Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Hoffman 2007

Jheronimus Bosch - Zijn Spiegels Zijn Verten Zijn Scheppers Zijn Werken

Hoffman, Ed

Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis

Aantal pagina's: 96

Uitgever: Jheronimus Bosch Art Center-Cultuur Historische Vereniging de Boschboom, 's-Hertogenbosch

Uitgave datum: 2007

ISBN: 978-90-902256-0-9

 

Hoffman 2007

 

Jheronimus Bosch. Zijn Spiegels Zijn Verten Zijn Scheppers Zijn Werken (Ed Hoffman) 2007

[Jheronimus Bosch Art Center – Cultuur Historische Vereniging de Boschboom, ’s-Hertogenbosch, 2007, 96 blz.]

 

Jheronimus bosch van Ed Hoffman is de eerste boekuitgave die bezorgd wordt door het Jheronimus Bosch Art Center, het aan leven en werken van de beroemde Bossche schilder Jeroen van Aken (alias Bosch) gewijde studiecentrum dat officieel op 31 maart 2007 zijn deuren opende. Het boek, waarvan in de eerste plaats de wat wazige ondertitel maar ook het aangenaam grote formaat, de verzorgde lay-out en de mooie kleurenillustraties opvallen, is niet bedoeld als grensverleggend, maar neemt op een vlotte, op het brede publiek gerichte wijze vier, in aparte hoofdstukken ondergebrachte aspecten van het Bosch-universum nader onder de loep.

 

In hoofdstuk I wordt, in navolging van een aantal vroegere auteurs (onder meer Mosmans, Gerlach en Van Dijck), op zoek gegaan naar zelfportretten in het oeuvre van Bosch. Ondanks de vijf criteria die door Hoffman worden opgesteld, kan het speuren naar zelfportretten van Bosch nooit verder reiken dan (in het beste geval) logische speculatie, zoals door de auteur dan ook meteen en terecht wordt gesignaleerd. Dit omwille van het feit dat er geen honderd procent betrouwbare portretten van Bosch bewaard zijn gebleven. Zet men dit wetenschappelijk bezwaar even opzij, dan blijft het natuurlijk bijzonder verleidelijk om dit subjectieve zoekspelletje mee te spelen.

 

Hoffmans uiteindelijke conclusie is dat in het bewaarde Bosch-oeuvre vijf zelfportretten terug te vinden zijn: de marskramers op de buitenluiken van de Hooiwagen en op de Rotterdamse tondo, de als leek geklede man die de H. Antonius helpt dragen op het linkerbinnenluik van de triptiek in Lissabon, de zogenaamde Boommens op het rechterluik van de Tuin der Lusten en de herder die door een opening van de stal naar Jezus kijkt op de Aanbidding der Wijzen-triptiek in het Prado. Alle voorbehoud in acht genomen, lijken de eerste drie figuren ons persoonlijk inderdaad goede kandidaten voor een zelfportret. Bij de Boomens is dat echter reeds veel minder het geval, maar koddig en leerzaam tegelijk is de casus van de loerende herder. Hoffman beschrijft dit personage als gelukkig ogend en nederig en opgetogen, maar met de beste wil van de wereld: ik kan er niets anders in zien dan een bleke en onbetrouwbare hypochonder, met die naar beneden getrokken mondhoeken en die valse, spiedende blik. Wat nogmaals aantoont hoe wisselvallig en persoonsgebonden het interpreteren van beelden wel kan zijn.

 

In hoofdstuk II vertrekt Hoffman van een boek van Boudewijn Bakker (Landschap en Wereldbeeld) waarin een methode wordt uitgewerkt om na te gaan of landschappelijke elementen in oude schilderijen een inhoudelijke boodschap konden bevatten. Deze methode komt erop neer dat men de middeleeuwse viervoudige benadering van teksten (historisch, allegorisch, moreel en anagogisch) ook op beelden gaat toepassen. Hoffman benadert op deze wijze twee Bosch-schilderijen, de Brusselse Calvarie met Schenker en de Gentse Hiëronymus, naar eigen zeggen in het eerste geval mét, in het tweede geval zónder succes. Hoewel in verband met de Calvarie enkele treffende dingen worden gezegd over het landschap, lijkt mij de toepassing van die viervoudige leesmethode op het paneeltje toch ook maar bedenkelijk, wat van dit tweede hoofdstuk duidelijk het zwakste van het boek maakt.

 

Een stuk boeiender is hoofdstuk III waarin uitgebreid geanalyseerd wordt hoe vijf romanschrijvers in het verleden hun eigen visie op de Tuin der Lusten hebben verwerkt. Het gaat hier met name om publicaties van F.M. Huebner (1957), Armand Boni (1966), Peter Dempf (1999, John Vermeulen (2001) en Nelleke van Tuyl (2001). Omdat er over Bosch weinig biografische gegevens voorhanden zijn, hebben al deze fictieschrijvers een groot stuk van de waarheid bij elkaar moeten liegen, wat de wetenschappelijke betrouwbaarheid van hun teksten natuurlijk niet ten goede kwam. Zij worden door Hoffman dan ook op de vingers getikt omdat ze te weinig rekening hielden met al langer bekende gegevens, zoals de aan zekerheid grenzende hypothese dat de opdrachtgever van de Tuin der Lusten een graaf was (Engelbrecht II of Hendrik III van Nassau) met een hang naar het exotische en het erotische. Liever lieten deze romanciers hun fantasie de vrije loop, wat uiteraard niet verboden is als men een roman schrijft en van deze teksten stuk voor stuk merkwaardige specimens maakt van de moderne Bosch-receptie.

 

In hoofdstuk IV ten slotte, het laatste en zeker niet minst interessante, gaat Hoffman op zoek naar betrouwbare maatstaven bij het onderzoek naar de authenticiteit van Bosch-schilderijen. Op heldere wijze behandelt de auteur een tiental van deze criteria. De enige die echt aanspraak kunnen maken op objectiviteit zijn de dendrochronologie en de verfanalyse, maar ook deze kunnen alleen maar aantonen dat een bepaald paneel niét van Bosch is, nooit dat het dat wel is. Met het nodige voorbehoud en enige niet uit te sluiten subjectiviteit sluit Hoffman zijn boek af met een lijst van 21 werken die volgens hem zo goed als zeker door Bosch zelf zijn geschilderd.

 

In zijn geheel genomen is Jheronimus bosch een vlot geschreven, sympathieke monografie die enkele deelaspecten van de Bosch-studie op heldere wijze behandelt en door iedere Bosch-liefhebber met plezier zal gelezen worden. Dat van hoofdstuk I de voetnoten 64 en 65 helaas ontbreken, is binnen dit alles slechts een klein, aan het zetduiveltje te wijten detail. Dat ik het verder niet altijd eens ben met Hoffman (zoals wanneer hij het boek van Hans Belting over de Tuin der Lusten uit 2002 een prachtige studie noemt of het middenpaneel van de Tuin positief interpreteert), is welhaast onvermijdelijk als het over Bosch gaat. En zoals de auteur zelf in zijn inleiding noteert: elke blik leert meer over de ziener dan over het bekekene.

 

[2008]

 

Recensies

 

Eric De Bruyn, “De ziener en het bekekene. Jongste boek over Jeroen Bosch”, in: Bossche Bladen, jg. 10 (2008), nr. 3, pp. 116-117.

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram