Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Vermet 2010

Baldass was right - The Chronology of the Paintings of Jheronimus Bosch

Vermet, Bernard M.

Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis

Uitgave datum: 2010

ISBN: 978-90-816227-4-5

Bron: Eric De Bruyn en Jos Koldeweij (red.), "Jheronimus Bosch - His Sources - 2nd International Jheronimus Bosch Conference, May 22-25, 2007, Jheronimus Bosch Art Center, 's-Hertogenbosch, The Netherlands", Jheronimus Bosch Art Center, 's-Hertogenbosch, 2010, pp. 296-319

 

Vermet 2010

 

“Baldass was right. The Chronology of the Paintings of Jheronimus Bosch” (Bernard M. Vermet) 2010

[in: Eric De Bruyn / Jos Koldeweij (red.), Jheronimus Bosch. His Sources. 2nd International Jheronimus Bosch Conference, May 22-25, 2007, Jheronimus Bosch Art Center, ’s-Hertogenbosch, the Netherlands. Jheronimus Bosch Art Center, ’s-Hertogenbosch, 2010, pp. 296-319]

 

In 1917 stelde Ludwig von Baldass dat de Tuin der Lusten een jeugdwerk van Bosch was, maar later, onder invloed van Charles de Tolnay, kwam hij op deze mening terug. Via het dendrochronologisch onderzoek van Peter Klein (de vroegste mogelijke datering van de triptiek is 1460) kan De Tolnay’s standpunt nu in vraag gesteld worden, en dat is wat Vermet in deze bijdrage tracht te doen. Eerst geeft hij een aantal argumenten die wijzen op een vroege datering. De behandeling van de ruimte is ouderwets, eenvoudig, symmetrisch en vlak en de algemene opbouw oogt archaïsch. Vermet ontwaart hier de invloed van de miniaturen van Simon Marmion. De individuele figuren zijn erg primitief weergegeven. Vermet stelt parallellen vast met Hans Memling en de Meester van het Dresdense Gebedenboek. Vermet signaleert ook parallellen tussen de New Yorkse Aanbidding der Wijzen (volgens hem een vroege Bosch en geen pastiche) en de Tuin en verwijst naar Hans Janssen die schreef dat de typische kenmerken van messen en keramiek uit de periode 1490-1510 niet voorkomen bij de materialen die Bosch schilderde op zijn grote triptieken.

 

Vervolgens tracht Vermet de argumenten te weerleggen die spreken voor een latere datering van de Tuin. Volgens Herman Colenbrander was het Hendrik III van Nassau die, na een reis naar Spanje, verantwoordelijk was voor het idee van de symbolische madroño’s (de madroño of aardbeiboom groeide alleen in Zuid-Europa en Ierland), maar zijn oom, Engelbrecht II van Nassau, bezocht ook Zuid-Europa en misschien deed Bosch hetzelfde, of wellicht was er sprake van een derde partij, een ‘auctor intellectualis’. Gerd Unverfehrt signaleerde dat op het middenpaneel een zaadcapsule van de Ibicella Lutea geschilderd is, een Zuid-Amerikaanse plant die vóór 1500 niet bekend was in Europa, maar volgens Vermet heeft wat we zien, niets te maken met een reëel bestaande plant. Hans Belting bracht de Tuin in verband met het klimaat van de grote ontdekkingen en de interesse voor het exotische vanaf 1492, maar volgens Vermet wijzen Bosch’ drakenboom, griffioen, giraffe en negers erop dat Bosch geïnspireerd werd door de ontdekking van Afrika (midden vijftiende eeuw), en niet door de ontdekking van Amerika. Belting zag de Tuin ook als het mogelijke resultaat van de wedijver tussen Filips de Schone en Hendrik III van Nassau. Hendrik was een belangrijke mecenas en zijn levensstijl was nogal losbandig. Maar dit kan ook gezegd worden van Hendriks voorganger Engelbrecht II van Nassau (+1504). Engelbrecht was een liefhebber van verluchte handschriften en zijn levensstijl was nog losbandiger dan die van Hendrik. Verscheidene auteurs hebben gewezen op de overeenkomsten tussen de Tuin en het Weense Laatste Oordeel. Vermet is het met hen eens maar als Bax gelijk had en de Sint-Bavo op de buitenluiken een portret is van Filips de Schone, dan moet het een portret zijn van de jonge Filips de Schone, rond 1496. De Weense triptiek zou door Filips kunnen besteld zijn ter gelegenheid van zijn inhuldiging als Hertog van Brabant in ’s-Hertogenbosch in 1496. Ten slotte schreef Frédéric Elsig over de vermeende gelijkenis tussen de uitbeelding van de wereld op de buitenluiken van de Tuin en de wereldbollen die in deze vorm blijkbaar pas vanaf 1510 voorkomen, maar volgens Vermet hebben deze wereldbollen niets te maken met Bosch’ wereldperspectief op een platte schijf, dat eerder parallellen vertoont met schilderijen uit de vijftiende eeuw.

 

Vermet concludeert dat Bosch zijn Tuin schilderde voor Engelbrecht II van Nassau. Misschien bestelde Engelbrecht het drieluik in 1481, toen hij het Kapittel van de Ridders van het Gulden Vlies in ’s-Hertogenbosch bijwoonde. Daarom dateert Vermet de Tuin kort na 1481, maar hij sluit de mogelijkheid niet uit dat de triptiek al vroeger werd gemaakt of begonnen. Vermet stelt dan een algemene chronologie van Bosch’ werken voor en vergelijkt zijn voorstel met die van Fritz Koreny en Frédéric Elsig. Vermets chronologie is gebaseerd op de recente datering van de Aanbidding der Wijzen (Prado) rond 1495 door Xavier Duquenne (die in staat was de schenkers van de triptiek te identificeren als Peeter Scheyve en Agnes de Schramme). Vertrekkende van een stilistische analyse van Bosch’ ondertekeningen verdeelt Vermet de werken van Bosch, net als Koreny, in twee groepen. De drie sleutelwerken van de eerste groep zijn de Tuin, het Weense Laatste Oordeel en de Aanbidding der Wijzen in het Prado. De twee groep bestaat onder meer uit de Lissabonse Sint-Antonius, de Marskramer/Narrenschip/Dood van een Vrek-triptiek en de Hooiwagen. Maar omdat Koreny de eerste groep te laat dateert, is hij voor de tweede groep verplicht een jonge leerling te introduceren die in Bosch’ atelier zou gewerkt hebben vanaf ongeveer 1500 tot na Bosch’ overlijden. Omdat Vermet de eerste groep vóór 1500 dateert, kan hij de tweede groep zonder problemen na 1500 plaatsen. Hij schrijft de stijlverschillen tussen de twee groepen toe aan het feit dat Bosch’ stijl gedurende zijn leven een verandering onderging, waarbij de periode rond 1500 een keerpunt was.

 

Vermets bijdrage, geschreven in zijn typische enthousiaste stijl, behandelt een hoogst boeiende en belangrijke kwestie: is de Tuin der Lusten een vroeg of een later werk en was de opdrachtgever Engelbrecht II van Nassau of Hendrik III van Nassau? Ondanks Vermets aanstekelijk betoog moet men toegeven dat hij voorlopig enkel vermoedens en hypothesen kan aanbieden die uiteindelijk niets definitief bewijzen. En toch: de ideeën dat de Tuin een vroeg werk is en dat het drieluik besteld werd door Engelbrecht II van Nassau verdienen zeker verder onderzoek. Om zijn algemene chronologie te vergelijken met die van Koreny en Elsig publiceert Vermet ook enkele tabellen en diagrammen, maar om deze correct te begrijpen heeft men een Master in de Statistiek nodig. Onze pet ging dit helaas te boven.

 

[explicit 5 augustus 2012]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram