Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Rondom een paar thema's bij Jeroen Bosch

Peeters 1968
Peeters, Raym.
Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis
Uitgave datum: 1968
Bron: Taxandria, N.R., XL (1968), pp. 149-168

Peeters 1968

 

“Rondom een paar thema’s bij Jeroen Bosch” (Raym. Peeters) 1968

[in: Taxandria, N.R., XL (1968), pp. 149-168]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 61 (D84)]

 

Peeters zegt een aantal dingen over de Landloper (Rotterdam) en het Narrenschip (Parijs). De hoofdideeën van het eerste schilderij zijn de kortstondigheid van het leven en het feit dat de mens hier op aarde een vreemdeling en een pelgrim is. Om deze ideeën uit te drukken heeft Bosch een beeld uit de dagelijkse werkelijkheid gebruikt: de ‘varende’ koopman.

 

Aan de hand van de Middelnederlandse taal en literatuur geeft Peeters nog enkele detailverklaringen in verband met de tondo, waarbij hij zich nochtans de vraag stelt of alles wel allegorisch moét geïnterpreteerd worden. De herberg is een symbool van de wereld waarin men slechts voor korte tijd (één nacht) verblijft. De kan op de stok is ‘rein uit’ (helemaal leeg): een verwijzing naar Sinte Reynuut. De hoed met de els en het kattenvel duiden erop dat de man een ‘hoedelaar’ (schoenmaker) is. De hond staat voor het ‘morseel’ of de ‘bete’ des doods. Het veken (de poort) wijst op een overgang tussen twee toestanden. Het rund is ‘Vale’ (het apocalyptische rijdier van de dood).

 

Bosch houdt hier de middeleeuwse mens een spiegel voor (zie ook de cirkelvorm van het schilderij): iedereen is een vreemdeling in deze wereld en gaat gebukt onder de last van zijn zonden. Dit dient de mens te onthouden, want al snel komt de dood en de eindafrekening bij de Hemelse Waard … Peeters sluit overigens niet uit dat Bosch bewust een associatie met het motief van de Verloren Zoon nastreefde: een gelijkaardige associatie tussen de Verloren Zoon en de zondige mens kwam eveneens in de contemporaine literatuur voor. In één alinea besteedt Peeters aandacht aan de buitenluiken van de Hooiwagen-triptiek. Hoewel de marskramer ook hier een symbool heet te zijn van de ‘pelgrimage vander mensceliker creaturen’, wordt hij naar verluidt toch voorgesteld onder een totaal andere invalshoek dan op de Rotterdamse tondo: op de Hooiwagen-buitenluiken zou de nadruk namelijk meer liggen op de gevaren van de levensreis.

 

Het Narrenschip zou volgens Peeters beter Schip van Sinte Reinuit heten (zie weer de omgekeerde, dus lege kan op de stok). De non die luit speelt, is de ‘Zuster Lute’ uit de literatuur van die tijd. De man in een pij tegenover haar zou een Broeder Lollaert of Broeder Everaert kunnen zijn. De twee zwemmers zijn waarschijnlijk verkwisters die hun kleren hebben moeten verpanden.

 

[explicit]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram