De enige verbanden die wel overtuigend overkomen zijn de verwijzingen naar vroedvrouw-heksen in de scène rond de grote rat op het middenpaneel en naar de heksenvlucht bovenaan het rechterbinnenluik.

 

[explicit 12 augustus 2014]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram