Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Hieronymus Bosch - Naar aanleding van de expositie in 's-Hertogenbosch

Lemmens/Taverne 1967-68
Lemmens, G. en E. Taverne
Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis
Uitgave datum: 1967-68
Bron: Simiolus, vol. 2 (1967-68), nr. 2, pp. 71-89

Lemmens/Taverne 1967-68

 

“Hieronymus Bosch. Naar aanleiding van de expositie in ’s-Hertogenbosch” (G. Lemmens en E. Taverne) 1967-68

[in: Simiolus, vol. 2 (1967-68), nr. 2, pp. 71-89]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 45 (D17)]

 

Op de Bosch-tentoonstelling (’s-Hertogenbosch, 1967) was naast een klein aantal algemeen aanvaarde werken een grote groep kopieën en betwijfelde schilderijen te zien. Geen van de grote triptieken was aanwezig. Dit gegeven nodigde uit tot bestudering van opzet en werkwijze bij originelen en kopieën, zodat de aandacht kon gericht worden op het authenticiteitsprobleem van het Bosch-oeuvre (in plaats van op de reeds eindeloos bediscussieerde inhoud en betekenis ervan). Lemmens en Taverne gaan uit van drie op de tentoonstelling aanwezige, algemeen aanvaarde Bosch-werken: de Rotterdamse Christophorus, de Rotterdamse Landloper en het Narrenschip (Parijs, Louvre), en zij vergelijken de andere schilderijen met dit drietal. Zij kunnen zo een aanvulling bezorgen op één van de meest genoemde criteria voor het werk van Bosch: het vlakke, silhouetachtige karakter van zijn figuren en van de met grote aandacht geschilderde landschappen.

 

Dit criterium kan nu uitgebreid worden: de silhouetfiguren ontlenen hun effect aan het evenwicht tussen hun beweeglijkheid en de meer stabiele achtergrond (gevormd door het landschap én vaak door de achterste rij figuren). In de verhouding personages-achtergrond zit bovendien een evolutie.

  • Aanvankelijk overweegt het horizontale in landschap en figurengroepen (Weense Kruisdraging, Rotterdamse Bruiloft te Kana) en is de overgang tussen personen en achtergrond nog vrij abrupt (Keisnijding, Narrenschip).
  • In een verder stadium komt in plaats van de horizontaliteit een systeem van in elkaar grijpende, golvende landschapspartijen (Christophorus) of figurengroepen (Goochelaar, Doornenkroning).
  • In een laatste stadium wordt van de tegenstelling tussen voor- en achtergrond afgezien, waardoor alle onderdelen een grote mate van gelijkwaardigheid krijgen (Landloper, de Madrileense Antonius).

 

En dan de tekeningen. Tolnay en Baldass deelden deze in in drie groepen: schetsen die composities van schilderijen voorbereiden, tekeningen die het karakter hebben van zelfstandige kunstwerken, kleine schetsbladen die details en ideetjes uitwerken. Het tweede uitgangspunt van deze auteurs was dat er wat motieven betreft grote overeenkomsten zijn tussen de tekeningen en de schilderijen. Normatief bij de authenticiteitsvraag (ook bij nieuw ontdekte tekeningen) waren dan ook die tekeningen die qua onderwerp of compositie parallellen hebben in het geschilderde oeuvre. Baldass distilleerde uit de tekeningen de volgende typische Bosch-kenmerken: ogen, neus en mond worden weergegeven door vele kleine lijntjes, de pupil wordt aangeduid door een vinnige zwarte stip, veel figuren hebben spits toelopende vingers, de beweeglijkheid van de contour, arceren gebeurt door middel van korte en nerveuze parallelle lijntjes.Voor Baldass bleven deze kenmerken ondergeschikt aan de groepering van de tekeningen (in drie delen), maar Lemmens en Taverne willen op zoek gaan naar verdere kenmerken van Bosch’ handschrift om te checken of die indeling in drie groepen wel klopt. Zij komen tot het besluit dat zeven van de zeventien tentoongestelde bladen origineel Bosch-werk zijn (de nummering verwijst naar de tentoonstellingscatalogus): Twee heksen (48), Narrenschip in vlammen (53), Het veld heeft ogen (57), Bekoring van Antonius (58), Bijenkorf met heksen (59), Hel en monsters (61) en Twee monsters (61). Deze tekeningen behoren tot twee van de door Baldass en Tolnay opgezette categorieën, namelijk de ontwerpbladen en de schetsbladen. Van de zelfstandig opgezette bladen (belangrijk hier: het Rotterdamse blad met uilen en de Boommens in de Weense Albertina) was er geen enkel op de tentoonstelling aanwezig. Vielen door de mand: de Bedelaars uit Brussel (49) en Wenen (50), Farizeeërs (55), Studieblad met monsters (62), Het Narrenschip (52), Dood van een vrek (51) en Graflegging (56). De Kruisdraging (54) en de Knielende Petrus (64) zijn aperte kopieën.Lemmens en Taverne onderscheiden vooral twee karakteristieken: enerzijds de dunne, ranke figuurtjes en anderzijds nadrukkelijk uitgewerkte bladen met zwaardere contouren en meer arceringen. Deze tweedeling komt niet overeen met een indeling in schetsbladen en ontwerpbladen, want ze komen soms binnen één blad voor (onder meer bij Narrenschip in vlammen). Het zijn dus eerder kenmerken van verschillende tekenstadia dan van verschillende tekeningen. De gebruikelijke indeling in drie categorieën heeft bij de huidige stand van het onderzoek in elk geval weinig reden van bestaan.Dit artikel maakt een willekeurig-subjectieve en verwarrende indruk. De stijlkarakteristieken die de auteurs noemen, kunnen toch gemakkelijk door anderen van Bosch zijn overgenomen: vormen zij dan nog wel een betrouwbare authenticiteitsnorm? Vooral de stilistische bespreking van de schilderijen blijkt erg zwak. Interessant zijn wel de tekeningen die Lemmens en Taverne door de mand laten vallen.

[explicit]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram