Jheronimus Bosch Art Center

Les chardons et la petite tortue ou le Jardin des délices de Jérôme Bosch décrypté

Prost 1992
Prost, Charles
Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis
Aantal pagina's: 197
Uitgever: Casterman, s.l. (Doornik)
Uitgave datum: 1992
ISBN: 2-203-60701-7

Prost 1992

 

 

LES CHARDONS ET LA PETITE TORTUE

ou le Jardin des délices de Jérôme Bosch décrypté

(Charles Prost) 1992

 

[Casterman, Doornik, 1992, 197 blz.]

 

 

Deze aan de Tuin der Lusten gewijde monografie is in de Bosch-literatuur na 1992 zowat onopgemerkt gebleven en is ook niet gemakkelijk bereikbaar. Daarom wordt er hieronder wat uitgebreider bij stilgestaan. De (vreemde) titel betekent: De distels en de kleine vos. De kleine vos is een vlindersoort.

 

Het begint met een veelbelovend Woord vooraf. De auteur heeft naar verluidt meer dan twintig jaar aan dit boek gewerkt en de meeste raadsels van deze triptiek konden opgelost worden door goed te kijken en door teksten en andere cultuuruitingen met Bosch’ schilderij te confronteren. Gaandeweg bleek de Tuin der Lusten neer te komen op een betoog over de christelijke leer en ook melaatsheid bleek onverwacht een rol te spelen. Prosts bibliografie (die vooraan in het boek staat) maakt overigens, met slechts vier Bosch-titels, een nogal magere indruk, al dient wel gezegd dat er doorheen de tekst nog meer Bosch-studies (zelfs van Bax) vermeld worden, via de voetnoten.

 

In het als inleiding bedoelde eerste hoofdstuk stelt Prost dat Bosch vaak raadselachtig is, zeker wanneer het gaat  om werken zoals de Tuin der Lusten en de Hooiwagen, waar we geen teksten naast kunnen leggen. Voor de Tuin der Lusten klopt dit, voor de Hooiwagen echter zeker niet, vergelijk onder meer De Bruyn 2001a. Prost kondigt nu aan dat zijn jarenlange studie geresulteerd heeft in een aantal verhelderingen waarbij hij dingen heeft gezien die nog nooit iemand heeft opgemerkt, maar die duidelijk zijn zodra men erop gewezen wordt. Prosts bevindingen betreffen vooral de Tuin der Lusten, maar hebben ook repercussies op de rest van het Bosch-oeuvre, zodanig zelfs dat de auteur in staat is gebleken om enkele wetten van de boschiaanse symboliek op te stellen (zie infra). Bij Bosch spelen de mens en de duivel de hoofdrollen, terwijl God een figurantenrol wordt toebedeeld. Om Bosch te begrijpen moeten we terugkeren naar een precartesiaanse denktrant en beseffen dat voor Bosch kennis van de Bijbel (vooral de boeken Genesis en Apocalyps) onmisbaar was. Prost citeert dan exhaustief Apocalyps 21, 15-27 en 22, 1-2, passages die naar verluidt ‘onmisbaar zijn om de Tuin der Lusten te begrijpen’. Voorlopig wordt niet uitgelegd waarom.

 

In het tweede hoofdstuk neemt Prost de buitenluiken van de Tuin der Lusten onder de loep. De buitenluiken kondigen het thema van het drieluik aan: het zal gaan over de verhouding tussen de wereld en God, en God is hier reeds minder belangrijk dan de wereld. Het psalmcitaat op de buitenluiken verwijst naar de wereld op de derde scheppingsdag en dus naar het begin van de heilsgeschiedenis. Het boek dat God in de handen houdt, bevat geen leesbare tekst, maar volgens Prost is het de bedoeling dat de toeschouwer hier een tekst uit de Apocalyps (Proloog, vers 8: Ik ben de Alfa en de Omega, het einde en het begin) invult, omdat deze tekst in de middeleeuwse beelding in een soortgelijke context wel duidelijk voorkomt. Aan de hand van nog een ander Bijbelcitaat (Mattheus 24, 1-2) stelt Prost dat de vreemde rotsen en vormen op de buitenluiken de ruïnes zijn van het door de duivel gecreëerde valse Hemelse Jerusalem op het middenpaneel. Op die manier verwijzen de buitenluiken dus ook naar de door God vernietigde wereld ná de Apocalyps. De afwezigheid van licht brengt hij ten slotte in verband met de duisternis die bij Christus’ dood ontstond tussen het zesde en het negende uur.

 

Het betoog van de buitenluiken zou dus neerkomen op het volgende: God schiep de wereld en de mensen, God vernietigde de wereld en de mensen maar dankzij het offer van Christus hebben de mensen de sleutel tot hun heil in eigen handen. Prost ontwaart bij dit alles de invloed van de Moderne Devotie, die immers aanspoorde tot meditatie over de vier uitersten, over de weldaden van God en Christus en over de Passie. Het zal wellicht zonder meer duidelijk zijn dat de wijze waarop Prost in dit hoofdstuk goochelt met Bijbelcitaten, de grenzen van de wetenschappelijke aanvaardbaarheid brutaal overschrijdt.

 

Nadat in het derde hoofdstuk enkele weinig overtuigende ‘geometrische’ observaties over het drieluik in zijn geheel werden gepresenteerd (met toch twee voor iedereen controleerbare vaststellingen: dat zich in de exacte middelpunten van het linkerluik en het middenpaneel respectievelijk een uil en een ei bevinden), wordt in het vierde hoofdstuk de aandacht gericht op het linker binnenluik. Aan bod komen het rotsgezicht (dat verwijst naar de duivel), de Paradijsfontein en de eenhoorn (symbolen van Christus) en de poel helemaal vooraan die via een passage uit de middeleeuwse bestiaria in verband wordt gebracht met de zondige ‘wateren van de wereld’. Het Kwaad is dus reeds aanwezig in het Aards Paradijs. Minder overtuigend is dat de Paradijsfontein via de edelstenen onderaan in verband wordt gebracht met het Hemelse Jeruzalem uit de Apocalyps.

 

Vanaf het vijfde hoofdstuk wordt het middenpaneel bekeken. Prost stelt vast dat er zich op dat middenpaneel veel meer mannen dan vrouwen bevinden. Het ei in het exacte midden moet hoogstwaarschijnlijk negatief geduid worden. In het onderste gedeelte van het middenpaneel (beneden de onderste struikenrij) ontwaart Prost een X-vorm en waar de lijnen van de X elkaar snijden, bevindt zich naar verluidt een sleuteldetail: drie mannen in een schil, waarvan één de armen gespreid houdt. In hem ziet de auteur Christus. De distel en de vlinder (een kleine vos) in de onmiddellijke buurt zijn Christus-symbolen en de koolmees is ook een positief symbool. Christus verbergt zich op het middenpaneel (dat ‘de wereld’ voorstelt) om te observeren hoe de mens zich gedraagt (waarbij het onderste Bijbelcitaat op het Prado-Tafelblad met de Zeven Hoofdzonden gerecruteerd wordt: Abscondam faciem meam ab eis et considerabo novissima eorum).

 

In het zesde hoofdstuk heeft Prost het plots over enkele andere werken van Bosch (voornamelijk over de Lissabonse Antonius-triptiek). Hij heeft in het oeuvre van Bosch een viertal ‘wetten’ ontdekt…

 

  • Bosch sluit weliswaar vaak aan bij de traditie maar heeft vanuit die traditie toch in veel gevallen een eigen symbolische taal ontwikkeld.
  • In de boschiaanse symboliek kan een deel naar het geheel verwijzen (bijvoorbeeld een harnasschijf naar het hele harnas en zo naar agressie).
  • Als het symbool sterk uitvergroot wordt (bijvoorbeeld een voorwerp of een dier), dan blijft het zijn betekenis behouden.
  • Bepaalde personages (vooral duivels) doen zich vaak anders voor dan ze zijn, met de bedoeling om te bedriegen (bijvoorbeeld de duivels die een ‘eenhoorn’ gevangen hebben op het middenpaneel van het Antonius-drieluik).

 

Prost betwijfelt of Bosch’ tijdgenoten zijn symboliek altijd gemakkelijk begrepen.

 

Het (lange) zevende hoofdstuk richt de aandacht weer op het middenpaneel, dat volgens Prost veel invloed vertoont van Genesis en de Openbaring van Johannes, net als de buitenluiken en het linkerluik. Hij ziet de fontein bovenaan en de vier bouwsels errond als een door de duivel gecreëerd vals Hemels Jeruzalem en het ganse middenpaneel als een allegorische uitbeelding van ‘de wereld’ (le monde) met daarin de zondige mensheid. Verder worden van een aantal details (meestal zeer betwistbare) interpetaties gegeven: onderdelen van de ‘bouwsels’ achteraan, het fruit, de kristallen buisjes, de ‘tent’ van koraal. Deze dingen verwijzen naar verluidt allemaal op bedrieglijke wijze naar het Hemelse Jeruzalem. De personen in en rond de grot in de rechter benedenhoek zijn wildemannen en -vrouwen. De persoon met een vrucht in de hand, waarin sommigen Eva zien, is androgyn. Eén concreter voorbeeld van dat ‘zeer betwistbare’: de kristallen buisjes (in feite glazen retorten) worden in verband gebracht met de ‘lichttunnels’ uit bijna-doodervaringen en zouden zo (weliswaar valse) doorgangen vormen naar het Hemelse Jeruzalem.

 

De figuren in de opening van de centrale blauwe fontein vertonen vlekken van melaatsheid, geestelijk te duiden als tekenen van zondigheid. De ruiterstoet bevat verwijzingen naar Christus én naar zondigheid. De vogels zouden verwijzen naar de vogels die verdoemden verslinden in Apocalyps 19, 17-18. Verscheidene details verwijzen naar homoseksualiteit. De naaktheid van de figuren zou verwijzen naar het doopsel: deze naakten zijn allemaal door Christus’ Passie van de Erfzonde verlosten die nu moeten kiezen tussen Goed en Kwaad.

 

In het achtste en negende hoofdstuk bespreekt Prost de onderscheiden scènes van de Hel op het rechterluik. Het mes tussen de twee oren suggereert een erectie. De Boommens herbergt in zijn binnenste een bordeel. De schaatsers zijn gestrafte ontuchtigen omdat één van de betekenissen van het Franse patiner ‘flirten’ is. Het rechterluik bevat een aantal voorwerpen die verwijzen naar de Passie van Christus. In sommige gevallen (volgens Prost zelf) heel duidelijk, in andere gevallen minder duidelijk. Op het rechterluik zien we één klerk (met tonsuur), op het middenpaneel geen, wat zou aantonen dat niet alle straffen op het rechterluik corresponderen met wat we zien op het middenpaneel. Prost lost deze contradictie op door te stellen dat de vruchten op het middenpaneel herinneren aan de vrucht van de Zondeval en zo verwijzen naar álle zonden samen.

 

Het tiende hoofdstuk zegt iets over de mens Bosch. Een flink aantal figuren in de Tuin zijn androgyn: het is vaak moeilijk te zien of het een man of een vrouw betreft. Samen met de naar homoseksualiteit verwijzende details zou dit kunnen betekenen dat Bosch homoseksueel was (de term biseksueel valt niet). In het elfde hoofdstuk lezen we dat Bosch binnen één paneel meerdere thema’s en symbolen gebruikt, deze laatste zijn vaak alleen bij hem aan te treffen. Dat maakt dat benaderingen van Bosch vanuit één perspectief (alchemie, astrologie…) te beperkt zijn. Het twaalfde hoofdstuk bevat de ‘conclusie’. Vlaamse Primitieven zoals de Van Eycks en Van der Weyden sluiten wat iconografie en boodschap betreft aan bij de christelijke traditie. Bosch bracht een soortgelijke boodschap, maar hij ontwierp een eigen iconografie. In het dertiende hoofdstuk ten slotte volgen nog enkele (grotendeels verwarde en oppervlakkige) opmerkingen in verband met een aantal andere Bosch-schilderijen.

 

De waardevolle observaties die Prost hier en daar formuleert, vormen een zeer kleine minderheid. Naar het mij lijkt, dient het overgrote deel van de interpretaties die in dit boek aan bod komen, beleefd gezegd, met de grootste voorzichtigheid en scepsis benaderd te worden.

 

[explicit 25 januari 2026 – Eric De Bruyn]

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram